Uit de pers
Constantijn Huygens (1596-1687) Een zeventiende-eeuwse workaholic
Op 4 september 1996 was het vierhonderd jaar geleden dat Constantijn Huygens werd geboren. In Literatuur, tijdschrift over Nederlandse letterkunde, jaargang 13, nov./dec. 1996 belicht prof. dr. E. K. Grootes ter gelegenheid daarvan de enorme werkdrift van Huygens en typeert hem met de woorden hierboven vermeld. Huygens is voor zijn dagen uitzonderlijk oud geworden: bijna 91 jaar (hij stierf 28 maart 1687). Zijn lange leven was een zeer gevuld leven. Halverweg 1625 werd hij secretaris van Frederik Hendrik. Heel zijn leven stond hij in dienst van de Oranjes. Al die jaren was hij president van de Raad van Domeinen, die de goederen van de Oranjes beheerde. Omdat hij als één van de weinigen van zijn toenmalige landgenoten de Engelse taal machtig was, kon hij de vertaler worden van de gedichten van John Donne. Hij was vader van de beroemde natuurkundige Christiaan Huygens. Zijn tijdgenoten vroegen zich al af hoe hij al zijn werkzaamheden voor elkaar kreeg. Huygens vertoont in zijn werk de behoefte zich rekenschap te geven van zijn hyperactiviteit, aldus prof. Grootes.
'Hoe ziet Huygens' normale dagindeling eruit, volgens het beeld dat hij in zijn Dagh-werck schildert? Wie zijn dag, en het daglicht - toen met het gebrekkige kunstlicht onmisbaarder dan nu - maximaal wil benutten, staat tegelijk met de zon op. Dat doen Constantijn en Suzanna ook, en zij beginnen hun dag met gebed:
's Morgens eer wij 't licht ontmoeten,
zullen wij die Godheid groeten,
's morgens eer de dag ontwaakt
en de zon de sterren staakt,
(vs. 77-81)
Zij bidden God hun in staat te stellen hun talenten goed te besteden, ter ere Gods:
Zegent Ziel en zegent Leden,
doet ze beid' haar pond besteden
U ter ere, U alleen,
eigenaar van Ziel en Leen. (vs. 125-28)
Dit is een essentiële passage voor ons begrip van het arbeidsethos van de zeventiende-eeuwse calvinist Huygens. De mens is niet op aarde om zichzelfs wil, maar om God te dienen en te eren. Weliswaar wordt hij alleen door het geloof in God en de gehoorzaamheid aan het evangelie van Christus gerechtvaardigd, maar een geloof zonder werken is een dood geloof. Het komt tot uitdrukking in de vanuit dit standpunt volledig onbaatzuchtig verrichte daden van de mens. De gelovige onderscheidt zich door goed te doen en zijn taak op aarde optimaal te vervullen. IJver, soberheid en plichtsbesef zijn de middelen daartoe. Dat dit hem ook in economisch opzicht profijt kan opleveren, is daarbij niet wezenlijk. God laat dit zijn plichtsgetrouwe dienaren onverdiend toekomen.
In het begin van onze eeuw heeft Max Weber een causaal verband gepostuleerd tussen deze protestantse arbeidsethiek en de opkomst van het kapitalisme. Tot de dag van vandaag is deze these in discussie gebleven. In de loop van de tijd is zij ook op allerlei punten genuanceerd en Iaat men de mentaliteit in kwestie eerder aansluiten bij algemenere tendensen in de vroeg-moedeme religiositeit dan bij het calvinisme en zijn predestinatieleer in het bijzonder. Weber verbond er een neiging mee tot "innerweltliche Askese", een bewust nastreven van een sobere levensstijl, zonder zich uit de wereld terug te trekken. Aspecten van dat soberheidsideaal zijn ook bij Constantijn Huygens wel te herkennen, in zijn voorkeur voor eenvoudige genoegens, in zijn hekehng van de uitwassen van de mode {Costelick Mal) en zijn kritiek op het zwelgen in tafelgenoegens. Anderzijds verplichtten zijn stand en functie hem tot het voeren van een levensstijl met een onmiskenbare allure, zich manifesterend in een Haags stadspaleisje tegenover een evenwaardig aan het Mauritshuis, een buitenverblijf aan de Vliet te Voorburg en de aankoop van een oud kasteeltje om de eraan verbonden heerlijke rechten.'
Vol toewijding vervult Huygens zijn beroepsbezigheden, ook al zijn ze zwaar of onaangenaam.
