Beheerst door het materialisme
De Westerse cultuur
'Jullie hebben horloges, wij hebben tijd', zeiden ooit jongeren uit Afrika, die hier bij de kerken op bezoek waren. Daarmee gaven ze op z'n minst aan nog niet gevangen te zitten in een vier-en-twintig-uurs-economie.
Met een variant hadden ze ook kunnen zeggen: jullie hebben geld, wij hebben de (staats)schulden.
Dezer dagen heeft Prins Claus publiekelijk de uitspraak gedaan, dat de dé-kolonisatie vijftig jaar te vroeg is begonnen. Hij bedoelde kennelijk te zeggen, dat de volken van de Derde Wereld geen tijd genoeg hebben gehad om te leren op eigen benen te staan en ook in economische zin een eigen bestaansmogelijkheid te scheppen. Men kan dit natuurlijk ook anders benaderen. Hebben de Westerse landen, in de tijd dat ze nog koloniën hadden, niet te laat ingezien, als het al gezien werd, dat ze een roeping hadden ten aanzien van de volkeren, die ze onder hun bestuur hadden? Hebben ze hun geleerd om datgene wat de bodem aan producten voortbracht - vaak in rijke mate - zelf te gelde te maken, met profijt voor de eigen mensen?
De Westerse landen kopen nu hun schuld af met ontwikkelingssamenwerking en internationale hulpverlening. Niemand die er minder van wordt, persoonlijk niet en collectief niet. Alle internationale hulp blijkt intussen een druppel op een gloeiende plaat te zijn. Arme landen worden armer, rijke landen worden nog steeds rijker. Aan de ene kant worden de kuilen dieper, aan de andere kant de bergen hoger. Economische verhoudingen in de wereld lijken duurzaam ontwricht. En minister Pronk moet optomen tegen vooroordelen van velen, die zijn budget voor ontwikkelingssamenwerking aanvechten met een beroep op 'de bodemloze put', terwijl ons eigen aanvechtbare verleden wordt vergeten.
Consequenties
Het rijke Westen heeft inmiddels wel in geestelijk opzicht de rekening gepresenteerd gekregen. Vorig jaar zei prof. dr. E. B. Schuurman ter gelegenheid van de oprichting van een Instituut voor Cultuur Ethiek, dat we goed moeten beseffen dat onze cultuur door materialisme wordt beheerst. Dat valt niet tegen te spreken. Economische wetten dicteren onze samenleving, met alle zedelijke gevolgen overi gens van dien. In een intro, bij een interview met Schuurman in het Reformatorisch Dagblad, werd gezegd: 'Onderwijl reduceert de mens zichzelf tot een materialistische, louter consumerende loonslaaf voor wiens aangeprate behoeften natuurlijke rijkdommen in snel tempo worden uitgeput'.
De Westerse mens is grosso modo een materialistisch ingesteld mens geworden. Niet zonder reden zegt Schuurman dan verder - ik kom daar nog op terug - 'En het ergste is dat de gereformeerde gezindte vrijwel kritiekloos meedoet.'
De consequenties van het materialistische levensgevoel zijn alom tastbaar en voelbaar. De politiek wordt erdoor beheerst. In de negatieve bejegening van allochtonen hier te lande spelen openlijk of heimelijk materialistische motieven een grote rol: Hun opvang gaat ten koste van onze portemonnee. Ik weet heel wel, dat hier niet alles mee is gezegd, niet alle bezwaren tegen hun instroom zijn verwoord. Er kunnen juist ook materialistische motieven een rol spelen waarom mensen van elders zich hier vestigen. En ik onderschat de ernstige consequenties van vermenging van culturen niet. Maar is veel verzet tegen hun komst of verblijf of opvang niet van louter materialistische aard?
