Uit de pers
Beroepingswerk
Vanaf 1 januari 1997 kennen we in onze kerk een werkgroep 'Begeleiding predikanten en beroepingswerk'. Deze werkgroep heeft te maken met drie werkterreinen die tot voor kort afzonderlijk bestonden. Daar is allereerst het landelijk maatschappelijk werk voor predikanten (wordt waargenomen door L. Enklaar, verbonden aan de Generale Diakonale Raad). Verder is er het mentoraat en de werkgroepbegeleiding voor predikanten (ds. H. J. Oortgiesen heeft hier de leiding). En tenslotte is er de begeleiding van het beroepingswerk onder de kerkenraden (ds. A. J. Bijl reeds negen jaar secretaris van de commissie voor het beroepingswerk draagt hier de verantwoordelijkheid). Dat geeft enige verandering, vooral wat betreft de commissie voor het beroepingswerk. Deze bestaat sinds 1 januari jl. niet meer. In het Hervormd Weekblad van 9 januari 1997 geeft ds. R. Holwerda (Bennebroek) daar zijn commentaar bij. Meer dan acht jaar maakte hij deel uit van deze commissie die sinds 1956 functioneerde.
'Inmiddels schrijf ik, zoals u merkt, over deze vergaderingen in de verleden tijd. Met ingang van 1 januari 1997 gaat zich met de advisering van een gemeente bezig houden... één functionaris. Deze gaat met een collega, die het mentoraat en de werkbegeleiding van predikanten ondersteunt en een functionaris voor het landelijk maatschappelijk werk der Ned. Herv. Kerk een werkgroep vormen met de naam Begeleiding Predikanten en Beroepingswerk. Vorige maand hebben de kerkenraden en predikanten een schrijven en een folder ontvangen waarin deze nieuwe vorm op de leest is gezet. Achterop de folder kunnen we lezen dat nu "directer en sneller gereageerd kan worden op signalen, zowel van ambtelijke vergaderingen als van predikanten en andere ambtsdragers en kandidaten tot de Heilige Dienst". Genoemd drietal functionarissen heeft een aantal leden der kerk als klankbord achter zich om het werk van tijd tot tijd te bespreken. De reden dat deze mensen er zijn is gelegen in het feit dat de kerkordelijk ingestelde commissie voor het beroepingswerk niet zonder meer kan worden afgeschaft. Maar het zal duidelijk zijn dat de verantwoordelijkheid voor de advisering niet meer zal liggen bij een vergadering maar bij één functionaris, nl. die voor het beroepingswerk. Deze dient het hele veld te overzien, uit zijn pen komen de adviezen aan kerkenraden; achteraf zal hij kunnen vertellen waarom hij gehandeld heeft zoals hij deed.
Als ik in de afgelopen tijd ergens opmerkte dat de commissie in haar samenstelling en werkwijze door de synode is afgeschaft, werd met op verbaasde toon gevraagd: "waarom? " Want in haar veertigjarig bestaan heeft deze commissie veel krediet opgebouwd in het land. Dat kan niet van alle commissies in de kerk worden gezegd. Dat kan ook niet van alle raden in de kerk worden gezegd. De reden in de verandering schijnt het idee te zijn dat op dit werk (verricht op financiële basis van reiskostenvergoeding) bezuinigd moet worden. Het schijnt nu goedkoper te kunnen met een fulltime functionaris. U merkt dat ik zo mijn twijfels heb. Die heb ik eertijds ter synode ook uitgesproken. Ik herinner mij nog heel goed dat het toenmalige moderamen op geïrriteerde toon reageerde op mijn amendement waarin het voortbestaan van deze commissie werd gevraagd. Daarna kon ik toentertijd (1992) net niet de helft van de leden der synode overtuigen. Op zichzelf was dat al een hele score in een vergadering waarin vaak geldt: moderamen locuta causa finita.
