De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over schuld en schuldbewustzijn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over schuld en schuldbewustzijn

9 minuten leestijd

We zijn als christenen van meerderheid minderheid geworden in de samenleving. Christelijke tekenen zijn en worden meer en meer uitgewist in dit land.

Normen en waarden, ontleend aan het Evangelie, zijn steeds minder in tel.

Normloosheid grijst allerwegen om zich heen, met alle gemeenschaps-ontbindende verschijnselen vandien.

Kerken krimpen in; sommige zien hun ledental, zeker over jaren gerekend, aangrijpend slinken.

Daar komt nog bij de grote verdeeldheid der kerken en het mislukken van alle pogingen om zelfs die kerken, die in belijdenis één zijn, dichter bij elkaar te brengen, laat staan deze tot eenheid te brengen.

De reacties op bovengenoemde verschijnselen lopen in de kerken zeer uiteen.

Mensen reageren onverschillig of apatisch: het zal allemaal wel gaan zoals het gaan moet.

Mensen passen zich aan aan de tijd(geest) en zijn na verloop van tijd ook voor de kerk verloren.

Mensen worden moedeloos en trekken zich terug in een isolement, met een boekje in een hoekje, proberen te redden wat te redden valt.

Mensen kunnen echter ook hartstochtelijk lijden aan de verschijnselen en de geest van de tijd en hunkeren naar verandering, vernieuwing, opleving; allereerst in de kerk maar dan ook onder het volk. We zien dan gebeuren, dat mensen bij elkaar gaan samenscholen, in positieve zin, noem het schuilen, om zich samen te bezinnen: is er nog een weg omhoog uit het dal? En soms wordt zo een roep naar buiten, een noodkreet geboren, in de vorm van een protest of een manifest. Van tijd tot tijd worden oproepen tot inkeer en ommekeer gedaan, in de hoop dat de Heilige Geest het getuigenis daarachter wil zegenen en daadwerkelijk een opleving wil geven.

Schuldbelijdenis

Zo treffen we regelmatig oproepen tot schuldbelijdenis en verootmoediging. Daarachter zit de terechte gedachte, dat er van werkelijke ommekeer geen sprake kan zijn als er niet allereerst sprake is van diepgaande verootmoediging voor Gods Aangezicht.

Zo verscheen recent een breed gedragen 'Oproep tot gemeenschappelijk schuldbelijden: Wij hebben gezondigd! Nederland kom tot inkeer!' Het stuk staat op naam van Evangelisch Reformatorisch Ontwaken (ERO). In de Inleiding wordt het grondmotief van schuldbelijdenis als volgt verwoord:

'Deze verootmoediging is een schreeuw van ons hart tot God. Een schreeuw die opkomt uit het verdriet, omdat wij, christenen, die zozeer door God begenadigd zijn dat Hij zelfs Zijn eigen Zoon voor ons heeft gegeven (Joh. 3 : 16), Hem zozeer beledigd en teleurgesteld hebben... Deze verootmoediging is ook een noodschreeuw tot God. We belijden daarin: Heere, wij zijn niet bij machte ook maar iets te veranderen in de treurige situatie, waarin Uw volk in Nederland zich bevindt. Wij zijn helemaal vastgelopen in onze eigen zondigheid, in onze ik-gerichtheid. Wij smeken U: doet , U het, om wille van Uw grote barmhartigheid, die u betoond hebt in de gave van Uw Zoon Jezus Christus".'

Wie zou op deze woorden èn inzake de toon van verootmoediging niet van harte 'amen' zeggen?

Concreet

De schuldbelijdenis en de verootmoediging worden dan verder heel concreet gemaakt en ook concreet in gebeden verwoord.

Tegenover Israël: Wij waren door de God van Israël geroepen "om hen tot jaloersheid te verwekken" (Rom. II : 11). Maar met onze onderlinge verdeeldheid en dogmatische haarkloverijen hebben wij ons voor de Joden bespottelijk gemaakt, zodat zij onder elkander zeggen: wij steken ons niet in het christelijke wespennest...'.

