Feiten of symbolen aangaande de schepping
Schepping - de wereld als voorspel voor de eeuwigheid
Vorig Jaar verscheen van de hand van prof. dr. A. van de Beek, hervormd kerkelijk hoogleraar te Leiden, een lijvig boek, getiteld 'Schepping - de wereld als voorspel voor de eeuwigheid' (uitgave Callenbach, Baarn). Op maandag 27 januari 11. werd op het hervormd centrum Hydepark te Driebergen een studiedag belegd over dit boek. Nadat de inhoud van het boek was weergegeven door mevr. K. E. Biezeveld, werd eerst commentaar op het boek gegeven door prof. dr. M, E. Brinkman (Leuven) en daarna door ondergetekende. Prof. Van de Beek ging vervolgens zelf op deze commentaren in. In de middagbijeenkomst werd door de deelnemers (ongeveer 50) verder gediscussieerd. Bijgaand is de tekst van de kritiek van ondergetekende opgenomen. In Wapenveld, het reunistenorgaan van de studentenvereniging CSFR, ben ik breedvoerig ingegaan op het boek van Van de Beek (46e jaargang, nr. 5). In het korte bestek van deze inleiding beperk ik me daarom tot twee hoofdmomenten in het boek, te weten het 'symbolisch universum' en de kwestie van 'zonde en schuld'.
Waardering
Kennisname van het lijvige boek van Van de Beek brengt mij allereerst tot grote waardering en bewondering. Van de Beek heeft als bioloog en theoloog een te waarderen poging gedaan om eenheid aan te brengen in zijn natuurwetenschappelijk denken en zijn theologisch denken. Beide wetenschappers zijn in zijn boek aanwezig. En dat geeft aan dit boek een bijzondere charme, al maak ik er direct de kanttekening bij dat, wat de natuurwetenschap betreft, het vooral de bioloog is die eruit springt. Dit laatste heeft z'n bizondere bekoring omdat de bioloog meestal meer oog heeft voor de natuur dan bijvoorbeeld de fysicus.
Van enige verabsolutering van de natuurwetenschap is bij Van de Beek geen sprake. Dat kan natuurlijk bij een theoloog ook niet. De werkelijkheid, zoals die in de natuurwetenschap wordt onderzocht, is immers gereduceerde werkelijkheid. Van de Beek vertelt dat zijn zoon, samen met een Roemeense vriend, in de natuur een vogel waarnam. 'Die is mooi', zei de zoon. 'Die kun je eten', zei de vriend. Het is dus niet om liet even hoe men kennis neemt van de werkelijkheid. Dat deed me denken aan het prachtige boek van prof. dr. J. H. van den Berg Metabletica, waarin hij komt te spreken over een rode tulp. 'Waarom is die tulp rood? ' vraagt iemand. De bioloog en de scheikundige schrijven dat toe aan een bepaalde stof, die geanalyseerd kan worden en die verantwoordelijk is voor de kleur rood. Maar waarom dan rood? Dat heeft, zegt de fysicus, te maken met de wisselwerking tussen de atomen en het witte licht, zodat het rode licht wordt doorgelaten of gereflecteerd. Maar waarom dan rood? Wel, dat is mooi, zegt Van den Berg tenslotte. Hier treedt men dan buiten wetenschappelijke kaders. Categorieën als mooi en lelijk, harmonieus of vals, goed of slecht zijn nu eenmaal niet wetenschappelijk te determineren. Er is meer tussen hemel en aarde dan wat de wetenschap verklaren kan. Dat geldt in feite de schepping zelf. J. C. Dippel zei: 'De schepping valt alleen te geloven, (slechts) de weldaden van de schepping liggen om ons heen.'
Symbolisch universum
'Een scheppingsleer is spreken over onze ervaringswereld in relatie met het geloof in God', zegt Van de Beek. Met deze typering is de trend van het boek van Van de Beek gezet. Men lette op het woord 'ervaring'. Het gaat vooral om het ervaren van de schepping. De manier, waaróp mensen ervaren, wordt echter bepaald door wat Van de Beek noemt, en wat als een rode draad door zijn boek loopt: hun 'symbolisch universum'. Dit symbolisch universum omschrijft hij als: 'het geheel van voorstellingen, ervaringen, structuren die het beeld van de werkelijkheid vormen', waardoor de mens 'ervaren kan en waardoor hij zich uitdrukken kan'. Deze belevingswereld wordt vooral gevormd door de cultuur en de traditie, waarin mensen opgroeien, door de woorden die ze opvangen en door de verhalen, die hun worden verteld. Daaraan ontleent de mens zijn voorstellingsvermogen. Daarin heeft ook de Bijbel een plaats. De Bijbel, zegt Van de Beek, en de daaruit voortkomende vertellingen vormen het uitwendig getuigenis. Die kunnen uitwendig blijven, zonder ons leven te raken. De Heilige Geest echter getuigt inwendig. Van de Beek spreekt in dit verband dan ook van 'unieke ervaringen, ontmoetingen, relaties, waarmee de verklarende wetenschap niets kan doen'. Ook hier ligt de nadruk op ervaring.