'In Dagh-werck zien we hem bezig, 's Morgens wordt hij direct geconfronteerd met het gewoel van het hof. Een stroom van mensen komt hem aanklampen in de hoop via de secretaris van de Prins een gunst of een ambt te verwerven. Stukken ter ondertekening moeten worden opgesteld, brieven geschreven. Dan is er soms het wachten, "ijdel uren lang", tot hijzelf tot de Prins doordringt:
Eindelijk, op 't hoger dagen,
van belegering ontslagen
zal ik 't wagen in 't gedrang
van het ijdel uren lang,
dat men in de hoofse muren
overduldig uit moet duren. (vs. 369-74)
Als hij een onverwachte opdracht krijgt, zal hij die getrouw en vlijtig uitvoeren, zonder ooit ongenoegen of eigen wensen aan de vorst te laten blijken. Die zal verrast zijn het resultaat te ontvangen voor hij het kon verwachten. Uiterlijk altijd even gelijkmoedig zal de secretaris de wisseling van overbelasting en ledigheid ondergaan (vs. 513-26). Als hij uit deze zee van beslommeringen, "moe van slingeren en slaven" de rust van zijn huis opzoekt, schudt hij tussen straat en deur de zorgen van zich af en kan hij rust veinzen, hoewel de duizeling van de drukte nog in zijn hoofd tolt, zoals je benen tintelen na een lange wandeling (vs. 540-48). Het is dan tijd om te eten. De maaltijd is er echter om ons te voeden, niet om op te gaan in het genot van allerlei lekkernijen en eindeloos aan tafel te zitten. Daar is de tijd te kostbaar voor:
Waarom zouden wij die uren,
die haar vluchtige geburen
volgen met zo snellen schoot
of men z' uit een vuur-roer schoot,
waarom zouden wij die dagen
die eikanderen zo jagen,
't leven dat nooit Nu en is, (...)
waarom zouden wij den Tijd
die m' ook slapende verslijt,
aan ons bakhuizen vergapen [gebruiken om slechts onze kaken in beweging te houden? ]
(vs. 961-73)
Beter na een sobere maaltijd een flinke wandeling gemaakt. Dat is ook goed voor de spijsvertering. Liefst wil Constantijn dan ook geen kennissen tegenkomen die hem aan de praat houden, want dat betekent dat hij deze vrije tijd niet goed kan gebruiken voor wat hem het liefst is: mijmeren en dichten. Alle uren moeten productief gemaakt worden. Het is prachtig dat er koetsen zijn uitgevonden om je zonder moddervoeten te kunnen verplaatsen, maar die moeten niet gebruikt worden voor tijdverdrijf, zoals dat van dames die zinloze ritjes maken om te kunnen babbelen. Koetsen zijn er om tijd te winnen of deze langer te maken. En dat gebeurt als hij met zijn Sterre is en ze denken aan wat ze samen beleefd hebben en nog zullen beleven. Dat maakt de tijd driemaal zo lang. Praten is daarvoor niet nodig:
In die stilte van twee mensen,
vind ik 't uiterst mijner wensen,
mijner tochten laatste wit, u,
en enigheids besitt. (VS. 1049-52)
Dat wil zeggen: daarin vind ik de volledige vervulling van mijn verlangen: met jou alleen zijn.'
Het leven ging toen kennelijk ook al snel. Een mens kan het gevoel hebben tijd te kort te komen om rond te raken met z'n programma. Constantijn Huygens beleefde dat in de 17e eeuw net als wij. Onder het kopje 'Tijdsbesef' schrijft prof. Grootes:
Dat tijd een relatief begrip is, had hij ook eerder in het gedicht verwoord:
't Leven is zo korten span,
't slapen steelt er zo veel van,
kleding, reding alle morgen,
straatse, staatse, steedse zorgen,
elk ontsnijdt het zulk een snee
dat zij 't van de vier op twee van de twee
op één verengen;
maar 't genoegen kan 't verlengen:
tweemaal is, die welgezind,
allerzijds genoegen vindt, (vs. 727-36)
De thematiek is verwant met die in een paar beroemde sonnetten van Hooft over Vader Tijd, maar het paradoxale van het tijdsbesef is dat een precies omgekeerde werking ook aannemelijk is.
De "gezwinde grijsaard" Tijd gaat bij Hooft nog slechts "schoorvoetig" vooruit nu het lief van de dichter afwezig is, en in een ander sonnet schiet hij in haar bijzijn zo snel voorbij dat de klok wel vier keer slaat in minder dan een kwartier ("Nijdige tijd waarom is 't dat gij u versnelt / Meer dan gij zijt gewoon? ").
Naast zijn beroepsbezigheden werd Huygens niet veel vrije tijd gegund. In het commentaar bij Dagh-werck vs. 1485-89 maakt hij de rekening op:
trekt van mijn leven den tijd die ik meest buitenshuis aan mijn beroep, binnenshuis aan allerhande dingen moet spillen, hoe weinig schiet er over te mijnen vrijen verdoene [beschikking].
Wat hij aan uren kan winnen, besteedt hij het liefst tussen zijn boeken. De behoefte zijn leeshonger te bevredigen is hevig: hij weet immers niet of hij morgen opnieuw de kans zal krijgen. Wee hem die hem hier "ter halver maal" waagt te storen! (...)