De laatste jaren ervaar ik steevast op schokkende wijze de consequenties van zulk een materialistische instelling. In deze tijd van het jaar verblijf ik twee weken op een plek, waar ook Oost-Duitsers en West-Duitsers elkaar 'ontmoeten'. Welnu, ze zijn lucht en vreemden voor elkaar. West-Duitsers hoort men kermen, dat het slechten van 'de muur' hun alleen maar financieel nadeel heeft opgeleverd. Zij zien hun geld nu verdwijnen naar de Oost-Duitsers. Dit jaar zei zelfs iemand letterlijk, dat ze de muur nog meters hoger hadden moeten optrekken. Verachtelijk werd over de Oost-Duitsers als over 'de ossies' (op de klank af geciteerd) gesproken.
Uitingen als deze zullen (hopelijk) niet algemeen zijn. Maar het zijn wel symptomen van een mentaliteit, waarin uitsluitend gedacht wordt aan het eigen belang. Terwijl (nota bene!) de tweedeling van Duitsland een gevolg is geweest van de gruwelen, die Duitsland in de veertiger ja ren de wereld aandeed, en terwijl (nota bene!) uitgerekend Duitsland na de Tweede Wereldoorlog als het Wirtschaftswunder tevoorschijn kwam, zijn in veertig jaar tijd landgenoten vreemden voor elkaar geworden, vanwege materialistisch bepaalde ik-gerichtheid.
Maar we behoeven hier niet louter naar Duitsland te kijken. Schuurman heeft gelijk: onze hele Westerse cultuur wordt door materialisme beheerst. Zou hier soms niet de grondoorzaak van het verval van normen en waarden liggen? De geld-gierigheid (begerigheid) is de wortel van alle kwaad zegt de Schrift.
Gereformeerd
Wanneer we totale verdorvenheid van de mens belijden - geneigd tot alle kwaad - zal er geen enkele categorie mensen zijn, waar het kwaad van het materialisme geen toegang heeft. Het gaat niet aan om hier de beschuldigende vinger eenzijdig naar bepaalde groepen te richten. De vraag is echter wel naar welke normen, inzettingen, men belijdt te leven en ook metterdaad wil leven. Als het waar is, dat ook de gereformeerde gezindte zich kritiekloos in de materialistische levensgang van onze cultuur laat meenemen, is het de vraag of hier de normen van Gods Woord dan buiten beschouwing mogen blijven. Het gaat toch niet aan enerzijds krachtdadig de eis van het gebod, voor mens en samenleving, te stellen, bijvoorbeeld als het gaat om zaken als de pro-lifekwestie, de zondagsviering of de vragen van de zedelijkheid, en anderzijds, zodra het om de materie gaat, de teugels te vieren en te doen alsof er geen God en geen meester is? En worden ook de stormlopen tegen de vier-en-twintig-uurseconomie niet ongeloofwaardig wanneer de problematiek helemaal of vooral wordt toegespitst op de zondag, terwijl verder een materialistische levenshouding, gericht op gewin, luxe en consumptie, tot het normale levenspatroon behoort?
Calvijn heeft op dit terrein in zijn tijd niet nagelaten ook richtlijnen te geven. Te denken valt aan zijn visie op rente. Met een beroep op Lucas 6 vers 35 stelde hij, dat men niet mag lenen met de hoop er iets voor terug te ontvangen. Daaruit concludeert hij, dat men weldadig moet zijn tegenover de armen en dat men geen misbruik van anderen mag maken. Aan behoeftige mensen moet men bijvoorbeeld 'consumptieve' leningen, zonder rente geven. Ligt hier niet een richtlijn voor leningen aan Derde Wereldlanden? Er zijn organisaties, die als doelstelling hebben bedrijfsvoering in arme landen te ondersteunen door het verstrekken van leningen tegen lage rente. Dat is gebaseerd op een goed, gereformeerd principe. Vinden zulke activiteiten respons in de gereformeerde wereld?