Theologie is dan voor Van de Beek een wetenschap, die zich bezig houdt met symbolen, 'waarin we God hebben vernomen en waardoor we dit vernemen als God kunnen uitdrukken'.
De natuurwetenschapper echter heeft geen toegang tot de volle werkelijkheid: 'De fysicus houdt zich bezig met de werkelijkheid voorzover die fysisch van aard is, de chemicus doet hetzelfde voor zover de werkelijkheid chemisch van aard is'.
Vanwege het reductionistisch ofwel beperkende karakter van de wetenschap kan God daarin per definitie niet ter sprake komen. Dat is juist. In mijn studententijd hoorde ik als beginnend student een dominee in een preek zeggen: 'gemeente, de wetenschap aanvaardt het wonder niet'. Op dat moment was het voor mij de bevrijdende existentiële ervaring, dat er een an dere werkelijkheid is dan die de natuurwetenschap op het spoor komt. Gelukkig maar, leerde ik later. Stel dat de wetenschap methodisch God en Zijn daden. Zijn wonderdaden ook, ter sprake zou (kunnen) brengen.
Van de Beek spreekt dan over drie niveaus als het over de werkelijkheid gaat: de onkenbare werkelijkheid, de ervaren werkelijkheid en 'de wetenschappelijke reflectie waarin we zoeken naar aard en samenhang van deze symbolen.'
Het hart van het boek van Van de Beek vormt echter de ervaring, ervaring die door bijbelse of wetenschappelijke symbolen wordt opgeroepen. En dan gaat het om één geschapen werkelijkheid. Ik noem deze tot het eind volgehouden conceptie knap en ook aansprekend. En toch moet en wil ik hier ook mijn fundamentele kritiek inzetten. Van de Beek spreekt namelijk niet over geopenbaarde werkelijkheid.
Direct hiermee verbonden stel ik daarom de vraag of men de geschapen werkelijkheid zélf niet reduceert door louter over symbolen te spreken. Kort gezegd: hoe zit het dan met de feiten, met de feiten in de natuur en de feiten in de Schrift?
Feiten
Ik begin bij de natuurwetenschap. Ik beaam, dat natuurwetenschappelijk bezig zijn een reductie is. Het gaat daarin slechts om te meten en te onderzoeken deel-aspecten van de werkelijkheid. Maar intussen is ze wel gebaseerd op feiten. Uren zijn als tijdsspanne altijd even lang, al kunnen in de ervaring minuten uren en uren minuten duren. En feiten zijn in de echte natuurwetenschap, die haar grenzen eerbiedigt en niet verlegt naar natuurfilosofie, gebaseerd op experimenten (proefnemingen). Het experiment is de enige wettige basis voor de natuurwetenschap en bepaalt als zodanig ook haar grenzen. Dat is het uitgangspunt geweest voor alle natuurwetenschappers van de zestiende eeuw. Daarom zelfs kon natuurwetenschap in het christelijke westen opbloeien. Daarmee is niet alles verklaard, want ook de wetmatigheden, die in de kosmos worden ontdekt, zijn niets minder dan scheppingswonderen. In feite verklaart de wetenschap niets. Theorieën zijn slechts modellen. Die vragen om experimentele toetsing. Maar wat dan door het experiment bevestigd is, is wel méér dan model, méér ook dan symbool. Het mag een feit heten.
