Verlangen naar een levende kerk
Twee weken geleden gaf ik in mijn hoofdartikel brede aandacht aan de statistische nieuwsbrief inzake het ledenbestand van de Hervormde Kerk. Daarop kwamen buitengewoon veel reacties, hetgeen mede te danken was aan het feit, dat verschillende media ingingen op de geboden cijfers en het commentaar daarop. Mensen toonden zich vaak diep geschokt. Dat had niet alleen te maken met de cijfers op zich - een teruggang van elf procent hervormden in vijf jaar - maar niet minder ook met geruststellende reacties op de verontrustende cijfers, die hier en daar te vernemen waren. Reden genoeg om er hier nog een keer op terug te komen.
Kleine kerk
De Hervormde Kerk wordt meer en meer een kleine kerk, was mijn commentaar. Gezien de grote rand van niet-meelevenden (ongeveer twee derde deel!) en de afnemende uitstraling van de kerk naar die rand toe, noemde ik de kerk ziek. Dit laatste leverde allereerst al de vraag op of dit verschijnsel nieuw is. Het antwoord daarop kan nee zijn. Het verschijnsel van een niet-meelevend deel is er al zolang de Hervormde Kerk, als volkskerk, bestaat. Dok in de bloeitijd van de kerk van de Reformatie in dit land was overigens nooit meer dan tien procent van ons volk echt gereformeerd, zeggen geschiedkundigen. En in de vorige eeuw sprak dr. Ph. J. Hoedemaker al over een kerk, die met name vanwege haar gestalte in belijdend opzicht, ziek was, waarbij hij tegenover dr. Abraham Kuyper als these had 'samen ziek, samen gezond'. De kerk moet van binnenuit genezen.
Dat er vandaag nog steeds zo'n brede rand is, is niet nieuw. Het mag echter toch geen teken van gezondheid heten! In elke generatie vindt een geruisloze overgang plaats van meelevenden, tot en met mensen, die ooit belijdenis van het geloof aflegden, naar de grote groep van niet-meelevenden. En vanuit die groep vindt weer een geruisloze afvloeiing plaats naar de buitenkerkelijkheid: mensen verbreken elke band, die ze nog met de kerk hebben.
Het aangrijpende is intussen, dat de kerk juist ook in haar meelevende kern kleiner wordt en als gehéél toch niet betrokkener op het belijden der Kerk. In steeds meer gemeenten en streken moet van een restgemeente worden gesproken. De grote aantallen kerkgangers in de grote steden zijn in enkele tientallen jaren tijds van duizenden teruggebracht tot enkele honderdtallen of zelfs tientallen.
Trouw
Maar juist een kleine kern of een kleine kerk kan toch grote innerlijke kracht hebben? Die vraag kon men de afgelopen weken telkens horen. Dat zal waar zijn. We willen hier ook bepaald niet over het hoofd zien, dat er vandaag ook juist restgemeenten zijn, die ondanks hun kleine kracht een open deur hebben, gemeenten die zelfs een nieuwe aantrekking hebben op jongeren. Als zodanig geldt het profetenwoord dat er nog (weer) goede dingen in Juda zijn. (2 Kron. 12 : 12) Een kleine kerk, een kleine kern kan zelfs levend(ig)er zijn en meer een gemeenschap vormen dan een groot lichaam met 'veel volks' en weinig samenhang. Juist daar kan soms van grote trouw gesproken worden. In een stenen tijdperk van secularisatie kan daar soms de warmte van de gemeenschap diep worden beleefd. .
Belangrijker is, dat de Geest zich niet bindt aan aantallen. Waar twee of drie in de Naam des Heeren aanwezig zijn, wil de Geest in het midden zijn. Wanneer echter een kerk haar ledental ziet inkrimpen moet van de nood niet een deugd worden gemaakt door opeens de kleine kerk in haar klein zijn op zich te gaan opwaarderen. Zeker niet als in die kleine kerk van geestelijk opleven, van een nieuw ontwaken géén sprake is.