Tegenover Ismaël: 'Wij als Nederlanders hebben duizenden moslims naar Nederland gehaald om van hen te profiteren als goedkope arbeidskrachten... Maar hoe weinig hebben wij, als christenen, hen gewezen op de geestelijke rijkdom die er is in Christus Jezus!'

Tegenover Israël en Ismaël: 'We buigen ons hoofd en zijn beschaamd om de afschuwelijke misdaden, die toen door onze christelijke voorvaderen zijn gepleegd tegenover de Joden en de moslims...'.

Tegenover andere volkeren vanwege het koloniale verleden: tegenover ons vorstenhuis, met een beroep op Daniël 9 : 6; tegenover hen die verre zijn, onder andere omdat hen in woord en daad niet de rijkdom van het Evangelie is getoond; tegenover Rome, tot wie door nazaten van de Reformatie het verwijt is gericht, dat men daar de traditie op één lijn heeft gesteld met de Schrift, terwijl intussen iedere stroming zo zijn éigen tradities heeft; tegenover elkaar als individuele medechristenen, omdat de liefde zo vaak afwezig was en de Geest werd uitgeblust (zie ook het citaat in 'Globaal Bekeken').

Er wordt verder genoemd de schuld van voorgangers tegenover gemeenten, van mensen tegenover de Reformatie in Nederland, tegenover elkaar als echtgenoten, tegenover de jeugd. En tenslotte wordt schuld beleden tegenover God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ter afsluiting zijn concrete gebeden opgenomen.

Beamen en toch...

Het geheel lezende kan men alleen maar zeggen: wie zou dit alles niet beamen? Er is inderdaad sprake van schuld op alle genoemde terreinen. De voorbeelden zouden bovendien met vele meerdere uit te breiden zijn. Als zodanig val ik de opstellers van het stuk, de broeders uit allerlei kerkelijke denominaties, die in bewogenheid dit stuk opstelden, van harte bij in hun ontboezemingen, in de verwoording van de geestelijke nood van onze tijd.

En toch....Ik zei reeds, dat het stuk breed wordt gedragen. Ik zou hier evenwel willen verduidelijken welke argumenten een rol kunnen spelen om bij een dergelijk stuk uiteindelijk toch géén adhesie te betuigen, de goede bedoelingen en de goede inhoud op vele punten ten spijt.

Hier kunnen secundaire argumenten worden opgevoerd. De kring van eerste ondertekenaars is wel heel erg breed als het gaat om zicht op kerk en gemeente. Of: er verschijnt al zoveel (teveel), waarvoor adhesie wordt gevraagd. Stukken als de onderhavige, of acties die dezelfde achtergrond hebben, kunnen door de veelheid ook gaan devalueren. Een hond bij het vuur voelt de spattende vonken op den duur niet meer. Of: de rechtvaardige kent tijd en wijze.

Dieper

Er zijn evenwel ook diepere argumenten aan te voeren, waarom iemand geen vrijmoedigheid kan hebben om mee te doen. Ik noem er drie.

1. Echte schuldbelijdenis vraagt om schuldbesef, om schuldbewustzijn. We mogen ervan uitgaan, dat diegenen, die na rijp beraad tot zulk een schuldbelijdenis komen, dat schuldbewustzijn ook metterdaad beleven. Geldt dit echter ook voor al diegenen, die gevraagd worden hun adhesie te betuigen? Het gaat niet aan zoveel mogelijk namen onder een stuk te krijgen wanneer het om de schuldbelijdenis gaat. Wie zijn naam aan een dergelijk ingrijpend stuk geeft, moet ook weten, dat de zaken, waarom het gaat, hem geestelijk zijn opgehouden. Zo niet, dan worden namen slechts blikvangers.

