Het Licht en de schepping
De achtergrond van kerst
Dat is toch goed beschouwd een duizelingwekkende gedachte: dat in die ene nacht temidden van duizenden andere God Zelf als mens ter wereld kwam. Hij door Wie hemel en aarde geschapen zijn kwam onder ons als een huilende baby. Catechisanten zeggen soms: we horen met kerst elk jaar hetzelfde in de kerk, we weten het nu wel. Maar dit weten, in de zin van dóór hebben, begrijpen, is eigenlijk onmogelijk. Het is iets om iedere keer opnieuw weer versteld van te staan.
De kerk van alle tijden heeft er dan ook altijd met open mond van verbazing naar staan kijken. Wat gebéurt hier nu eigenlijk? En waarom gebeurt het? Gelukkig hoefde zij het niet met de naakte feiten alleen te doen, maar kreeg ze er van het begin af aan tekst en uitleg bij, van evangelisten en apostelen. Vooral Johannes, Paulus en de schrijver van de Hebreeënbrief zochten de diepere achtergronden van de feiten te peilen. En alle drie concluderen ze: Kerst is geen incident, dat zomaar uit de lucht komt vallen. En het Kerstkind is geen volslagen vreemde op aarde. Als Christus geboren wordt, dan komt Hij tot het Zijne (Joh. 1 : 11). Want door Hem zijn alle dingen geschapen (Kol. 1 : 16), en Hij is het die alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht (Hebr. 1 : 4).
Heel duidelijk wordt in het Nieuwe Testament dus een verband gelegd tussen het Kerstkind en de schepping en onderhouding van alle dingen. Johannes geeft dat verband nog eens extra accent door Jezus aan te duiden als het waarachtige Licht, dat ieder ter wereld komend mens verlicht (Joh. 1 : 9). Daarmee verwijst hij naar de allereerste scheppingsdaad van God. 'En God zeide: Daar zij licht!' (Gen. 1 : 3). Dat was Gods eerste gedachte. Zijn eerste woord: Vóór alles moet er licht komen! En dat licht kwam er. God sprak, en het was er. In dat licht worden dan de volgende vijf dagen alle dingen geschapen. Zonder dat licht zou het niets geworden zijn. Zonder dat licht is geen leven mogelijk. Welnu, zegt Johannes: Hij, Christus, was en is het waarachtige Licht, dat schijnt in de duisternis. Zelf zegt Jezus heel kernachtig: Ik ben het Licht der wereld' (Joh. 8 : 12). Alleen in Mij is leven mogelijk. In Nicea horen we er de echo nog van: God uit God, Licht uit Licht...
Jezus is dus in deze wereld geen vreemde. Hij kwam in de wereld, maar de wereld was er door Hem. Dat woordje 'door' is hier inderdaad typerend voor het Nieuwe Testament. In 1 Kor. 8 : 6 staat het heel precies: Nochtans hebben wij maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn...; en één Heere, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn'. Het Grieks gebruikt hier het woordje 'dia', dat letterlijk betekent: door middel van. Vandaar dat men in dit verband wel spreekt van het 'Scheppingsmiddelaarschap' van Christus. Die stem staat weliswaar niet in de Bijbel, maar vat toch wel goed samen wat we er lezen over de nauwe betrokkenheid van Christus bij de schepping.
De orde in Gods werken
Nu is het hierbij echter wel van belang, dat we het verschil tussen de woordjes 'door (middel van)' en 'uit' niet over het hoofd zien. Christus is wel bij de schepping betrokken, maar Hij is niet de Schepper Zelf. De schepping is om zo te zeggen niet zijn idee, en ook niet in de eerste plaats Zijn werk. Terecht merk A. A. van Ruler ergens op, dat we niet kunnen zeggen: Jezus van Nazareth heeft de wereld geschapen. Want de schepping is het idee en het werk van God de Vader, dat Hij uitvoert door het Woord. De schepping is dus wel door Christus, maar zij is niet uit Hem.
Dat lijkt misschien een wat subtiele onderscheiding, maar er zit veel aan vast. Het gaat hier namelijk om de orde die er is in Gods werken - een orde die de kerk der eeuwen in de Schrift verwonderd ontdekt en erkend en beleden heeft. Die orde houdt in, dat de werken van de drie-enige God naar de wereld toe weliswaar ongedeeld zijn, maar toch telkens aan één van de drie Personen in eigenlijke zin toegeschreven moeten worden. Ze zijn ongedeeld, omdat Vader, Zoon en Geest alle drie bij elk ervan betrokken zijn. Ze zijn immers één in wezen. Zo zagen we, dat de Zoon voluit bij het werk van de schepping betrokken is, terwijl datzelfde ook van de Geest geldt (Gen. 1 : 2). Maar tegelijk is in eigenlijke zin alleen de Vader onze Schepper. Evenzo zijn ook de Vader en de Geest voluit betrokken bij onze verlossing, terwijl die toch in eigenlijke zin het werk van de Zoon is. Wij kunnen niet zeggen dat God de Vader of de Heilige Geest in de kerstnacht geboren is! Dat is alleen Christus. Evenzo geldt, dat de heiliging in eigenlijke zin speciaal het werk is van de Heilige Geest.