(...) In Cluijs-werck (1683) gaat hij opnieuw in op het gebruik van de tijd. Hij kent, zelfs op hoge leeftijd, niet het probleem van een surplus aan vrije tijd. Dat zou alleen zo zijn als hij in staat was tot ledigheid. Dat is bepaald niet het geval:
wilt gij overwegen
wat ik ter handen trek, en nog meer trekken zou
(want meest is 't met geweld dat ik mij wederhou),
gij keerde 't blaadje om, en hielp mij licht beklagen
den snellen ommeloop van avonden en dagen.
Wel meld ik avonden: nam ik die niet te baat
zo dat het merendeels naar middernacht toe gaat,
Ik vond mij eng ge-uurd. (vs. 362-69)
Muziek, schilderijen, lange wandelingen, bijvoorbeeld van zijn stadshuis aan het Plein naar zijn buiten in Voorburg, vullen gemakkelijk zijn tijd:
Ziet wat al bezigheid, en of ik ooit verlegen
om tijdverdrijf kan zijn, waai" zo veel zoete wegen
van oef'ning open staan. (vs. 533-35)
Maar het meest houden zijn boeken hem bezig. Hij zou dag en nacht lezen, als de natuur niet tot slapen dwong (vs. 407-10). Tegenover de slaap vertoont Huygens trouwens gedurende zijn hele leven een ambivalente houding. Aan de ene kant beschouwt hij het slapen als een vorm van tijdverlies. Als een kind dat lang wil opblijven, stelt hij het moment van naar bed gaan zo veel mogelijk uit:
Het zij zo laat als 't wil, ik kan mij niet bepraten
om dood te wezen, en mijn dagwerk te verlaten;
ik schiet de vodden uit die'k 's morgens heb gelaan;
maar 't gaat zo 't spreekwoord spreekt, no doen is ook gedaan.
Ik ga schoorvoetende waar and're na toe lopen
en, waar 't geld te doen, 'k zocht slapen af te kopen. (Ged. 7, p. 301)
Bovendien houden tijdens de slaap zijn bezigheden niet op. Huygens was een hevig dromer. Zodra hij zijn ogen sloot, drongen de droombeelden zich bij hem op:
't scheen dat mijn dag aankwam.
als ik mij neder lei en 't slapen ondernam,
't Heet rusten wat ik deed, maar 't waren bezigheden,
die mijn versufte geest meer als 's daags werken deden.
Mijn ogen sloten niet, of 't hete werk ging aan. (Ged. 7, p. 37)
Het thema dromen en de intrigerende relatie tussen droom en werkelijkheid hebben hem dan ook jarenlang intens beziggehouden. Aan de andere kant zijn er getuigenissen in zijn dichtwerk dat hij het opstaan net zo moeilijk vond als het naar bed gaan. Het net geciteerde "Weer en weerwil" vervolgt met een parallelle situatie in de ochtend:
't Zij weer zo laat als 't wil, en zo veel dags als 't kan,
ik, die geen rust en zocht, ik, nog dezelfde man,
lig nagelvast aan 't bed; weg windas-touw en dreggen:
daar is geen tillen aan. (Ged. 7, p. 301)
Het mooist dmkt de dichter dit uit in zijn "Bedzucht", dat in zijn herkenbaarheid als een kleine troost mag fungeren voor al de laat-twintigsteeeuwers die doodmoe zijn geworden van zoveel ijver en werklust tijdens een geheel lang mensenleven:
Wat zou ik op doen? Leed en ongemak gaan lijden?
Zien wat mij niet en kan verbeet'ren noch verblijden,
en horen wat mij spijt, en ruiken wat mij kwelt?
Neen, 't nestje waar ik lig is min toch meer gesteld
als waar ik twee maal drie en nog drie maanden in lag,
eer dat ik schreiend aan de tepel van de min lag:
ik lig warm, ik lig dicht, en stillekens, en zacht.
Moet ik eens alle daag ter wereld zijn gebracht,
ter wereld waar 't zo raast, alsof ik in de baren
gestort werd uit de kooi? Ei, beddeke, uw baren
en komt mij niet te pas. 't En waar de malle pijn
die honger heet, ik wou wel ongeboren zijn. (Ged. 6, p. 78).
In 1987, ter gelegenheid van de driehonderdste sterfdag van Huygens schreef prof. L. Strengholt (1930-1989) een prachtig geïllustreerde levensbeschrijving van Huygens onder de titel 'Constanter, Het leven van Constantijn Huygens'. In een opstel over Huygens' dichterschap in de bundel 'Uit volle schatkamers' vatte hij Huygens werk als volgt samen: 'Als zin voor orde, voor overzichtelijkheid en beheersing van het natuurlijk gegevene typisch is voor de zeventiende eeuw, is Constantijn Huygens een zeventiende-eeuwer bij uitstek. Aan zijn behoefte aan ordening en controle onder meer hebben we de overvloed van het overgeleverde materiaal te danken; erfgoed in de strikte zin, dat ons meer dan bij enig ander figuur uit de gouden eeuw inzicht geeft in het dagelijks doen en laten van een man op een knooppunt van de samenleving en de beschaving in de Republiek'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's