Uit de pers
Kunst en kruis
Voor velen om ons heen heeft de kerk als instituut zijn betekenis verloren. Die kerk was altijd de plaats waar je terecht kon met je typisch menselijke vragen naar zin en doel van lijden en verdriet. Er werd troost verkondigd en geboden. De antwoorden die we als kerken altijd gaven, schijnen bij velen niet meer aan te komen de hele Boekenweek over God ten spijt. Toch blijkt er vraag te zijn naar zingeving, is er een markt voor boeken over religie. Het bezig zijn in gesprek en geschrift met God schijnt weer te mogen hoewel, mits niet kerkelijk ingekaderd en verkondigend gebracht. Er is publiek dat geïnteresseerd is in de Bijbel, omdat men beseft dat daar wortels liggen van onze eertijds christelijke cultuur.
In Kerk en Theologie, jrg. 48 no. 1, januari 1997, schrijft ds. C. van der Zwaard (herv. pred. te Deil) een boeiend artikel over Gelijkvormig aan zijn dood - Over cultuur en kruis.
Hij begint zijn verhaal met een citaat uit de rede die de Japanse Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë hield in december 1994 toen hem de prijs voor literatuur werd aangeboden. Oë geeft aan dat het zijn streven is al schrijvend woorden te vinden die helende en genezende betekenis hebben voor gewonde zielen. Kunst als troost bedoeld. Niet afdoende troost, maar wel tijdelijke heling en hulp in gebrokenheid van hart. Ds. Van der Zwaard stelt zich in zijn bijdrage de vraag: wat is de betekenis van Jezus voor de cultuur? Hij zet binnen de kunst alles op de noemer van lijden, verzoening en troost. Toegespitst op de persoon van Jezus krijgen deze drie begrippen hun grootste diepgang in zijn kruis. Hij bespreekt dan een aantal gedichten waarin het kruis een plaats heeft van Nel Benschop, Rutger Kopland en R. S. Thomas. Om praktische redenen citeer ik slechts uit wat hij o.a. schrijft over Benschop en Kopland.
'Nel Benschop is een dichteres, die zowel wordt gewaardeerd als verguisd. Voor de een raakt zij met haar gedichten aan de kern van het christelijk geloof, voor de ander schrijft zij religieuze pulp. Feit is dat enorm veel mensen troost vinden in haar verzen. Daarmee is niet gezegd dat de gedichten van Nel Benschop géén pulp zijn, want pulp heeft juist de functie om te troosten, zoals ik al opmerkte. Aan de andere kant is er geen reden om zomaar op deze gedichten neer te zien, zoals vanuit literaire hoek vaak gebeurt. In de eerste plaats pretendeert de dichteres helemaal niet dat zij literatuur schrijft. Bovendien merkt Robert Anker (sic!) terecht op: "Het zal nooit goed te achterhalen zijn of de intentie van Neêrlands meest verkochte dichteres, Nel Benschop, zoveel anders is dan die van haar geloofsgenoot Gerrit Achterberg".
Hans Werkman, die een boekje over Nel Benschop schreef, constateert, dat vanaf 1973 "al die gedichten zijn betrokken op het hart". Hij ziet dat in "haar nadruk op het persoonlijke, hartelijke geloof, de overgave - van harte - aan God die het leven leidt, bij wie ze veilig is". De vraag voor mij blijft hoe die ruimte van het hart wordt gevuld, zeker ten overstaan van het kruis en het lijden. Een antwoord op die vraag zoek ik aan de hand van het gedicht Via Dolorosa.
Hier, op deze weg, heeft mijn Heiland gelopen
omstuwd door de mensen, maar doodlijk alleen;
hier schreeuwden de kijker, de monden wijd open
de harten gesloten. Hier klonk het geween
van vrouwen, uit deernis met Hem, Die hun Vriend was,
gebogen en struikelend onder het kruis;
was dit de Beloofde? was dit de Messias?
en ging zó de Zoon naar Zijn vaderlijk huis?
O weg vol van smarten - nu lopen er mensen
die nauwelijks denken aan wat er die dag
die vrijdag van angsten, van haat zonder grenzen,
met Jezus gebeurde. Gepraat en gelach
verdringen gevoelens. - Als eeuwen geleden
gaan mensen Uw Goddelijke liefde voorbij;
men plukt elke dag en men leeft bij het heden...
Ach Heer op Uw lijdensweg, wend U tot mij!'
Over dit gedicht maakt ds. Van der Zwaard een reeks opmerkingen en plaatst er kanttekeningen bij. Hij vindt het niet in alle opzichten even sterk, juist omdat de aangeroerde problematiek niet helder verwoord wordt.