We vinden deze drieslag onder meer terug in de Heidelbergse Catechismus (zondag 8). Wat we echter in veel hedendaagse theologische ontwerpen zien gebeuren, is dat deze orde in Gods werken doorbroken wordt. Dat kan op heel verschillende manieren. Maar het levert altijd gedachtengangen op, die enerzijds wel verrassend zijn, maar anderzijds toch zonder meer grensoverschrijdend. Ze zijn verrassend, doordat ze de heilsgeschiedenis weer eens uit een nieuwe hoek belichten, en daarbij vaak ook bepaalde waarheidselementen onderstrepen. Maar ze zijn tegelijk grensoverschrijdend, doordat ze (wanneer ze althans voluit serieus genomen worden) het dogma van de kerk op een verwarrende en onbijbelse manier scheef trekken. Van zulk scheef trekken is bijvoorbeeld sprake, wanneer men zegt dat op Golgotha niet slechts de Heere Jezus, maar God als zodanig gekruisigd en gestorven is - een gedachte waarnaar m.n. Duitse theologen tenderen die door de filosoof Hegel zijn beïnvloed, zoals J. Moltmann en E. Jüngel.
Ook kerst zonder de zonde?
Een andere, soortgelijke grensoverschrijding vindt nu plaats - en daarmee zijn we terug bij ons thema - wanneer men de schepping geheel en al benadert vanuit het werk van Christus. In het voetspoor van Karl Barth blijven velen niet staan bij Christus' scheppingsmiddelaarschap, maar geven zij Hem een veel centralere plaats in het scheppingswerk. Heel de wereld zou zelfs geschapen zijn met het oog op Christus. De schepping is namelijk al het begin van Gods verlossingswerk, dat later z'n hoogtepunt vindt in de komst van Christus. In het verlengde van deze gedachtengang meent men, dat die komst van Christus ook zou hebben plaatsgevonden wanneer de schepping niet door de zonde bedorven was geraakt. Ook als de zondeval er niet was geweest, zou het kerst geworden zijn!
Op deze manier dreigt echter het cruciale onderscheid tussen schepping en verlossing, en daarmee de orde in Gods werken, uitgewist te worden. God de Zoon is immers niet gekomen om de schepping te voltooien - dat had God de Vader al gedaan: en zie, het was zeer goed! - maar om die te verlossen. Dat was nodig, omdat de zonde erbij gekomen is. Al was Christus dan volop bij de schepping betrokken, het was enkel de zonde die Zijn komst op aarde nodig maakte. 'Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou' (1 Joh. 3 : 8). Wie zegt dat Hij evengoed geopenbaard zou zijn, neemt de breuk die er door de zonde gekomen is toch niet voluit ernstig. Want het werk van Christus is dan niet meer puur Gods tegenaanval op de zonde. Calvijn zei reeds: zo verzint men ten diepste een 'nieuwe Christus': immers de gekomen Christus is nergens anders toe bestemd dan om verloren mensen te hulp te komen (Inst. II12, 5).
Schepping en kruis
Men kan intussen nog verder gaan in het dooreen halen van de schepping en het werk van Christus. Zo wijst A. van de Beek in zijn recente boek over de schepping (Nijkerk 1996) de term 'scheppingsmiddelaar' af, omdat Christus zijns inziens veel méér is dan dat: 'Het gaat om Jezus als Schepper. Jezus is de scheppende God...' Maar is dat nu niet precies wat men volgens de klassieke spreekregel van de kerk nooit zeggen kan? We zagen, dat de Zoon weliswaar voluit bij het scheppingswerk betrokken was, maar dat dit werk toch alleen aan de Vader in eigenlijke zin toegeschreven kan worden. Wordt dit ontkend, dan zit daar vrijwel altijd méér achter.
Wat er bij Van de Beek achter zit, is dat hij niet alleen (zoals Barth) de overwinning van Christus, maar ook Zijn kruislijden al in de schepping voorafgebeeld wil zien. Zulk lijden is er zijns inziens namelijk altijd al geweest. 'Het kruis hoort bij de schepping.' En ook de zonde, die onlosmakelijk met het lijden verbonden is, is er van het begin af aan geweest. Ze hoort bij Adam, de geschapen mens, zegt hij. Het is duidelijk dat Van de Beek wil onderstrepen hoe diep het kwaad in de schepping ingebakken zit. Maar het effect dat hij bereikt kon wel eens tegengesteld zijn. Immers, als kruis en zonde er wezenlijk bij horen, dan zijn ze eigenlijk heel gewoon! Dan moeten wij er wellicht maar mee leren leven...
Respecteert men echter de orde in Gods werken, dan moet men zeggen: zonde en kruis staan haaks op de schepping. In het paradijs stond geen kruis, enkel een boom des levens. De schepping was schepping in het licht. Maar de goedheid van de schepping brak door menselijke ongehoorzaamheid stuk op de zonde. Juist dat maakt de zonde zo ernstig, dat ze er niet van het begin af aan al in zat. Wij hebben de duisternis liever gehad dan het licht. Maar dat maakt ook de komst van Christus zo heerlijk, dat Hij daar geen genoegen mee nam, maar speciaal gekomen is om het licht van den beginne weer te laten stralen.
Kerst toont ons een God, Die met ons lot bewogen Om ons van zonde en ongeval te onslaan Een ster in Jacob op deed gaan De Zon des heils doet aan de kimmen staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1996
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1996
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's