Groeien in het geloof (4)
Wel wedergeboren, maar (nog) niet gerechtvaardigd
We zagen de vorige keer, dat in de orde van het heil de rechtvaardiging niet aan het begin staat, maar verderop, na roeping, wedergeboorte en beginnend geloof. Daarbij kwam de vraag op, of we wedergeborenen en (aanvankelijke) gelovigen kunnen zijn en toch niet gerechtvaardigd, d.w.z. toch niet (kunnen/mogen) geloven, dat om Christus' wil onze zonden vergeven zijn.
In de geloofspraktijk komt dit inderdaad voor. Niet weinigen mogen wel geloven, dat zij door de Heere geroepen zijn, dat ze een 'nieuw leven' kennen, dat er een diepgaande ommekeer bij hen heeft plaatsgevonden, dat ze de dienst van de Heere oprecht liefgekregen hebben, enz., maar niet durven zeggen, dat God om Christus' wil hun zonden vergeven heeft en dat zij nu een (genade)recht hebben op het eeuwige leven. Vóór dat laatste blijven ze staan. Dat durven zij zich niet toe te eigenen.
We willen hierover geen oordeel vellen. We beperken ons tot de vraag, welke gevolgen dit heeft voor het groeien in het geloof.
Kenmerken
In de eerste plaats constateren we bij deze wel wedergeboren maar (nog) niet gerechtvaardigde gelovigen veel onzekerheid. Ze zijn oprecht en ootmoedig, denken klein van zichzelf, maar ze zijn ook 'bekommerd'. Ze twijfelen menig keer, of ze wel 'erbij horen', bij Gods kinderen. Daardoor zijn ze ook sterk op zichzelf gericht. Hebben zij wel genoeg zondenkennis? Zit het van binnen wel goed bij ze? Omdat ze niet vrijgemaakt zijn van hun schuld en zonde door het bloed van Jezus, en de eisen (ook de veroordeling en zelfs de vloek) van de wet hen drukken, staat hun leven vooral in het teken van de wet. Bewust of onbewust, willen zij (de wet van) God nog tevreden stellen. Dat geeft krampachtigheid, in hun godsdienstig leven, maar ook in hun hele bestaan. Er is weinig vreugde bij hen te bespeuren, wel ernst en soms strengheid stralen ze uit. Voor zichzelf maar ook wel voor anderen. Daar voegt zich nog een gevoel van machteloosheid bij. Men zou wel willen delen in de schuldvergeving door Christus' bloed, maar men kan dat op geen enkele manier zelf bewerkstelligen. Ze beseffen diep, dat dit je gegeven moet worden. Het gebed is er dan wel, maar het gaat met weinig geloof gepaard. Soms is het een leven lang wachten, of zelfs een af-wachten.
Dat wordt nog versterkt, naarmate men de rechtvaardiging ziet als een uitzonderlijk gebeuren zoals wij dat in het vorige, artikel hebben beschreven. Zoiets bijzonders kan je alleen overkomen. Daar ben je zelf volstrekt passief in. Dus blijft er niets anders over dan te wachten op het absolute moment van gebracht te worden in de vierschaar van God.
Tenslotte, er zijn er maar weinigen, die zo'n rechtvaardiging beleven. Wie Zou dan durven verwachten, dat het hem of haar wel zal toevallen?
Geen geloofsgroei
Er zouden nog meer aspecten van deze geloofshouding genoemd kunnen worden. In ieder geval is duidelijk, dat het groeien in het geloof hier nauwelijks een plaats krijgt. De vaststaande heilsorde wijst aan de gelovige een even vaststaande locatie toe. Men hoort tot de 'bekommerden', óf tot de 'bevestigden'. Men behoort tot hen die alleen weten van wedergeboorte en bekering, of tot hen, die ook daarna gerechtvaardigd zijn.
Die verhoudingen liggen min of meer vast. Er treedt alleen wijziging op, wanneer we door de Geest worden overgebracht van de ene 'klasse' naar de andere. Groeien in het geloof is er hier niet bij. Sterker nog: het wordt afgewezen, omdat het teveel de indruk geeft, dat er dan een inbreng van de mens bij is, of dat het te weinig bevindelijk toegaat. Diep is men ervan overtuigd, dat het alleen Gods eigen werk is om de mens verder te brengen in het geloof, en als dat gebeurt, wordt het krachtig in de ziel doorleefd.