'Het gaat mij er niet om, dat alles in een gedicht glashelder moet zijn. In een goed gedicht blijft altijd een zekere geheimzinnigheid over, maar dan gaat het wel om een geheimzinnigheid, die het gedicht zijn kracht geeft. Via Dolorosa is een eenvoudig gedicht, maar desondanks blijft er te veel onduidelijk of onlogisch. In dit geval is dat een verzwakking. Behalve de waarschuwing tegen onverschilligheid, is de enige boodschap, die van dit gedicht overblijft een algemene: als de Heer zich tot je wendt, dan komt het goed. Nu is dat naar mijn mening wel de boodschap waar Nel Benschop vol van is - en dat mag ze van mij zijn - maar dat ontslaat haar niet van haar ambtelijke taak als dichter, om te zorgen dat haar verzen - hoe eenvoudig ook - goed in elkaar zitten. De boodschap zit hier het gedicht in de weg en daardoor gaat het gedicht de boodschap in de weg zitten. De oplossing komt te gemakkelijk. Nel Benschop had in dit geval minder gauw tevreden moeten zijn. Ze was hier zo vol van haar boodschap, dat ze te snel voldaan was met het gedicht. Juist die volheid is kenmerkend voor Nel Benschop. Zij is er van overtuigd dat God de weg wijst in het leven. De kernwaarheid is volgens haar: "de Almachtige heeft ons lief, ook al begrijpen we Hem niet". Hans Werkman noemt het een overheersend gevoel van geborgenheid en veiligheid. Dat gevoel blijft, ook als het gaat om de grote waaromvraag. De dichteres zegt: "Ik heb ook mijn duizenden waaroms, maar ik heb iets geleerd van Job. Die zei in zijn lijden: "'Ik leg mijn hand op mijn mond en ik zwijg'". Paulus zegt dat wij ten dele kennen. Daarom heb ik ook geen antwoord op Auschwitz. Ik weet slechts één ding: dat ik met die vraag verder kan leven. Omdat ik vast vertrouw op Gods liefde. Op aarde zie je Hem in een beslagen spiegel, maar eens zullen wij Hem zien van aangezicht tot aangezicht". Ik wil daar wel bij aantekenen, dat Job pas zweeg, na zijn intense klacht en nadat God zich aan hem geopenbaard had. Die openbaring van God ziet Nel Benschop volkomen in de persoon van Jezus die de lasten van de mensen heeft gedragen. "God zij dank: de Heer droeg onze smart!" Van dat geloof is de dichteres vervuld.'
Er wordt nog een gedicht van Benschop geciteerd en daarover wordt in verband met het thema 'Kunst en troost' het volgende opgemerkt:
'Wat leegte voor haar betekent, wordt goed uitgedrukt in het gedicht Maria bij het kruis. Dit vers is geschreven bij Johannes 19 : 26, waarin Jezus vanaf het kruis tegen zijn moeder Maria zegt: Vrouw, zie, uw zoon', en tegen zijn discipel Johannes: Zie, uw moeder'. In het gedicht van Nel Benschop reageert Maria dan als volgt:
En nu, hier bij Zijn kruis, voel ik mij meer alleen
dan ik ooit bij Zijn leven heb ervaren.
Zeg mij, Johannes, waar wijst Hij mij heen?
Moet ik jou moeder zijn? Moet jij de jaren
dat ik nog leven moet, mijn droom bewaren?
Of zendt Hij mij. Zijn moeder, ledig heen?
De grote angst voor Maria is de angst om ledig heen te worden gezonden, ledig, dat wil zeggen, zonder Jezus. Mijns inziens geldt dat ook voor Nel Benschop zelf. Voor haar is leegte een leven zonder Jezus, zonder God. Anders gezegd: leegte is leven op Goede Vrijdag en geen benul hebben van Pasen, leegte is het kruis zonder opstanding. Omdat Jezus is opgestaan is de angst voor de leegte echter teniet gedaan. Het kruis is leeg, omdat Jezus leeft. Het lijden is gedragen en hoeft ons dus geen doodsschrik meer aan te jagen.
Er is nog hoop, waardoor wij kunnen leven: Christus, Die uit de dood is opgestaan! Dit is de waarheid, die u dóór mag geven: alleen door Hém kunnen wij voortbestaan.
Nel Benschop geeft die waarheid gretig door. Ze doet dat in eenvoudige verzen, waarvan in alle eenvoud de kwaliteit soms heeft te lijden onder haar gretigheid. De beelden die ze gebruikt zijn bijbels en bekend aan mensen met enig besef van het christelijk geloof. De vragen die ze stelt, staan in het licht van het vertrouwen, dat God sterker is dan lijden en dood. Het kruis van Jezus is vooral daar het teken van. De nadruk ligt op het feit dat Jezus voor ons is gestorven en opgestaan. Alles wat de mensen nog hebben te doen, is hun hart volkomen te laten vullen door God, aldus Nel Benschop. Het is haar troost en verzoening in en door het lijden heen. Het liefst zou ze willen, dat de hele cultuur doortrokken wordt van dit besef. Te vrezen valt echter, dat sommige harten, buiten en binnen de kerk, gesloten zullen blijven.'