De feiten, die de wetenschap op het spoor komt, kunnen intussen onmogelijk in strijd zijn met de (als schepping) geopenbaarde werkelijkheid. De zestiende-eeuwse wetenschapper Galilei, die juist in zijn wetenschapsbeoefening met betrekking tot de loop van de aarde om de zon zo krachtdadig met de kerk in conflict kwam, zei, dat de werken van Gods mond (Zijn Woord) en de werken van Gods vinger (Zijn schepping) elkaar niet kunnen tegenspreken. 'Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt en door de Geest Zijns monds al hun heir' (Ps. 33 : 6). En daarom kan de Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen, dat er twee manieren zijn om God te kennen: De Schrift en het Boek der natuur, in déze volgorde. Ook Van de Beek sluit bij dit geloofsartikel aan, maar dan binnen het symbolisch universum. Ik houd het op een feitelijk universum, waarvan de wording ons is geopenbaard en waarvan de gevolgen voor de wetenschapper toegankelijk zijn en dan ook te ervaren zijn. Alle dingen zijn onder onze voeten gelegd, zegt Psalm 8. Ook de wetenschappelijke mens mag heersen over de werken van Gods handen.
Evolutie
Van de Beek plaatst zo ook de evolutietheorie binnen zijn symbolisch universum. Het is een model, waartegenover Van de Beek ook best het model van het creationisme wil stellen.
Ik betwist echter, dat het hier dan gaat om pure natuurwetenschap. Zowel het creationisme als de leer van de evolutie zijn speculatief, niet gebaseerd op experimenten.
Het heeft me overigens verbaasd, dat Van de Beek enerzijds prof. dr. A. van den Beukel omarmt in diens bestrijding van de grensoverschrijdende pretenties van de wetenschap en daarin niet meeneemt diens fundamentele bestrijding van de evolutietheorie. Deze - zegt Van den Beukel - draagt al lang geen keizerskleren meer draagt maar wordt nochtans in die kleren door velen toegejuicht. Wijlen prof. dr. R. Hooykaas - helaas de grote afwezige in het boek van Van de Beek - omschreef ooit de evolutietheorie als een onbeholpen poging om God uit de wereld weg te verklaren en typeerde deze als ideologisch drijfzand. Dat is meer dan een model of een symbool. Daarom kan ik het niet meemaken wanneer Van de Beek stelt dat Calvijn, had hij in onze tijd geleefd, de evolutietheorie zou hebben aanvaard vanwege zijn open houding tegenover de natuurwetenschap, de sterrenkunde met name. In zijn uitleg van Genesis 1 spreekt Calvijn enerzijds weliswaar over de historie van Gods scheppingswerken. Het is geen geschiedschrijving in de wetenschappelijke zin van het woord. God heeft - zegt Calvijn - Zich in de beschrijving ervan geschikt naar ons menselijk bevattingsvermogen. Maar intussen behandelt hij anderzijds minutieus de afzonderlijke scheppingsdagen en zo de afzonderlijke scheppingsdaden. De scheppingsgeschiedenis is voor Calvijn meer dan verhaal, meer dan symbool.
Van de Beek bekent, dat hij ondanks zijn orthodoxe achtergrond op de middelbare school al geen moeite had met de evolutietheorie. Laat mij daar dan tegenoverstellen dat ik, als leraar natuurkunde bij het middelbaar onderwijs, er mij altijd rekenschap van heb kunnen geven, dat geloof en wetenschap eikaars vijanden niet behoeven te zijn, mits de wetenschap zich aan haar grenzen houdt en mits er sprake is van eerlijke lezing van de Schrift, met name ook van Genesis 1.
Genesis 1 heeft echter bij Van de Beek vooral een plaats in de ethiek. Over de ethische consequenties van Genesis 1, het omgaan met de schepping, trekt hij mooie lijnen. Het begin van de schepping houdt hem minder bezig dan de doorgaande schepping in de geschiedenis en de ervaring van de geschapen werkelijkheid. Maar de openbaring aangaande het begin van de schepping legt het bij Van de Beek af tegen de ervaring. Hij exegetiseert Genesis 1 nergens.
Schuld
Hier kom ik dan tenslotte op mijn tweede fundamentele punt van kritiek. Die betreft de christologie. Van de Beek zegt prachtige dingen over de kosmische heerschappij van Christus. Naar Joh. 3 : 1 is Christus ook de Logos, het Woord van de schepping. Maar - en daar gaat in mijn optiek een wissel om ten opzichte van de gereformeerde theologie - de schepping is (al van meet af) schepping onder het kruis: De Schepper is de Gekruisigde'. Het zit met de wereld niet goed. De zonde heeft daar een thuis gevonden. Maar 'de goedheid van de schepping is de goedheid van het kruis'.
