De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

HASSELT (2)

6 minuten leestijd

Enkele predikanten

In 1586 was de eerste predikant die zijn beroeping aannam ds. Th. Roothuis, ook wel Rothius genoemd. Hij was hiervoor al incidenteel in Hasselt aan het werk geweest. Hij had tot taak de nieuwe leer bekend te maken. Dat dit moeilijk was, blijkt uit het feit dat hij ruzie kreeg met de koster, die hem de sleutel van de kerk niet wilde afstaan. Verder diende hij ook veel aanwijzingen te geven. Hierbij was hij van regionale betekenis. Hij reisde bijvoorbeeld af naar Deventer om te vertellen hoe kinderen gedoopt moesten worden.

Vanaf 1598 stond te Hasselt ds. Joh. Bogerman, de vader van de voorzitter van de synode van Dordrecht (1618/1619) en van 1613-1619 ds. R Plancius, zoon van de bekende Plancius te Amsterdam en in de voetsporen van zijn vader fel gekant tegen Arminius.

De eerste reformatorische predikanten zullen zelf de vruchten van hun preken niet hebben kunnen zien. Maar hun woord kwam toch ver over de wereld. Daarbij valt te denken aan de in 1586 geboren Kiliaen van Rensselaer, die onder hun woord geweest is. Hij was de stichter van de first Dutch Reformed Church in Albany, de hoofdstad van de staat New York. Onder het gehoor van de eerste predikanten was ook de familie Lansing, waarvan nakomelingen o.a. stichters waren van the Dutch Reformed church 'de Boght' in de stad Colonic N.Y.

Vanaf 1616 had Hasselt steeds twee predikanten. Deze gaven uitvoering aan de regels gesteld door de synode van Dordrecht. Na de reformatie waren kerk en staat nauw aan elkaar verbonden. De predikanten gaven opdracht aan de regering van de stad om maatregelen te nemen tegen diverse volksvermaken zoals het ganzetrekken, het lopen met rommelpotten en het zingen bij de huizen (1620).

In 1659 werden de maatregelen nog strenger, bijvoorbeeld het dopen van paapse kinderen, heiliging van de sabbat, het tegengaan van het vloeken en zweren van de kinderen op straat en tegen het drinken op de groeven tijdens begrafenissen.

Van 1656-1677 stond te Hasselt ds. G. van Os. Deze predikant had erg veel schulden gemaakt en kon zijn schuldeisers niet meer voldoen. Daarom was hij niet erg tevreden met zijn traktement en hij vroeg om verhoging. De regering echter kende zijn schuldproblemen en weigerde hem tegemoet te komen. Hij sprak zich hierover uit vanaf de kansel met de tekst uit Dan. 3 : 19-23. Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid. De kerk zal ook wel schuldeiser van hem zijn geweest en kreeg uit zijn boedel een zilveren wijnbeker in bezit met het wapen van Van Os en die van zijn voorouders. Deze beker doet nu nog steeds dienst als avondmaalsbeker.

Twee predikanten in één gemeente, dat ging niet altijd goed. Vooral als de predikanten voorstanders waren van verschillende stromingen. Zo was er ds. H. L. Noortbergh, een Voetiaan, die te maken kreeg met predikanten met een veel ruimere denkwijze. Dit is een jarenlang slepend conflict geworden tussen een man die zich precies aan de bijbel wenste te houden en predikanten die preekten met allerlei Griekse mythologische spitsvondigheden.

Het conflict ging zover, dat de kerkboeken op het stadhuis moesten worden ingeleverd en ds. Noortberg uit zijn ambt werd gezet. Uit zijn nalatenschap wordt ons duidelijk dat een vertrekkend predikant eerder ter gedachtenis aan de kerk een zilveren Stephanuspenning kreeg. De predikanten hadden het wat hun predikbeurten in de kerk betreft, toen moeilijker dan tegenwoordig.