2. Echte schuldbelijdenis is geen eenvoudige zaak. Bij schuldbelijdenis gaat het om iemand, die schuld betuigt en iemand, die op grond van schuldbelijdenis vergeving schenkt. En dan kan het wel eens wederkerig gelijkelijk toegaan. De Heidelbergse Catechismus zegt bij de behandeling van de bede uit het Onze Vader 'vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren': 'Wil ons arme zondaren al onze misdaden en ook de boosheid, die ons altijd aankleeft, om des bloeds van Christus wil niet toerekenen, gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is onze naaste van harte te vergeven'.

Zowel schuld belijden als vergiffenis schenken betekent, dat een mens door de knieën moet. De schuldvraag komt tweezijdig op tafel. Dat is geen geringe zaak. Het staat alles in het teken van 'het getuigenis' van Gods genade. Verootmoediging en schuldbelijdenis krijgen dan ook een spannende consequentie in persoonlijke relaties. Daar zijn schuldbelijdenis en vergeving een graadmeter voor veroormoediging.

3. Het gaat de opstellers van genoemd stuk echter vooral (ook) om schuldbelijdenis tussen groeperingen in kerk en samenleving. Dat lijkt op het eerste gezicht eenvoudig, vaak minder persoonlijk. Daarbij komt dan echter een ander, minstens zo zwaarwegend punt om de hoek kijken als het gaat om het getuigenis van de genade. Wie belijdt dat namelijk schuld tegenover wie en wie is geëigend een woord van verzoening te spreken?

Hier wringt het voor mij het meest. Het is niet zo moeilijk om een aantal zaken op een rij te zetten, waar sprake is van gemeenschappelijke schuld. Maar wie is gerechtigd plaatsvervangend schuldbelijdenis te doen voor een hele gemeenschap tegenover een andere gemeenschap? Moet men dan niet in bizondere zin tot profetie geroepen zijn. Wie krijgt echt schuldige verhoudingen tussen gemeenschappen als schuld opgehouden? En is bovendien het gevaar niet levensgroot aanwezig, dat de schuld geprojecteerd wordt op anderen: op het voorgeslacht of op groepen met een mentaliteit, die we toch niet echt zelf als 'de onze' beleven?

Houding

Ziehier mijn aarzelingen. Heeft dan het formuleren van schuld van kerken of gemeenschappen tegenover andere kerken of gemeenschappen geen zin? Integendeel. Eén en ander kan dienen als een appèl, als een middel om schuldbesef te wekken. Zo wil ik dan vooral het stuk van ERO lezen, zodat hier en daar de schoen wordt gepast en aangetrokken en schuldbewustzijn wordt gewekt.

Veel wezenlijker is echter hoe ieder voor zich vandaag de consequenties trekt uit schuldbewustzijn en staat in de ontwikkelingen, binnen eigen gemeenschap en naar buiten.

Is niet vooral nodig een houding, een gestalte van ootmoed? !

Betekent één en ander niet heel concreet, dat alle vormen van agressiviteit moeten worden afgeleerd? Dat, bij ontwikkelingen in eigen groepering of bij anderen, die als heil-loos worden ervaren, solidariteit in dé schuld wordt geleerd en beleefd, zodat die ontwikkelingen worden ervaren als deel van het eigen bestaan?

Zou het misschien niet zo moeten worden, dat de secularisatie, die zich voltrekt en de aangrijpende ontkerkelijking, ons moeten nopen tot een nieuwe houding, een gestalte van ootmoed? Een gestalte, die niet ten koste van het getuigenis gaat maar het getuigenis juist wil dienen? Vraagt onze tijd niet om de oefenschool des Geestes, waar een nieuwe geestelijke attitude wordt geleerd, om adequaat op de nood, die het gevolg is van schuld, te kunnen ingaan?

Kort en goed. Men moet er persoonlijk wel diep van doordrongen zijn mede schuldig te staan om op zoveel vlakken een schuldbelijdenis te kunnen uitspreken als in bovengenoemde boodschap wordt gedaan en daaruit ook de consequenties te trekken.

Daarom mag zulk een boodschap wel gedragen worden door gebed van velen. Want oprechte schuldbelijdenis is geen zaak van papier maar van het hart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Over schuld en schuldbewustzijn

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's