De belangrijkste reden van mijn onbehagen is echter gelegen in het feit dat in de toekomst niet meer een vergadering in onderling overleg tot advisering overgaat maar dat één persoon dat gaat doen. Nu is voor dit werk een voortreffelijke functionaris benoemd. Ds. A. J. Bijl - reeds negen jaar secretaris van de commissie voor het beroepingswerk - blijft als zodanig werkzaam en is tevens coördinator van de nieuwe werkgroep. Uit ervaring weet ik met hoeveel kennis van zaken en personen en wijsheid hij altijd bezig is. Geen twijfel dus over ds. Bijl. Wel twijfel over de nieuwe structuur. Want ds. Bijl zal ook eens opgevolgd moeten worden. Een ding is duidelijk. De functionaris rukt verder op in de kerk. Collega Bijl heeft niet zoveel last van het "kerkleidersyndroom", een ziekte van protestanten, die graag bisschop willen spelen en zich zo gedragen als ze kunnen, vaak zonder enige behoefte te kennen om ambtsdrager te zijn. Onze kerk kent geen kerkleiders. Wel ambtsdragers, die vergaderen en zo leiding geven. Op deze wijze, presbyteriaal/synodaal zijn we kerk; verbonden met elkaar en luisterend naar elkaar.'
De kritische kanttekening van ds. Holwerda bij deze ingrijpende verandering heeft te maken met de volgens hem voortschrijdende bureaucratisering in het kerkelijk leven. De functionaris rukt verder op. Het zal de afstand tussen plaatselijke gemeenten en de top van de kerk alleen maar vergroten, is zijn vrees. Het mag niet zo zijn dat de ontwikkeling dat een plaatselijke gemeente al minder boodschap heeft aan de landelijke kerk gestimuleerd wordt. Er zal hier veel afhangen van de manier waarop de functionaris zijn taak vervult.
Predikantschap
We schreven al dat ds. H. J. Oortgiesen vanaf 1 januari fulltime predikant is geworden voor het werkterrein 'mentoraat en werkbegeleiding predikanten'. In het Nederlands Dagblad van 20 januari stond een gesprek te lezen met ds. Oortgiesen. Boven het interview van Koos van Noppen met hem staat 'Predikantschap is een totalitair beroep'. Vijf tot tien procent van de 1600 predikanten in de Hervormde Kerk functioneert niet zoals het eigenlijk zou moeten. Dat heeft allerlei oorzaken: ongeschikt tot het ambt, conflicten met de kerkenraad of een gespannen verhouding met collega's. Meestal hebben de problemen te maken met een gebrek aan communicatieve en sociale vaardigheden. Wie problemen heeft als predikant kan een beroep doen op ds. Oortgiesen. Er wordt hem in het gesprek gevraagd naar een 'top-5' van de problemen die het meest voorkomen en het antwoord daarop citeren we hier.
'In volgorde van belangrijkheid: "In de meeste gevallen gaat het om conflicten met de kerkenraad en/of gemeente. Vaak zijn ze terug te voeren op verkeerde of onuitgesproken verwachtingspatronen". Oortgiesen pleit ervoor in de beroepingsfase een "contract" op te stellen tussen de predikant en de kerkenraad én om die afspraken duidelijk bekend te maken aan de gemeente. "Want hoe gaat dat in het beroepingswerk? Men vindt elkaar op een aardige preek, een vlotte babbel, een gezellige kennismakingsbijeenkomst. Maar komen de sterke en zwakke punten, de motieven, de theologische opvattingen ook voldoende aan bod? Worden praktische en conrete afspraken gemaakt? Bijvoorbeeld: Stel dat een predikant met de kerkenraad overeenkomt dat hij na zijn komst geen kennismakingsbezoeken zal afleggen, dan moet je dat ook tegen gemeenteleden zeggen; anders ligt daar de eerste bron van conflict."
Nummer twee op de top-5 van problemen is een onverwachte: gebrekkige samenwerking tussen predikanten. Oortgiesen: "Het klinkt paradoxaal: het predikantschap is een sociaal beroep, maar predikanten zijn vaak solisten. Een predikant is de enige professional in een vrijwilligersorganisatie. De jaloezie en achterdocht onder collega's is erg groot; destijds - in 1985 - was dat zelfs een van de redenen om in de Hervormde Kerk het mentoraat voor predikanten in te stellen.
