De vreemdelingschap belijden
Op de dag, waarop we belijdenis van het geloof afleggen lijkt het wel of de hele wereld onze vriend is.
Daar is de ontroerde dankbaarheid van onze lieve ouders, hun zoon of dochter, die zij eens ten doop hebben gehouden, nu van harte ja zegt op Gods grote beloften, die in de heilige doop gegeven zijn.
Familie en vrienden tonen hun blijde meeleven in een hartelijke gelukwens.
De gemeente staat op en zingt als met één stem ons de zegen van de Heere toe.
Op die hoge dag voelen we ons verbonden met de wolk van getuigen, die voor ons zijn geweest en met hen, die nu in dit heilig uur rondom ons zijn. We weten ons omringd met de wijde kring van allen, die hetzelfde dierbare geloof belijden.
Maar niet altijd is dit zo, zeker niet in de wereld van nu. Het kan zijn, dat een jongere daar staat tussen de andere belijdeniscatechisanten, maar hij voelt zich eenzaam, want zijn eigen ouders zijn niet in de kerk; zij vinden de keus van hun kind overdreven. Of ouders zijn er zonder hun kinderen, die zich generen, omdat 'oude mensen' op hun leeftijd nog zo iets doen. Familieleden vinden het geheel overbodig, omdat, naar hun mening, je best kan geloven zonder dat er kerkgang of belijdenis bij is. Het kan zelfs zijn, dat leden van de gemeente met een koele gelukwens ons begroeten.
In dit alles tekent zich iets af van de vreemdelingschap, waarover we willen denken. En die we allen in mindere of vaak in meerdere mate ondervinden.
Wat bedoelen we met vreemdelingschap?
De vreemdeling was in de tijd van de Bijbel meestal arm, onbeschermd, rechteloos; zij waren er wel, maar behoorden er eigenlijk niet bij; ze werden niet gewenst maar enkel geduld. Zij doen ons denken aan asielzoekers bij ons en nog meer aan de verdrevenen of verjaagden uit andere landen, die nergens welkom zijn, weerloos overgeleverd aan machten, die hun vijandig gezind zijn of geheel onverschillig laten. Die vreemdelingschap dreigt ook voor ons meer en meer het geval te worden.
Vroeger was, en gelukkig ook op vele plaatsen is dit nu anders. Het doen van belijdenis werd en wordt gewaardeerd om meer dan een reden. Lidmaat van de kerk zijn gaf zelfs een zekere status, bood voordelen. In oude Rotterdamse kerkboden vond ik advertenties, waar dames, die zelf nooit in de kerk kwamen een 'dienstbode' vroegen of ander personeel zochten. Zelf 'deed' men niet aan de kerk, maar de gedachte leefde, dat bij mensen van de kerk er meer betrouwbaarheid en plichtsgevoel zou zijn. Lidmaat van de kerk zijn gaf een goede indruk wanneer men solliciteerde.
Nu is dit wel heel anders geworden. We staan als belijdende leden van de kerk of als kerkmensen in de moderne samenleving kwetsbaar, onbeschermd, eenzaam: we worden in de wereld steeds meer vreemdeling. Zo ervaren wij het zelf en zo worden we meermalen bezien. De vreemdelingschap, waarvan de Schrift spreekt, is voelbaar aanwezig.
Op school, waar we de enige zijn, die naar een kerk gaan of belijdenis van het geloof afleggen, op kantoor, waar men beleefdheidshalve ons niets in de weg legt, maar ons beschouwt als ongevaarlijke zonderlingen, die niet met hun tijd meekunnen, op de zaak, waar de dingen, die ons door Gods genade bezighouden, in de gesprekken niet meer aan de orde komen. En als we er over trachten te praten, vinden we onbegrip en nauwelijks verborgen afweer; en wat hen bezighoudt ligt ver buiten onze wereld.
Zonder ons hoogmoedig op te stellen - een gevaar, dat niet denkbeeldig is! - beleven we de woorden van een psalmist van eeuwen geleden:
Ik ben, o Heer, een vreemd'ling hier beneên.