Passie
Het meest schokkende in de afgelopen weken was, naar mijn waarneming, de vergoelijkende wijze, waarop op de verontrustende cijfers werden verklaard of weggeredeneerd. Velen lijken er warm noch koud meer van te worden. Het hoort bij het tijdsbeeld. De kerk moet, als ware het een bedrijf, alleen maar in zakelijk opzicht de bakens verzetten.
Maar vooral kon men weer het geluid horen, dat kerkgang op zich niet beslissend is; en zelfs, dat mensen ook buiten de kerk in Christus kunnen geloven. In één grote armzwaai worden dan al diegenen, die zich in de niet-meelevende rand van de kerk ophouden of zelfs ook zich daarbuiten bevinden, meegenomen in de kring van Christus-gelovigen. Of mensen zichzelf als zodanig zien is niet belangrijk. De Naam van Christus behoeft kennelijk niet op de lippen of in het hart te zijn om hen toch te rekenen tot de gelovigen. In allerlei varianten klonk het weer: anonieme kerk, Christus in de verborgenheid.
In een NOVA-gesprek tussen dr. K. Blei en ondergetekende werd door dr. Blei met zoveel woorden gezegd, dat de cijfers van de kerkelijke neergang en de afnemende kerkelijke meelévendheid niet zorgwekkend behoeven te zijn. Blei onderscheidde tussen traditioneel geloof, dat het van de kerkgang moet hebben en een ander deel van de kerk, waar het geloof zich op andere wijze manifesteert. Op welke wijze, liet hij rusten.
Deze zienswijze heeft mensen diep beroerd. Gaat het dan echt niet meer om een levende kerk? Of is het nu echt in overeenstemming met de dagelijkse ervaring, dat buiten dat deel van de gemeenten, dat zich 's zondags onder de prediking begeeft, een levende kerk aanwezig is? De vraag is dan uiteraard wel wat een levende kerk is. De Nederlandse Geloofs Belijdenis spreekt over een 'heilige vergadering van ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest' (art. 27). En daarom zegt dezelfde belijdenis toch, dat er buiten de kerk geen zaligheid is? Het heil in Christus is zalig-makend, heilbrengend voor mensen. Buiten Jezus is geen leven. En daarom heeft de in en uit Christus levende kerk toch de passie om - evenals Christus zelf - het verlorene te zoeken, de afgedwaalden terug en terecht te brengen? ! Waar de Heilige Geest bij mensen in-woning maakt ontstaat toch de bewogenheid om diegenen, die ten dode wankelen? !
Is er nog die passie? Bij velen kennelijk niet meer, hetzij doordat men in een kerkbuiten-de-kerk gelooft, hetzij óók - dat is de keerzijde - doordat men het Evangelie in een zweetdoek bewaart.
Ziek
Er is van allerlei kanten gevraagd of wel gezegd mag worden, zoals ondergetekende in het genoemde artikel deed, dat de kerk ziek is. Gewezen werd op allerlei activiteiten, op de opgang die de 'bijbel' van dominee Nico ter Linden maakt, op de voortgang (zelfs) van het Samen op Weg proces. Gewezen werd vooral op symptomen van leven buiten de (meelevende) kerk. Zou het echter niet het ernstigste symptoom van de ón-gezonde gestalte van de kerk zijn, dat het besef ontbreekt dat de kerk ziek is? 'Vrede, vrede en geen gevaar!'
Wat moet de wereld er intussen van denken als leidinggevenden in de kerk zelf zeggen, dat kerkelijke meelevendheid niet nodig is? Gaat het dan in de verkondiging van de kerk kennelijk niet meer om zaken van levensbelang?