Daar heeft ds. Van der Zwaard gelijk in, vermoed ik. Juist met een Jezus die in onze plaats sterft, hebben velen niets meer wat hen raakt en aanspreekt. Er wordt als voorbeeld van hen een andere dichter besproken: Rutger Kopland. In de ter gelegenheid van de Boekenweek 1997 door de CPNB uitgegeven actiekrant, staat ook een gesprek van ds. Johan Goud met hem te lezen over de relatie tussen religie en poëzie. Wij blijven bij het artikel van ds. Van der Zwaard.
'Voor de dichter Rutger Kopland (pseudoniem van de hoogleraar psychiatrie R. H. van den Hoofdakker) is de wereld van Nel Benschop verleden tijd, het is "de goudgele wereld van de kinderbijbel". Hij kent de verhalen, de woorden goed. Dat is één van zijn eerste bezwaren tegen die wereld: "Voor mij was het Woord dat gesproken was over onze existentie het laatste woord als het ware. Wij hoefden niet meer naar eigen woorden te zoeken wanneer het ging om de grond van ons bestaan".
Aan de hand van het gedicht Al die mooie beloften hoop ik duidelijk te maken hoe en waarom Rutger Kopland afscheid neemt van die geloofswereld. Het is het eerste gedicht uit de bundel Dit uitzicht. Veelzeggend is in dit verband de titel van Koplands vorige bundel. Die luidt namelijk ook Al die mooie beloften. Het gedicht lijkt dan ook een commentaar te zijn bij de vorige bundel. In die bundel staat een reeks gedichten onder de titel "G". De verleiding is groot om voor die G God in te vullen. Kopland laat dat open. Die G zou bijvoorbeeld ook voor geliefde kunnen staan. Over die G dicht Kopland: "Ik// probeer weer, /te zeggen, hardop: laat me niet alleen. Maar ik/kan niet, ik kan dat, uit mijn mond, niet meer horen". De dichter wil G niet meer op de oude manier aanspreken. Later kijkt hij terug naar vroeger en schrijft: "Ik wist nog niet dat jij er zonder mij niet/meer zou zijn, dat jij bestond door mij". Oftewel: G was een projectie, een fantasie. Nu, in het eerste gedicht van de volgende bundel, kijkt de dichter terug op
Al die mooie beloften
De grazige weiden, de stille wateren,
ik heb ze gezocht en inderdaad
gevonden, ze waren nog mooier
dan mij was beloofd,
prachtig.
En in dit liefelijk landschap de zoon
van de maker, aan een boom genageld,
maar geen spoor van geweld
of verzet, alleen maar
vrede, rust.
Zijn lege ogen kijken het landschap in,
om zijn mond spelen eeuwige vragen,
waarom dan, wie ben je,
waar was je, e.d.
Zonder verwijt, hij moet hebben geweten
wat er zou gaan gebeuren.
Ik heb geen antwoord.
In de eerste strofe wordt duidelijk, dat de beloften verwijzen naar een paradijselijke situatie, naar een land van melk en honing. Het zijn de woorden van psalm 23, die dit landschap oproepen. Het probleem van een gelovig mens is vaak, dat deze paradijselijke situatie onvindbaar is. Kopland weet dat natuurlijk ook, maar hij verbaast zich erover dat iemand in zo'n toestand, waarin hem van alles ontbreekt, blijft volhouden: "mij zal niets ontbreken". Hij verzet zich tegen de belofte dat alles wel goed komt. Zijn verzet geeft hij opvallend genoeg vorm door te beweren, dat hij dit gezochte landschap wel heeft gevonden. Daarin schuilt nu juist de ironie. Het gevonden landschap is niet wat het is. Het is mooier dan beloofd en tegelijkertijd wordt die liefelijke schoonheid ontsierd, "door de zoon/ van de maker, aan een boom genageld". Midden in de idylle van psalm 23 staat een boom - symbool voor het kruis - waar Jezus aan hangt. Psalm 23 zegt: ik vrees geen kwaad, maar hier is het kwaad aanwezig. Toch wordt het niet als kwaad benoemd. Integendeel, de gekruisigde Jezus maakt deel uit van de vrede en de rust. Hij hangt daar, alsof hij nooit ergens anders heeft gehangen en ook niet zou willen hangen. Zijn ogen zijn leeg. Is Jezus dood? Hij neemt in ieder geval niets meer met zijn blik op dan leegte. Er is nog wel wat aan hem te zien: "om zijn mond spelen eeuwige vragen, /waarom dan, wie ben je, /waar was je, e.d.". Het zijn vragen van de zoon aan de maker. Zelfs deze diep menselijke vragen brengen geen onrust, geen onvrede. Het tafereel blijft liefelijk. "Zonder verwijt, hij moet hebben geweten/wat er zou gaan gebeuren". Het lijkt wel alsof Jezus tevreden is met zijn eigen aanwezige afwezigheid. Slechts aan het kruis is hij aanwezig, maar dan wel als dode of stervende. Kopland schildert een landschap waar het lijden in alle rust deel van uit maakt. Blijkbaar is dat de wil van de maker. Niets of niemand reageert. Alles en iedereen vindt het gewoon. Behalve de dichter. Hij zegt: "Ik heb geen antwoord".
