Uit de pers
Godsdienst en literatuur
De theologische radioleergang Rondom het Woord, een wekelijkse NCRV-radiorubriek gaf een aantal weken in de laatste helft van 1996 aandacht aan het thema 'Godsdienst en literatuur'. Acht schrijvers vertellen over de rol van God en godsdienst in hun literaire werk. De CPNB koos voor de Boekenweek 1997 het thema 'Mijn God'. Men wil daarmee aandacht vestigen op het religieuze gevoel in de letteren. In dat verband kan het interessant zijn uit het bulletin van 'Rondom het Woord' één schrijver aan het woord te laten die reageerde op de vraag van de redactie: welke rol speelt God en het geloof een rol in uw werk? Het betreft de schrijver Jan Siebelink, woonachtig in Ede en aldaar werkzaam als leraar Frans aan een middelbare school. Hij vertelt op verschillende plaatsen in zijn boeken hoe zijn vader kort na de bevrijding plotseling aanhanger werd van ds. J. R Paauwe. In het gesprek waaruit we straks citeren komt dat voorval van vaders bekering ook weer voor. In het in 1994 verschenen boeken 'Als een eenzame mus op het dak' (Jan Pieter Paauwe 1872-1956 - Zijn leven, werk en volgelingen) van de hand van L. F. Dros en N. J. P. Sjoer, komen naam en sommige publicaties van Siebelink ook voor. Siebelink schreef in 1995 samen met de journalist John Jansen van Galen een briefwisseling die verscheen onder de titel 'Dorpsstraat Ons Dorp'. Daarin vertelt hij ook over vaders plotselinge overgang naar de boodschap van Paauwe. 'Zwarter vorm van calvinisme is op aarde nooit gepredikt. Geen kerk deugde meer. Geen christelijke school. Het kwam dus heel goed uit dat ik op de openbare school zat. Daar werd niets aan godsdienst gedaan. Dat was goed, want mijn vader nam mijn godsdienstige opvoeding zelf ter hand. (...) Deze ds. Paauwe predikte op de deel van een boerderij in de buurt van Ede. Vader nam mij soms mee. Ik heb er eens een bruiloft meegemaakt. De bruid mocht geen bruidsboeket hebben omdat bloemen zouden afleiden van de eeuwige dingen... Toen deze ds. Paauwe - hoogbejaard - stierf, viel de gemeente uiteen en werd mijn vader een zogenaamde thuiszitter of "onkerkelijke" en hield hij zijn eigen godsdienstoefening in het gezin' (Meulenhoff, Amsterdam, 1995, p. 13).
In de roman 'De overkant van de rivier' (1990) schrijft Siebehnk het meest uitvoerig over deze ommekeer van zijn vader. Nog altijd, aldus Siebelink, bepaalt de opvoeding zijn leven. Hij is constant bang voor de dood.
We citeren nu een lang stuk uit het gesprek met Jan Siebelink zoals het te lezen valt in het kwartaaltijdschrift Rondom het Woord, 38e jrg. no. 4 van december 1996.
Siebelink: 'Mijn vader nam aan dat de Here Jezus elk moment op de wolken zou kunnen verschijnen om deze wereld te richten en het oordeel uit te spreken. Hij had het altijd over het kaf en het koren, over de mensen die de genade deelachtig waren geworden en degenen die de genade niet ontvangen hadden. Zij zouden op dat moment gescheiden worden.
Als ik naar school ging en een wat ongewoon geluid hoorde, dacht ik dat op die dag het Grote Oordeel zou beginnen. De eerste scheuren in de ' muren van Jericho waren bij wijze van spreken al zichtbaar. Ik keek dan werkelijk omhoog en dacht dat God in een prachtig gewaad op de wolken zou verschijnen. Ik was er niet bang voor, want met zo'n vader die God ten diepste aanbad, was er geen gevaar dat het met ons slecht zou aflopen.
Toen ik ongeveer twaalf jaar was, zat ik tijdens de zomervakantie op een dag bij moeder buiten naast het huis. We hadden daar een leuk grasveldje met planten eromheen. Je kon van daaruit de kassen zien staan en de kwekerij, waar mijn vader aan het werk was. Het was een mooie dag. Er werd aan de voordeur gebeld en moeder zei dat ik open moest doen. Er stond een echtpaar voor de deur dat een boeket bloemen wilde kopen. Moeder zei me dat ik met die mensen naar de kwekerij moest gaan. Ik liep met ze mee en keek overal: in de broeikassen. in de loods, in een hok waar de bakfiets stond. Ik kon mijn vader echter niet vinden. Uiteindelijk vond ik hem achter het zonnebloemenveld dat door een haag was afgesloten van de katholieke begraafplaats. Mijn vader lag daar op de grond, met verwarde haren en wilde ogen. Er lag een boek naast hem. "Papa, wat is er aan de hand? ", riep ik. "Er zijn klanten voor je. Ben je ziek? Kan ik je helpen? " Hij keek mij heel verbaasd aan en zei eerst niets. Daarna mompelde hij zoiets als: "Weet je dan niet dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders? " Hij zei verder dat God hem op dat moment had aangeraakt en ter aarde had doen storten in een geruis van onweer en stormwind. Ik geloof-nog steeds dat op die plek, bij die haag, onder een appelboom, God aan mijn vader is verschenen, ondanks dat het heel mooi weer was en een rustige dag. Ik ben het ouderlijke geloof kwijtgeraakt, maar ik hoop dat ik door een boek te schrijven iets van die extase opnieuw mag beleven. Dat is dan de lijn naar mij toe.'