Wat moet de wereld ervan denken als de kerk een zo grote rand van niet-meelevenden telt, die niet meer worden bereikt, en waarvan het zelfs niet nodig wordt geacht om dezulken onder de verkondiging van het Evangelie te brengen; of men hen zelfs bij de gelovigen rekent zonder dat ze daarvan (willen) weten?
Het ontbrak de laatste weken warempel niet aan stemmen uit allerlei hoeken van de kerk, en daarbuiten!, die zeiden, dat een kerk, die niet meer de passie kent om het Evangelie van Christus bij mensen aan het hart te brengen zó ziek is, dat ze ten dode opgeschreven lijkt te zijn. Tenzij er hartgrondige bekering komt.
Een kleine kerk kan ook (nog steeds) een ingedommelde kerk zijn, een christendommelijke kerk, die de wekroep nodig heeft 'ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten' (Ef. 5 : 14).
'Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig' (1 Kor. 9 : 16), zei Paulus. Wee de kerk, die niet meer de passie heeft om alle mensen de bekering tot God te prediken. Hij heeft immers een dag gesteld, waarop Hij de aarde rechtvaardig oordelen zal door een Man, die Hij daartoe heeft aangesteld! (Hand. 17 : 31).
Verlangen
Hierboven herinnerde ik aan de uitspraak van de Nederlandse Geloofs Belijdenis, dat er geen kerk buiten de kerk is. Men kan deze belijdenis niet louter op de onzichtbare kerk betrekken. In de hele context van deze belijdenis gaat het over de zichtbare kerk met haar kentekenen, terwijl met zoveel woorden wordt gesteld, dat 'allen schuldig zijn zich daarbij te voegen en daarmee te verenigen'. Het is zeker verre van deze belijdenis om een nietmeelevende of buitenkerkelijke rand tot levende kerk te bestempelen. De levende kerk buigt immers de hals 'onder het juk van Jezus Christus' (art. 28).
Zou het evenwel niet kunnen zijn, dat in onze dagen mensen de weg naar de zichtbare kerk niet (meer) kunnen vinden, omdat de kerk geen passie meer vertoont met betrekking tot het Evangelie? Omdat mensen er geen boodschap van waarachtig heil meer vinden, of omdat ze vanwege de verwarring op het kerkelijk erf door de kerkelijke bomen het bos van het Evangelie niet meer zien?
Onze tijd wordt gekenmerkt door een veelheid van statistisch cijfermateriaal. Recent onderzoek inzake religiositeit bracht aan het licht, dat er in ons land ongeveer drie miljoen 'zoekers' zijn. Dat zullen zeker niet allen zoekers van het Evangelie zijn. Maar niet uitgesloten moet worden, dat er ónder die drie miljoen zich wel zulke zoekers bevinden. Velen weten echter niet meer waar ze het, of liever waar ze de levende kerk zóéken moeten. Als zodanig zou er vandaag wel eens een zoekende kerk buiten de kerk kunnen zijn: mensen die zoeken, maar geen kerk vinden, die nog passie heeft aangaande de enige Naam tot zaligheid gegeven en waar hun zoeken richting ontvangt. Maar dat is iets anders dan tot levende kerk bestempelen een deel van de kerk, dat in feite al is afgestorven.
Onderzoek
De cijfers uit de hervormde statistische nieuwsbrief waren onthullend. De discussies, die eruit voortkwamen, niet minder. Toen die cijfers net openbaar waren gekomen vergaderde de triosynode. In drie dagen tijd bracht men duizend stemmen uit via een stemmachine. Daarover zou op zich veel te zeggen zijn. De anti-climax was echter, dat aan het einde van de zitting, de synode voor zichzelf applaudisseerde. Men had de klus immers geklaard. En dan te weten, dat de kerk het volk niet meer bereikt. Wordt applaudisseren voor jezelf zo niet schallend koper?
'Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menig maal heb ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, zoals een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert? ', zei Jezus (luk. 13 : 34), 'en gij hebt niet gewild'! En Hij weende over Jeruzalem (Luk. 19 : 41).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's