Behalve op zondag werd ook nog gepreekt op woensdag en dat diende 's avonds bij kaarslicht te gebeuren. Dan waren er behalve de dopen, huwelijken en begrafenissen de bijzondere bede- en dankdagen. Met name de betrokkenheid bij het Huis van Oranje was zeer groot. Zo waren er de dankdagen bij de geboorten of huwelijken van Oranjes en de rouwdiensten bij overlijden, maar ook bijvoorbeeld een dankzegging op 25 april 1763 voor het herstel van de kinderziekte van de erfstadhouder. De betrokkenheid blijkt nog eens overduidelijk tijdens de Franse overheersing, toen op 14 januari 1800 een klacht werd geuit dat de predikanten openlijk met mantel en bef verschenen.

Contacten met andere gemeenten

Men leefde in de kerk met andere gemeenten mee. Omstreeks 1617 werden in de kerk inzamelingen gehouden voor vluchtelingen uit de Palts. Zij werden ook opgevangen en in huizen te Hasselt ondergebracht. Op 18 augustus 1730 was er een collecte voor Markelo, waar kerk, school en 20 huizen afgebrand waren.

Eerder had Hasselt zelf een kleine ramp meegemaakt, toen de bliksem insloeg in de kerktoren. Op twee klokken na ging het prachtige carillon van Frangois Hemony verloren. Ook een gedeelte van het gewelf bij de toren stortte in. Door de bevolking werd hierin Gods straffende hand gezien. Er was veel geld nodig voor het herstel. Er moest een noodkerk worden ingericht in het oude gasthuis in de Hoogstraat. Het hout voor de nieuwe torenspits werd aangevoerd uit Zaandam en er kwam geld binnen vanuit Amsterdam, waar in 1726 in de kerk een collecte voor Hasselt was gehouden.

De gemeente werd kleiner

In 1792 was de afscheiding van kerk en staat afgekondigd in Hasselt. Dit gaf vrijheid van godsdienst. De lutherse, joodse en rooms-katholieke gemeenten wensten geen gebruik te maken van het kerkgebouw. Na de Franse tijd werd de gemeente een staatskerk, zoals velen wel weten: de Nederlandse Hervormde Kerk. Dit gaf landelijk aanleiding tot afscheidingen en ook in Hasselt vond dit zijn weerslag. Zo ontstonden er in Hasselt in de 19e eeuw de groepen: de 'Gereformeerde Gemeente onder het Kruis' en een groep die zich 'Christelijk Afgescheidenen' noemden. In de 20e eeuw kwam de meest recente verandering in de gemeente en ontstond de hervormde deelgemeente 'De Baak'.

Inwendige verbouwing

De laatste grote restauratie van de kerk was van 1963 tot 1968. In de Franse tijd was het kerkinterieur grondig gewijzigd. De kerkvloer werd gelijk gemaakt, waarbij de grafzerken voor het grootste deel verloren gingen. In 1825 is de vloer nog een keer door een overstroming verzakt. De banken in de kerk werden verplaatst, maar de meest ingrijpende verandering was de plaatsing van het in 1802 gebouwde orgel van Rudolf Knol uit Norden (Oost-Friesland). De kas en het snijwerk werden gemaakt door stadstimmerman J. Bode. Op het orgel staan beelden, gemaakt door Lorenzo Grisentie, beeldhouwer te Amsterdam. Zij stellen voor David, geknield met een harp en Geloof, Hoop en Liefde. De eerste organist op dit orgel was Henricus Schenkel, een schoolmeester uit Zuidveen. Hij werd op 10 mei 1803 aangesteld en kreeg als hoofdbetrekking de post van Nederduits schoolmeester

De toren kreeg in 1949 nieuwe luidklokken en daarna een nieuw carillon. De kerkganger op zondag zal er niet vaak bij stilstaan, dat boven zijn hoofd vaak de klok luidt met het opschrift: 'God zij geprezen. Wij zijn herrezen. Hoort onze galmen. Zingt Gode psalmen. Komt zo 't behoort. Tot Gods Woord.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's