Goede collegiale verhoudingen zijn nogal eens ver te zoeken; de afgunst overheerst. Daar word ik niet vrolijk van. De boodschap staat dan haaks op de praktijk".
Ook de classis of "ring" functioneert lang niet altijd als inspirerende geestelijke werkgemeenschap, signaleert Oortgiesen, allerlei exegesegroepen ten spijt. "Als je in de kring van collega's zegt de "'de catechisatie voor negen meter lukt'", ga je af. Het is hooguit "'biljarten via de band'": Je bespreekt het wérk, niet hoe je er zelf onder bent. Onderling pastoraat is spaarzaam."
Derde op het lijstje van Oortgiesen is het niet goed kunnen organiseren en structureren van het werk. "Dat wordt gemakkelijk vereenzelvigd met '"de zwaarte van het ambt'". Ik vind dat je je daar niet achter mag verschuilen. Je moet de zaken professioneel aanpakken. Het ambt wordt soms zo vergeestelijkt, dat ieder beroep op professionaliteit een vloek is. We leven in een vluchtige tijd. Wil je effectief werken, dan zul je je taken ook efficiënt moeten aanpakken. Bijvoorbeeld door taken te verdelen binnen de kerkenraad en het inschakelen van actieve vutters."
38-urige werkweek?
Daarmee komt het vierde probleemveld in zicht: slechte agendaplanning, die ertoe leidt dat een werkweek vrijwel altijd buiten zijn oevers treedt.
"Het predikantschap is een totalitair beroep. Je bént het, zeven dagen per week, 24 uur per dag. Een dominee moet altijd beschikbaar zijn, hoor je weleens. Maar als je zo redeneert, is de dominee over een tijd voor niemand meer beschikbaar." Maar zou het kunnen, in 38 uur, inclusief ATV-dagen? Oortgiesen: "Ik denk het niet, maar je moet ernaar streven dat 50-60 uur geen gewoonte wordt. Een wekelijkse vrije dag is een must, om nieuw elan op te doen en om het vol te houden. De predikant en de kerkenraad moeten erop toezien dat daar strak de hand aan wordt gehouden".
Als laatste punt op het lijstje staat "persoonlijke vragen van de predikant rond identiteit", vragen die samenhangen met de veranderende positie van de predikant in de samenleving. "Wat doe ik er eigenlijk toe? " Ook de '"rol"' van de voorganger in de gemeente kan aanleiding zijn voor zo'n identiteitscrisis: "Is hij herder, leraar, vormings-en toerustingswerker, of meer '"wachter op Sions muren'", die het grote geheel overziet? "
Zo ongeveer het ergste wat een predikant kan overkomen, is dat hij "13.30 aan zijn broek krijgt", een eufemisme dat verwijst naar het artikel in de hervormde Kerkorde, op grond waarvan een dominee "ongeschikt ter plaatse" kan worden verklaard. Meestal komt hij dan ook niet meer in een andere gemeente aan de slag; het enige perspectief dat dan nog rest, is omscholing of de bijstand. Zover komt het zelden. "Meestal suddert het voort", zegt Oortgiesen.'
Terecht wijst ds. Oortgiesen erop dat er juist op het gebied van de genoemde communicatieve en sociale vaardigheden in onze tijd veel van een predikant wordt gevraagd. Het aanzien van het ambt is sterk afgenomen en de mondigheid van gemeenteleden is sterk toegenomen. 'Die twee ontwikkelingen vergen dat je als predikant vandaag de dag wel tegen een stootje moet kunnen om staande te blijven. Je moet ruggegraat hebben, keuzes kunnen maken en positie durven innemen zonder daarbij de mensen uit het oog te verliezen.
Dat vereist communicatieve souplesse', aldus ds. Oortgiesen in het Nederlands Dagblad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's