Ik denk met diep respect aan jongeren en ouderen, die dit meemaken. In de steden kan het gebeuren, dat kinderen geen enkel vriendje in de kerk ontmoeten of dat er zelfs geen één kind in de kerk is. Aan jongelui, die daar zitten tussen ouderen, vaak mensen, die hun ouders of zelfs grootouders zouden kunnen zijn. Mensen, die de enigen uit de straat zijn, die op zondagmorgen door de stille straten kerkwaarts gaan. Maar zij doen dit wel, Gode zij dank. Maar eenzaam zijn ze ook, vaak heel eenzaam. Een psalmist klaagt, dat hij een vreemdeling is in Mesach - een onheilig en goddeloos volk, zegt de kanttekening van de Statenbijbel. In gesprekken hoorde ik vroeger deze uitdrukking herhalen, men voelde zich in Mesech, aanduiding van de vereenzaming.
Is dit zo vreemd?
We klagen en we lijden onder dit vreemdeling zijn, maar is dit voor een christen zo vreemd? Petrus ontmoette in zijn dagen mensen, die ontzet waren door de verdrukking, die hen overviel van de zijde van de heidenen. Het is opvallend, dat Petrus hen dan niet beklaagt - al spreekt hij hen wel aan met geliefden; hij leeft wel degelijk met hen mee. Maar hij zegt, dat men zich niet vreemd moet houden, wij zouden zeggen, dat men niet vreemd moet opkijken over de hitte der verdrukking 'alsof ons wat vreemds overkwam'. Waarom? Omdat de christenen - Petms spreekt daarvan in hetzelfde hoofdstuk - zich vréémd - weer datzelfde woord maar met een andere inhoud - houden van wat anderen doen tegen Gods geboden in. Die anderen bevreemdt het, dat zij zich afzijdig houden en zij leggen dat uit op een vijandige wijze. Maar Petrus vindt dit alles niet vreemd, hij kent het uit eigen ervaring, weet, dat dit lot een kind van God kan treffen.
Het laat zich aanzien, dat dit zich ook in ons land in meerdere mate zal doen gelden. De moderne samenleving houdt steeds minder rekening met Gods geboden of gaat er duidelijk tegenin. De voorbeelden zijn in elke krant bijna dagelijks te lezen. En velen van ons ervaren dit aan den lijve: vereenzaamd, een vreemdeling. Weer komt de psalm, waarin over Mesech wordt gezucht, me in de gedachten in de barre vertolking van Gabriel Smit:
Ach, dat ik wonen moet in schuwe holen, verdreven uit Uw hof,
- in Mesechs tenten sidderend verscholen,
vluchtend naar Kedar in waanzinnig dolen
brandend in bloed en stof.
Dit is de diepe en donkere vreemdelingschap.
Nu val ik mezelf in de rede
Geldt dit nu, als we eerlijk zijn, van ons allen? We mogen geloven in de gemeenschap der heiligen, waarin we als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Maar ook iets ondervinden van de gemeenschap met anderen, zodat wij de broeders en zusters ziende moed vatten. Er zijn nog veel goede dingen in Israël en ook in ons land en onze gemeente.
Ik denk aan twee verloofden, die nu samen belijdenis van het geloof afleggen en over enkele maanden hier weer in de kerk zullen staan, als hun leuke flat klaar is, om hun huwelijk 'voor de gemeente van Christus te laten bevestigen'. Ik zie voor me jongeren, die met hun vrienden kunnen dollen, maar ook samen danken. Of aan een gezin, dat niet alleen - naar oude woorden - een vluchtheuvel in de wereld is, maar ook een kleine kerk in Gods grote kerk. Waar 'allen saam voor God als Heiland knielen en aan Zijn dienst zich ieder heeft gewijd'. Hoe kunnen we dan zeggen, dat we vreemdelingen zijn, terwijl er alle reden is met de vrouw uit Sunem te zeggen: Ik woon in het midden van mijn volk? En dit volk was Israël! Dat volk kan voor ons zijn ons gezin, onze kring van vrienden en als liet goed is ook de gemeente, waartoe we behoren. En wat beleeft u, wanneer u met anderen mag aanzitten als nieuwe lidmaten of als mensen, die eerder de naam van onze God hebben beleden aan de tafel van het heilig avondmaal? Als het goed is mogen we daar iets proeven van de rijke woorden van ons avondmaalsformulier, dat we om Christus' wil, Die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad allen tesamen één lichaam zijn en dit niet alleen met woorden maar ook met de daad jegens elkaar bewijzen.