Genade
Siebelink: 'Mijn vader werd aanhanger van een zekere dominee Paauwe en werd Paauwiaan. De dominee preekte op de deel van boerderijen en daar ging mijn vader heen. Soms wachtte hij me bij school op en nam mij als een soort alibi mee. Langzamerhand verwaarloosde hij zijn kwekerij ten gunste van het geloof. Eens ging ik met mijn vader naar een boerderij in Barneveld. Ik zat aan de kant op een varkenstrog. Voor mij had niemand belangstelling; het ging om mijn vader. Hij moest op de grond knielen. Een predikant, in die kringen oefenaar geheten (hij oefende in de exegese), stond voor een katheder Er werd heel lang gebeden en een lange preek gehouden. Toen werd mijn vader de vraag gesteld of hij Christus werkelijk had gezien in de kwekerij. Mijn vader fluisterde zachtjes "ja". Die vraag werd tot driemaal toe herhaald en daarna werd hem gevraagd of hij zich wel voldoende had ingeleefd in Christus' wonden. Je moest bijna Christus zelf worden om een hogere staat van genade te bereiken.'
Ondanks dat geloof van uw vader stierf hij toch in grote angst. Dat sterven heeft veel indruk op u gemaakt. U heeft het beschreven in 'De Overkant van de rivier'.
Siebelink: 'Als ik die passage in de roman nog eens lees, komt het allemaal weer boven. Het is gebeurd in 1971. Vele jaren hebben deze beelden in mijn hoofd gezeten en ik heb er heel lang over willen schrijven, maar dat lukte niet. Pas toen mijn moeder in 1984 overleed, ben ik begonnen met aantekeningen te maken om dit boek te schrijven. De roman is in 1990 uitgekomen:
Het geloof van mijn vader is een mensvernietigend geloof. Het heeft mijn vader kapotgemaakt. Hij was een heel lieve, zachtmoedige en vrolijke man. Toen dat geloof over hem heenkwam, kreeg hij een soort bewustzijnsvernauwing. Hij bleef aardig en vriendelijk, maar er werd aan hem getrokken. Ik heb hem wel eens zien verdwijnen van de kwekerij op een tijd dat er veel werk te doen was. Het was warm weer en er moest worden gegoten. Toch trok hij zijn zondagse pak aan en verliet de kwekerij. Met een gepijnigd gezicht liep hij de Bergweg af, op weg naar zo'n dienst, terwijl iedereen moest werken. Vader werd dan wel door zijn God geroepen, maar ik denk dat hij liever thuis was gebleven. Je kon dat natuurlijk niet tegen hem zeggen, dat zou idioot zijn geweest. Het ging om de eeuwige zaligheid.'
Document
U beschrijft het geloof keihard en noemt het mensvernietigend. Mensen als Maarten 't Hart hebben zich daar keihard tegen afgezet, maar u niet.
Siebelink: 'Nee, en daarmee onderscheid ik me zeer van mensen als Maarten 't Hart, Maarten Biesheuvel en Jan Wolkers. Ik oordeel niet en ik veroordeel niet. Ik probeer zo exact mogelijk te beschrijven wat dat geloof inhoudt. Ik denk dat er in De overkant van de rivier een vrij gedocumenteerd verslag staat van dit geloof, met alle terminologie die erbij wordt gebruikt.'
Waarom had u die behoefte? Siebelink: 'Mijn vader was een man die zich wilde uitwissen. Hij wilde op de kwekerij zijn; hij kon mooie planten kweken. Zodra hij de kwekerij verliet, was hij angstig en raakte in paniek. Hij wilde liever geen planten verkopen, vond het niet leuk om bloemen af te snijden. Het was een doodgoede man. Alle vormen van bekend zijn waren hem zeer vreemd. Voor hem en ook voor mijn moeder heb ik met dit boek een monument willen oprichten voor de strijd die ze hebben geleverd.'
Hoe komt het dat u zich niet tegen dat geloof heeft afgezet, zoals die andere schrijvers hebben gedaan? Bent u nog steeds die aardige jongen die u in het boek beschrijft?