Het kwaad is dus al bij de schepping inbegrepen. Dat kan dunkt mij zo alleen gezegd worden wanneer het paradijs niet heeft bestaan. Voor Van de Beek is het paradijs inderdaad geen werkelijke plek geweest, zoals wordt beschreven in Genesis 2. Het is, zegt hij, 'ontleend aan eschatogisische visioenen uit Jesaja of het slot van de Openbaring van Johannes'. God is ook al in de schepping de God van het lijden en van het kruis.
Ik besef dat, wanneer ik hiertegenover stel, dat God zag al wat Hij gemaakt had en dat het zeer goed was (Gen. 1:31), hieraan door Van de Beek direct een christologische interpretatie wordt gegeven. Nu is het niet voor het eerst, dat de zonde al in de schepping wordt gelokaliseerd. Uit het feit dat in de beginne de aarde woest en ledig was is al vaker geconcludeerd, dat het kwaad al in de schepping zelf zat. Kan er dan echter - zo vraag ik - nog wel sprake zijn van schuld? Schuld wordt zo toch (vervangen door) lot?
Wanneer het kruis al deel uitmaakt van de goede schepping en het paradijs slechts in visioenen heeft 'bestaan', maakt dit kruis dan ook zelf niet deel uit van het symbolisch universum? Wordt schuld zo niet tot lot en is wat de Schrift zegt over verzoening dan ook niet slechts een model binnen het symbolisch universum? Van de Beek lijkt de verzoening ook inderdaad als zodanig te benoemen.
Ik moet het anders vragen: gaan de heilsfeiten dan zo ook niet op in symboliek? Die vraag gaat zelfs terug op de pure existentie, het loutere bestaan van Jezus Christus, ook al zegt Van de Beek met Gunning dat 'geloven, weten en handelen bij elkaar horen' en dat dat zichtbaar is geworden in die ene (concrete) mens, in Wie God tot ons komt: Jezus Christus. Wat betekent hier nog de feitelijke existentie van de historische Jezus?
Aanvankelijk meende ik bij Van de Beek een inconsequentie te ontwaren, die ik alleen maar heilzaam kon noemen. Hoewel hij enerzijds de zogeheten Utrechtse school 'rationaliteit' aanwrijft, stelt hij toch anderzijds ook zelf, dat Christus na de Opstanding vis at. Een feitelijker 'bewijs' van de Opstanding, liever van het feit dat Christus was opgestaan laat zich immers niet denken! Maar in feite mystificeert hij ook dit gebeuren. De gans andere werkelijkheid van de Opgestane 'metamorfoseert' (verandert) deze tot 'een verschijning in onze werkelijkheid'. Ook hier is het ervaring, 'mystieke verrukking' zelfs (p. 221). Hier is toch wel heel bepaald het fundament van het christelijk geloof in het geding.
Ik noemde al eerder prof. dr. R. Hooykaas. In zijn niet aflatende pleidooien om de grenzen van de wetenschap te bewaken, gaf hij altijd ook als voorbeeld, dat Thomas zijn vingers mocht leggen in de tekenen van de nagelen van de Opgestane. Zelfs zijn beproefde geloof in de opstanding werd experimenteel bevestigd.
De apostel Johannes zegt: Hetgeen van den beginne was - dat slaat niet op de schepping maar op Christus, God en mens - , hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben van het Woord des levens... dat verkondigen wij u'. (1 Joh. 1 : 1-3).
Wonder
Ik ga afsluiten. Als er meer is tussen hemel en aarde dan wat de wetenschap verklaren kan, waarom dan datgene wat God als feiten openbaart tot symbolen verklaren en met symbolen verklaren? Waarom niet het wonder als meerdimensionale werkelijkheid ingevoerd of theologisch hooggehouden? God is toch niet de gevangene van (de wetmatigheden in) Zijn eigen schepping?
Het hart kent zijn redenen, die de rede niet kent, beleed Pascal. Het wonder behoort tot een dimensie, waar de experimentele wetenschap geen toegang heeft. Ligt zo bezien het geloof in de schepping als Feitelijk gebeuren niet op hetzelfde vlak als het geloof in de Heilsfeiten?
De weldaden van de schepping liggen om ons heen. Maar het is wel een gebroken schepping, die ooit goed was.
Komt het - zo vraag ik tenslotte aan Van de Beek - in het eschaton eigenlijk nog wel goed, wanneer het kruis al tot de goede schepping behoort? Kan het eigenlijk nog wel goed komen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's