Daarnaast spreekt Calvijn ook over 'productieve' leningen. Dan mag men rente vragen om met het geld nieuwe winst te verwerven. Maar - zegt hij - die rente moet wel in overeenstemming zijn met 'natuurlijke billijkheid'. Rijkdom staat niet 'tot een onbeperkte beschikking van de bezitter', zegt hij in dit verband. Het gaat in dit alles ook om verantwoord rentmeesterschap en soberheid.
Leefwijze
Het is op grond van dit alles, dat in de traditie van de Reformatie ook het beheer van de materiële goederen op de noemer van het rentmeesterschap voor Gods Aangezicht werd gesteld. Dat betekende onder andere, dat inkomsten uit loterij, kansspelen en gokken contrabande waren. Zelfs speculatie op de geldmarkt stond onder kritiek. Woekerrente moest worden voorkomen.
Zijn hier echter misschien geruisloos verschuivingen opgetreden? Het moet wel zeer schrijnend heten, dat inzake pyramidespelen vandaag de gereformeerde gezindte in het centrum van het nieuws staat. Om maar te zwijgen van de kennelijke noodzaak om het geldelijk beheer van organisaties te gaan toetsen. Loterij in oude of nieuwe vormen wordt nog steeds breed binnen het gereformeerde volksdeel afgewezen, maar wordt anderzijds de kameel niet doorgezwolgen? (Mt. 23 : 24). Betekent dat niet, dat er sprake is van een verengd zicht op de heilzame geboden of van een dubbele moraal? De wetten van het Koninkrijk Gods, waarin rentmeesterschap, billijkheid en soberheid centraal staan, zijn dan kennelijk buiten beeld geraakt.
Weer zeg ik: wie zal hier eigen handen in onschuld wassen? We maken allen deel uit van een materialistische cultuur en niemand komt daar zonder kleerscheuren en met schone handen uit. Is echter onze cultuur niet ook gekenmerkt door verval van normen en waarden, met gevaren en consequenties voor ieders leven? En hier proberen we de banier toch hoog te houden? Als we juist op dat vlak elkaar en de samenleving herinneren aan de normen, ons in het Woord gegeven, zouden we het dan niet moeten doen ten opzichte van 'geld en goed'? Is het materialisme niet de wortel van alle kwaad? Het moet toch beschamend heten, dat juist in concrete uitingen van materialisme de gereformeerde gezindte telkens in het nieuws is?
Voorbeeld
Ik begon met de uitspraak van de Afrikaanse jongeren: jullie hebben horloges, wij hebben tijd. Intussen waren ze ook stomverbaasd bij het zien van zoveel luxe. Ze verbaasden zich telkens weer, alleen al wanneer ze onze supermarkten betraden.
Bij internationale hulpverlening wordt - terecht - de vraag naar de besteding gesteld. Komt het geld goed terecht? Die vraag mag echter dunkt mij alleen worden gesteld wanneer deze eerst naar de eigen situatie toe wordt doorvertaald. Hoe is ons Westerse bestedingspatroon? Hoe zit het wat dit betreft met het rentmeesterschap, zowel als het gaat om de manier van geldverwerving, als met betrekking tot geldbesteding? Doen we in het geheel van de wereldverhoudingen een 'duit' in het zakje?
Maar zou dan niet tevens de vraag gelden:
'Zal een mens God beroven? ' (Mal. 3 : 8).
Schuurman zei in het eerder genoemde interview: 'Als wij noties als vreemdelingschap en bijwoner zijn op deze wereld in relatie zouden brengen tot wat wij behoren te doen in de cultuur, zouden we veel meer afstand nemen van de huidige ontwikkelingen en zouden we veel kritischer zijn.'
Bidstond
Volgende week is het bidstond voor gewas en arbeid. Agur bad: armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood van het mij bescheiden deel' (Spr. 30 : 8). Zo'n gebed staat haaks op materialisme. Kunnen we in onze context dit gebed nog met een goed geweten en een eerlijk (gemaakt) hart bidden? En wat staat in de arbeid centraal, het gewin of de zin?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's