Boekbespreking
B. Theunissen/R. P. W. Visser, De wetten van het leven, Historische grondslagen van de biologie 1750-1950, Ambo, Baarn 1996, 278 blz., ƒ 49,50.
Wie is niet geïnteresseerd in haar of zijn herkomst? Hoe is mijn leven ontstaan? Hoe blijft het leven in stand en hoe ontstaan al die onnoemelijke variaties? Vragen die al heel oud zijn en steeds opnieuw worden gesteld.
steeds opnieuw worden gesteld. In de voorliggende studie beschrijven de universitair docent dr. B. Theunissen en universitair hoofddocent, dr. R. P. W. Visser, de ontwikkeling van de biologie als levenswetenschap. Beide auteurs doceren de geschiedenis van de natuurwetenschappen aan de Rijksuniversiteit van Utrecht.
Bewust heb ik 'De wetten van het leven' een studie genoemd, want in dit boekwerk is enorm veel feitenmateriaal verwerkt. Feitenmateriaal wat door de eeuwen heen door even zovele (wetenschappelijke) onderzoekers bijeen is gebracht. Door het op schrift te stellen is het bewaard gebleven en historie geworden.
De vragen over het ontstaan van het leven worden door de auteurs geplaatst in het kader van het historisch denken over en de ontwikkeling van de levende natuur. Daarmee worden de vragen in een breed perspectief geplaatst. Wie zich wil verdiepen in de vakinhoudelijke aspecten van de biologie kan veel informatie opdoen. Wie daarentegen meer van de historische ontwikkeling wil weten, vindt ook stof in overvloed.
De auteurs stellen in de inleiding 'dat er levendige discussies gaande zijn over hoe bepaalde ontwikkelingen moeten worden geduid.' Het voorlopig karakter een historisch overzicht komt daardoor beter tot uitdrukking. Met andere woorden; de ontwikkelingen zijn nog in volle gang en wat vandaag als vaststaand wordt gedoceerd, kan volgend jaar fundamenteel worden weerlegd. In deze studie zijn daar talloze voorbeelden van te vinden.
Hoewel Aristoteles (384-322 v. C.) zich al in extenso met biologie bezighield, heeft het tot 1802 geduurd voordat de bestudering van de levensverschijnselen de naam biologie kreeg. Aristoteles heeft een formidabele hoeveelheid feitenmateriaal over ruim 500 diersoorten bijeengebracht. Hij deed dat uiterst nauwgezet en detaillistisch. Daarbij vond Aristoteles dat de doelmatigheid van de levende natuur zijn oorsprong in de natuur zelf had.
Via Linnaeus en Kant komen we terecht bij Johannes Peter Müller, die hoogleraar vergelijkende anatomie en fysiologie was aan de universiteit van Bonn. Hij schreef een handboek over de fysiologie, gebaseerd op observeren, beschrijven en interpreteren van anatomische structuren. Daarnaast was Müller een groot voorstander van het experiment om daarmee uitspraken over de functionaliteit van de levensvormen beter te kunnen onderbouwen. Daarmee probeerde Müller een antwoord te vinden op het functioneren van het levende organisme.
Uiteraard krijgt het werk van Charles Robert Darwin veel aandacht. Het begin van de negentiende eeuw werd gekenmerkt doordat evolutionaire gezichtspunten zich binnen de biologie begonnen te manifesteren. Hoewel de evolutietheorie verbonden is met de naam Darwin, blijkt dat de zoöloog Jean-Baptiste de Lamarck reeds een aanzet gaf in zijn boek 'Philosphie zoologique' van 1809. Overigens introduceerde Lamarck ook de term 'biologie'. Hij deed dat in zijn 'Recherches sur I'organisation des corps vivants' (1802). Darwins theorie was in feite: de sterkste van een soort overleeft en daardoor blijft die soort in stand. Naast een groot aantal medestanders, waren er ook veel wetenschappers die het niet voor mogelijk hielden dat de enorme soortenrijkdom, die we in de natuur waarnemen, alleen door natuurlijke selectie in stand blijft. Een discussie die nog steeds gaande is.
Vervolgens wordt het erfelijkheidsonderzoek van Gregor Johann Mendel besproken. Mendel besteedde veel tijd aan natuurwetenschappelijk erfelijkheidsonderzoek. Hij specialiseerde zich in onderzoek bij erwten. Hij onderzocht ruim
30.000 planten daarvan. Een van zijn conclusies was dat de erfelijke kenmerken van de ene plant konden samengaan met de erfelijke kenmerken van een andere plant, zonder dat ze daardoor wezenlijk veranderden. Uit zijn onderzoek concludeerde hij dat de erfelijke eigenschappen steeds weer afzonderlijk en ongewijzigd aan het
nageslacht worden doorgegeven.
Combinatie van het erfelijkheidsonderzoek van Mendel en de ideeën van Darwin, leidde begin 1900 tot een overkoepelend evolutionair synthesemodel. Hierbij wordt de selectie-theorie van Darwin gecombineerd met de mendeliaanse erfelijkheidsopvatting. Een model waarop, zoals uit deze studie blijkt, het nodige valt af te dingen.
Met de Russische onderzoekers Chetverikov en Dobzhansky komen we terecht bij het onderzoek naar de natuurlijke populaties. Met name Chetverikov benadrukte dat er in elke populatie een veel groter potentieel aan variaties in potentie aanwezig is, dan in werkelijkheid wordt waargenomen. Uitgebreid kruisingsonderzoek met Drosophila-stammen bevestigden deze veronderstelling.
Het opgesomde feiten- en kennismateriaal is door de auteurs gebruikt om de zoektocht naar de oorsprong van het leven te beschrijven. Een zoektocht die nog niet ten einde is, gezien de ontwikkelingen die zich na 1950 hebben voorgedaan.
Wie zich verder in 'de wetenschap van het leven' wil verdiepen vindt in dit boek een keur aan wetenschappelijke
informatie. De 'bibliografische noot' die achter elk hoofdstuk is toegevoegd maakt ook relevante andere literatuur op het gebied van biologiegeschiedenis toegankelijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's