Die reactie is precies zijn antwoord. Daarmee zegt Kopland, dat hij geen antwoord heeft op eeuwige vragen, geen antwoord op de zoon, geen antwoord op de maker, geen antwoord op deze hele situatie, waarin lijden synoniem lijkt te zijn met lieflijkheid. De dichter kan en wil niet geloven aan een God, die zijn zoon offert. Hij staat daar buiten.'
Na nog twee gedichten van Kopland (gedeeltelijk) te hebben geciteerd en besproken, concludeert ds. Van der Zwaard: In de visie van deze dichter is er geen antwoord op levensvragen en is er geen blijvende troost. Al schrijvend probeert hij 'een lege plek om te blijven'. Het lijden draagt hij door te zoeken naar de troost van de ontroostbaarheid. 'Slechts in de dood valt wie je was samen met wie je bent en met wie je zult zijn. Deze vereniging van verleden, heden en toekomst is een vorm van verzoening. Dan is hij alles in alles of niets in niets.' Van der Zwaard sluit dan af o.a. met deze regels:
'In onze ontgoddelijkte twintigste eeuw is kunst voor sommigen de enige troost geworden om het lijden uit te houden. Het is een droom in de werkelijkheid van slachtoffers. Een illusie die helpt om de leegte uit te houden. De vraag naar de betekenis van Jezus in de cultuur moet worden toegespitst tot de vraag of Jezus nog van enige betekenis kan zijn in die leegte. (...)
De gemeenschap met God loopt langs twee lijnen. De ontlediging van God en de ontlediging van de mens. Als God werkelijk vlees wordt, dan hebben we te maken met een God, die zichzelf van zijn betekenis ontdoet. In Gods ontlediging hebben we te maken met God zonder God. De lijdende Jezus is daar het evenbeeld van. Jezus lijdt als een beeld van Gods bestaan. In dat beeld laat God zich kennen.
In de ontlediging van de mens wordt het menselijk bestaan van zijn betekenis ontdaan. De leegte is zinloos. In de leegte verdwijnt de zin van het leven.
In de diepte van deze dubbele ontlediging kunnen God en mens elkaar ontmoeten. Zij kunnen zich in de betekenisloosheid van de ander herkennen, het lijden delen. God en mens worden aan elkaar gelijkvormig. God neemt het beeld van de mens aan; de mens krijgt een beeld van God.
Het verschil tussen God en mens zit in de bepaaldheid. De mens heeft geen keus. Zijn leven is lijden, zijn bestaan een roof. God is vrij om te kiezen. Hij kan zijn bestaan laten roven. Gods liefde is dat Hij ons dit beeld, deze vormgeving van het lijden, biedt. Dat Hij zich laat weerspiegelen in de vernieling. In de vernieling raakt God aan ons, raakt Hij ons aan en zo raken wij aan God. In het dieptepunt schuilt het raakpunt. Dat een mens in zijn lijdende bestaan niet alleen hoeft te zijn ervaar ik als troost; dat een mens in zijn lijdende bestaan verbonden kan zijn met God ervaar ik als verzoening.'
Als Paulus het over de ontlediging van Jezus heeft, verbindt hij daar de gehoorzaamheid van Jezus aan. Een gehoorzaamheid aan God die Hem tot de dood, ja tot de dood van het kruis brengt. Voor ons heeft die gehoorzaamheid verzoenende kracht omdat Hij zo de schuld van ons verloren bestaan draagt en wegneemt. Van dat wezen van Jezus' lijden lijkt vandaag nog nauwelijks enig besef te zijn overgebleven. Je staat er als mens dan wel uiteindelijk helemaal alleen voor. Je vindt zoals Kopland het zegt en bedoelt pas in de leegte echt rust. Rust valt samen met je verdwijning als mens. Echter, Jezus' kruis verzoent mij met God en brengt mij uiteindelijk thuis in het huis van Vader. Voor het volk van God blijft die rust over.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's