Maar het andere is ook waar! Wij belijden onze vreemdelingschap. Het is duidelijk, dat het hierbij niet gaat om enkele woorden, maar om ons hele wezen, ons geloven, ons doen, ons zijn.
Hoe goed wij het ook mogen hebben - en we danken God daarvoor - we kennen ook de waarheid van het Schriftwoord, dat we hier geen blijvende stad hebben. Ons burgerschap is, als we de Heere kennen, in de hemel. Paulus schrijft dit aan mensen, die zich in een vreemd gebied hadden gevestigd. Daar zijn ze immigranten, maar hun eigenlijk thuis is in de hemel, zij mogen burgers zijn van het Koninkrijk van God. Zo zal iedere christen, zonder de wereld te verachten, zich 'vreemd' voelen, want hij behoort bij een ander Rijk.
Dat nu belijden we niet met woorden alleen, maar als het goed is zoals onze hele belijdenis ook metterdaad. Onze levenshouding wordt, dat we rekening houden met het betrekkelijke van al het aardse. En met de diepe vreugde, dat er iets anders is. Het kan zijn, dat we naarmate we ons hier meer als vreemdeling voelen, weerloos, onbeschermd, geduld en misschien zelfs veracht, met te meer dankbaarheid zullen weten, dat er meer is dan dit. Een dichter uit 1600 zei er van: Het lijdelijke is lijdelijk, want het is tijdelijk. Vreemdelingschap is tijdelijk.
Vreemdelingschap is echter geen vlucht uit de werkelijkheid van nu. De Heere heeft ons naar Zijn raad en welbehagen niet doen leven in vorige eeuwen, maar ons geplaatst in 1997. En juist omdat de tijden boos zijn, zullen we de tijd uitkopen, alle mogelijkheden ten nutte maken. De tijden zijn boos; dat houdt niet in, dat we ons moedeloos uit die boze wereld terugtrekken, maar juist iedere gelegenheid aangrijpen om iets te doen, te zijn. Juist nu grijpen we de kansen van God ons gegeven.
Zal dit resultaat afwerpen? We kunnen moedeloos worden, moedeloos en daardoor dadenloos. Maar zolang we mogen belijden, dat we geloven in God de almachtige Vader en in Jezus Christus, die aan de rechterhand van de almachtige Vader is gezeten en in de Heilige Geest wordt ons belijden nooit een klank maar een kracht. De weerloze en onbeschermde vreemdeling mag zijn kracht vinden in de belijdenis van de drie-enige God.
Hij staat daarin niet alleen, maar weet zich geplaatst in de rij van Abel en Henoch, van Noach en Abraham, van aartsvaders en het volk Israël, dat als vreemdeling verkeerde in Egypte. Zij allen - God geve: wij allen - verwachten de stad waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God is. Daar woont Abraham niet meer in een tent, maar in een stad, daar komt de vreemdeling voor altijd thuis.
Wij belijden onze vreemdelingschap, maar in onze ogen brandt het verlangen naar het Jeruzalem, dat boven is: Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd, naar U verlangt mijn hart.' Van verre reeds heeft U mijn oog aanschouwd.
Iedereen?
Wie is nu de vreemdeling, die thuiskomt in de gouden hemelstad? Zouden we kunnen zeggen, dat dit geldt voor elk, die in zijn leven iets leerde kennen van een bekend versje: Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart; Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart. Maar door Gods Geest werd hij aan zichzelf ontdekt. En hij vluchtte tot Jezus Christus, Die alleen zijn gerechtigheid is. En zo - en dat geldt ook voor ons - en zo alleen reizen wij naar het erfgoed daar Boven in 't Vaderlijk huis. Door dat geloof hebben de aartsvaderen al Gods kinderen van alle tijden en ook van de onze, hun vreemdelingschap zien eindigen in het Vaderhuis met vele woningen.
Een stoet van patriarchen en profeten, apostelen en martelaren, mensen van toen en nu hebben beleden, dat ze vreemdelingen waren maar in de Heere Jezus Christus, Die Zelf op aarde geen plek had om het hoofd neer te leggen. Wiens wieg een kribbe en Wiens troon was een kruis, kwamen en komen wij voor eeuwig thuis, THUIS.
Daar is de vreemd'lingschap vergeten; en wij, wij zijn in 't Vaderhuis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's