Siebelink: 'Mijn jeugd was uiterst plezierig en het ouderlijk huis was een veilige haven. Er werd wel geknokt voor het dagelijks brood, maar er heerste saamhorigheid. Dat ik er zo met mededogen en invoelingsvermogen over kan schrijven, heeft te maken met het feit dat ik nog steeds mijn vader welgevallig wil zijn. Misschien ben ik nog steeds een klein beetje bang - dat God mij ziet en dat ook mijn vader mij ziet. Ik wil dingen doen die zij in mij kunnen prijzen. Ik wilde door mijn vader geprezen worden, zoals ik ook, althans toen, door God geprezen wilde worden. Als ik wel eens door een stad of een landschap loop, denk ik dat er iemand naar me zit te kijken. Dat is dan fantasie, maar ik ben altijd bang dat ik in mijn gedrag word geobserveerd. Ik ben nog steeds heel erg met dat geloof bezig. Ik zal nooit zeggen, zoals Willem Frederik Hermans dat vlak voor zijn dood heeft gedaan, dat het rationeel gezien volstrekt ondenkbaar is dat God bestaat. Als dat zo zou zijn, volgens Hermans, zou er niets meer van de wereld en van de natuurkundige wetten kloppen. Ik vind het erg ontmoedigend om dat te zeggen en zou dat ook nooit durven.'
Angst
Hoe stempelt zo 'n opvoeding je verder? U heeft het idee dat u steeds bekeken wordt. Dat kan beangstigend zijn. Werkt u ook heel hard? Heeft u een calvinistische werkzucht?
Siebehnk: 'Ik werk heel hard, heb nog bijna een volledige baan aan de middelbare school als leraar Frans en ik doe daarnaast veel andere dingen. Of dat te maken heeft met mijn hervormde opvoeding, weet ik niet. Van nature ben ik zeer actief Ik ben nu met een nieuw boek bezig dat in het komend voorjaar uitkomt. Daar werk ik veel aan, en ik weet nu al dat als ik ermee klaar ben, ik aan een nieuw boek zal beginnen. Ik geloof namelijk dat als ik met een boek bezig ben. God mij niet zal wegnemen of ziek zal laten worden. Hij zal willen dat ik dat boek afmaak. Dat is een heel sterk geloof binnen in mij. Ik denk dat God wel weet hoeveel boeken ik heb geschreven en dat ze zullen bijdragen aan zijn beoordeling over mij wanneer ik ten laatste voor de Rechter zal staan. Ik weet niet wat er met mij zal gebeuren en ik ben daar heel angstig over.'
Denkt u dat u wordt afgerekend op het aantal boeken dat u heeft geschreven ? En wanneer denkt u dat God tevreden is over u?
Siebelink: 'Volgens mij moeten er nog wel enige boeken van mij verschijnen. Als God mij zou beoordelen op kerkgang en allerlei kerkse vormen van geloven, dan zou het er niet goed voor me uitzien. Het geloof van mijn vader was niet in de kerk te vinden, maar buiten de kerk, voor de kleine gemeente die in Nederland bestond uit ongeveer 900 mensen. Er zijn er nu misschien nog 500 van over. Voor hen geldt extra ecclesiam salus, het heil ligt buiten de kerkmuren. Dat gaat dwars tegen het gereformeerde en het katholieke geloof in, waarin het heil binnen de traditie van de kerk te vinden is.
Ik heb mij met veel pijn en moeite uit de hervormde kerk laten schrijven omdat ik voortdurend ouderlingen aan de deur kreeg. Dat vond ik vervelend. In die zin volg ik toch weer een beetje mijn vader en probeer ik een leven te leiden dat hem hopelijk welgevallig zal zijn.'
Zit daar ook de factor angst bij?
In het boek 'Dorpsstraat Ons Dorp' waaruit we al citeerden, vertelt Siebelink over de dood van zijn ouders. Eerst van zijn vader. 'Op zijn sterfbed, thuis aan de Bergweg, wendde hij het hoofd van de naasten af. Broeders van een zeer zware gemeente hadden hem wijsgemaakt dat wanneer op het moment van sterven een onbekeerde het woord tot hem richtte, hij zijn oordeel bij het jongste gericht niet zou ontlopen... Hij is in donkerheid afgereisd.'
'Moeder heeft hem dertien jaar overleefd. Het is ook haar slecht vergaan. Maar vergaat het ons niet allemaal slecht? Le but de notre carrière c'est la mort. Die is van Montaigne...' Toen iemand tegen haar zei: Je bent nu een mens van de dag... 'Mijn moeders gezicht verstrakte. In haar ooghoeken verschenen twee kleine ronde tranen die daar bleven liggen en ze mompelde voor zich heen: "Nu al? Is het nu al voorbij". Het was al voorbij. Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur. En hoe brengen wij het er te zijner tijd vanaf? (...) De grondtoon van ons bestaan kan, ondanks alle highlights, slechts angstig en melancholiek zijn' (a.w. p. 2I9v.).
Echt vrolijk word je er ook niet van, moet ik eerlijk bekennen. Nu kan dat ook niet altijd. Het leven heeft niet zoveel te bieden waar je vrolijk van wordt. En literatuur registreert het leven in al zijn rauwheid. Het resultaat van een Boekenweek dat het reli gieuze gevoel in de letteren wil onderzoeken, zal niet zijn wat naar het lijkt sommigen ervan verwachten. We mogen als kerken in onze samenleving wel het Evangelie van de levende hoop, verankerd in de opstanding van Christus, uitdragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's