Eens en voor altijd gerechtvaardigd
Hetzelfde geldt, als men gerechtvaardigd is en het moment van de vrijspraak in de vierschaar Gods heeft beleefd. Dit is zo'n insnijdend gebeuren, dat het eens en voor altijd het leven van Gods kind stempelt en beheerst. Altijd mag men weer daarop terugvallen. Niet alleen voor eigen beleving, maar ook naar anderen toe. In het geloofsverhaal blijft de rechtvaardiging centraal staan.
Dit betekent wel, dat ook dan de geloofsgroei geen reële plaats krijgt. Het beslissende is immers gebeurd. Geloven is leven uit de eenmaal doorleefde rechtvaardiging. Er hoeven feitelijk geen nieuwe belevingen meer worden meegemaakt dan alleen straks na het sterven: de verheerlijking. Deze volgt ook in Romeinen 8 : 30 op de rechtvaardiging.
Onduidelijkheid over de rechtvaardiging
Als wij dit op ons laten inwerken, komen enkele vragen bij ons op, bv. deze: Moet het ons niet te denken geven, als er voor geloofsgroei geen ruimte is? Is er dan niet iets mis gegaan? Dit punt heeft ook in vroeger dagen al moeite gegeven. Men besefte, dat het geloof toch vanaf het begin al de rechtvaardiging (verzoening, vergeving) inhoudt. Elk geloof, hoe klein ook, is toch rechtvaardigend geloof? Want elk waar geloof veronderstelt de levensverbinding met Christus. En het kan niet anders, of de verzoening door Christus moet daarvan het hart uitmaken. Trouwens, ook kleingelovigen worden behouden. Zouden zij dan niet gerechtvaardigd zijn? Dat is toch uitgesloten?
Als men dan toch de bovengeschetste heilsorde wilde handhaven, moest men wel binnen de rechtvaardiging gaan onderscheiden. Men ging spreken over een rechtvaardiging, die al bij de wedergeboorte plaatsvond én een rechtvaardiging, die na de wedergeboorte en nadat het geloof begonnen was, gebeurde. De eerste werd onbewust, de tweede bewust doorleefd. Toen men eenmaal deze onderscheidingen ging aanbrengen, werden ze steeds talrijker. A. Comrie kwam zelfs tot een viererlei rechtvaardiging. Dat maakte de zaak niet eenvoudiger en ook was het niet heilzaam voor het geloof.
Er dient zich nog een ingrijpender vraag aan: is de heilsorde wel zo bijbels? We zagen boven, dat zij voornamelijk is ontleend aan Romeinen 8 : 29, 30. Maar wordt daar wel een heilsorde geleerd? Opmerkelijk is, dat Calvijns uitlegging hierover met geen woord rept. Hij wijst erop, dat Paulus ons hier wijst op Gods trouw in het leiden van zijn kinderen. Hij laat niet varen het werk, dat Zijn hand begon. Dat werk begon reeds in de eeuwigheid, en het blijft bij en door Hem bewaard tot in eeuwigheid. Dat wil Romeinen 8 ons zeggen, en niet een bepaalde volgorde van geloofsbelevingen aangeven.
Een andere geloofs'gang'
Nu hebben wij hiermee zeker niet alles gezegd. Eerder wezen we er al op, dat we in het bovenstaande slechts één geloofs'gang' hebben getekend. Er zijn er echter meer. De bovengeschetste tekende een heilsordelij ke invulling van de geloofsweg van de christen. Roeping (wedergeboorte, beginnend geloof) werd onderscheiden van de rechtvaardiging, ook in de beleving ervan. Maar het kan ook anders in het leven van Gods kinderen toegaan.
De accenten worden, dan verlegd. Niet meer de heilsorde krijgt de meeste aandacht, maar het groeien in het geloof. Andere aspecten van de geloofsbeleving komen dan naar voren, die in zekere mate ook een ander geloofsklimaat meebrengen. Kortom: de geloofs'gang' is een andere.
Wel is dan opnieuw nodig te vragen naar het bijbels fundament. Groeien in het geloof: is dat een bijbels woord en een bijbelse werkelijkheid, en zo ja, hoe ziet die werkelijkheid er dan uit? Daarover gaat het in ons laatste artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1996
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1996
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's