Een rondgang langs zeven nieuwe boeken over God
Boekenweek-theologie in vogelvlucht
Is er nog iets bij waar een mens echt wijzer van wordt of helemaal niets! Dat zal vermoedelijk de vraag zijn waarmee vele lezers van dit blad de golf van publicaties en propaganda ter gelegenheid van de Boekenweek op zich af laten komen. Nog nooit eerder zijn er in ons land in een tijdsbestek van enkele maanden zoveel boeken over God en godsdienst verschenen als juist nu. Menig auteur heeft de Boekenweek aangegrepen voor een publicatie naar aanleiding van het thema 'Mijn God', terwijl uitgeverijen aan de boekenstroom nog de nodige herdrukken en vertalingen toevoegen. Ieder probeert zo z'n graantje mee te pikken, en voorzover het woord 'God' in de titels bedoeld is om daaraan bij te dragen moeten we wel concluderen dat hier sprake is van een kwalijk ij del-gebruik van de Naam voor commerciële doeleinden.
Intussen zien we door de bomen het bos haast niet meer, en dringt zich inderdaad m de vraag op wat temidden van dit alles nu werkelijk de moeite waard is. Misschien valt dat over een jaar of twee beter te beoordelen dan nu. Zo op het eerste gezicht lijken er in elk geval maar weinig boeken bij die het belijden van de kerk der eeuwen aangaande God serieus nemen. Maar het is natuurlijk niet goed op zo'n eerste indruk af te gaan. Op verzoek van de eindredacteur willen we daarom in een kort bestek een zevental in het kader van de Boekenweek verschenen theologische publicaties iets nader bekijken. Dat is al met al slechts een beperkte selectie uit het geheel. Maar elders in dit nummer vindt men nog meer.
Geloof en wetenschap
Laat ik beginnen met twee publicaties, die in de publiciteitscampagnes niet direct de meeste aandacht krijgen, maar die m.i. inhoudelijk wel tot de meest verrassende behoren. Het betreft hier in beide gevallen vertalingen van recente Engelse boeken, geschreven door toonaangevende christelijke godsdienstfilosofen.
Richard Swinburne, hoogleraar te Oxford, trad onlangs vanuit de Anglicaanse kerk toe tot de Oosters-Orthodoxe kerk. Hij heeft een groot aantal zeer doorwrochte publicaties op zijn naam staan, waarin hij allerlei elementen van de klassiek-christelijke geloofsleer probeert te verhelderen en te verdedigen tegen hedendaagse kritieken. Het bestaan van God is het eerste werk van hem dat in het Nederlands vertaald is. Het Engelse origineel ervan verscheen vorig jaar als een populariserende bewerking van een eerdere wetenschappelijke publicatie (The Existence of God). Daarin probeerde Swinburne omstandig aan te tonen dat het - alles op een rijtje gezet - wetenschappelijk gezien waarschijnlijker is dat God wel bestaat dan dat Hij niet bestaat. Swinburne verheelde daarbij niet zelf gelovig te zijn, maar trachtte niettemin in zijn onderzoek zo objectief en 'eerlijk' mogelijk te werk te gaan. Ook in het nu vertaalde boek komt hij van daaruit tot de conclusie 'dat er met een grote mate van waarschijnlijkheid een God bestaat' (p. 155).
Het tweede boek, God, toeval en noodzaak, is van de hand van een Oxfordse collega van Swinburne, Keith Ward. Ward is eveneens een veelschrijver die reeds over tal van wijsgerige en theologische onderwerpen zijn licht heeft laten schijnen. Evenals Swinburne veroorlooft hij zich zo nu en dan een publicatie voor het grotere publiek, en-daaraan hebben we o.a. een mooi boekje over de Bergrede te danken. Ward staat intussen bekend als minder conservatief dan Swinburne. De traditionele opvatting die hij lange tijd voorstond aangaande de uniciteit van Christus en van het christendom heeft hij de laatste jaren helaas ingewisseld voor meer eigentijdse pluralistische ideeën. In het nu vertaalde boek (oorspronkelijk verschenen in 1996) laat hij zich echter weer van zijn meer traditionele kant zien. Op een soortgelijke wijze als Swinburne betoogt Ward, dat het geloof in God de beste verklaring biedt voor het feit dat de dingen zijn zoals ze zijn. Maar anders dan Swinburne gaat Ward daarbij ook in op de meest recente atheïstische aanvallen op het geloof vanuit de kosmologie (Stephen Hawking) en de biologie (Richard Dawkins, Michael Ruse).
Vragen
Als protestant kan men bij beide boeken de nodige vragen stellen. De methode die Swinburne en Ward hanteren is door en door rationeel, om niet te zeggen rationalistisch. Wordt het bestaan van God door hen niet ten onrechte beschouwd als een wetenschappelijke hypothese in plaats van als een geloofszaak? Blijft de rol van de Bijbel als bron en norm van het geloof niet volstrekt onderbelicht? En hoe komt het dat we wel veel lezen over God, maar zo weinig over Israël, over Jezus en over het kruis? Beide boeken staan geheel in de traditie van de zogeheten natuurlijke theologie, waarbij men vanuit de natuur de grondwaarheden van het geloof tracht te bewijzen, m.n. het bestaan van God. Maar kunnen we dat eigenlijk wel, het geloof bewijzen, en moeten we het wel willen? Is het niet haast per definitie een slap aftreksel van het levende geloof dat uit zo'n bewijsvoering te voorschijn komt?
Al dit soort vragen zijn legitiem. Maar ze moeten ons niet uit het oog doen verliezen dat in deze boeken dan toch maar op het hoogst mogelijke niveau apologetiek bedreven wordt. Ik ken geen denkers in Nederland die op dit niveau vanuit het christendom inhoudelijk bijdragen aan het culturele debat over de diepste vragen van het leven. Het beste wat we op dit gebied in Nederland hebben is de publieke verdediging van de overtuiging dat geloof in
God niet onverenigbaar is met de wetenschap (A. V. d. Beukei). Swinburne en Ward gaan een belangrijke stap verder, doordat zij betogen dat het geloof in God uiteindelijk een betere verklaring voor het heelal biedt dan het atheïstisch materialisme van onze tijd.
Gebrek aan visie
Moeten we ons dus in de Boekenweek maar wenden tot de vertalingen van buitenlandse boeken om werkelijk wijzer te worden? Natuurlijk niet zonder onderscheid. Twee andere van oorsprong Engelstalige boeken hebben m.i. wat minder te zeggen. Het raadsel van God van de rooms-katholieke godsdienstfilosoof Peter Vardy (Londen) bijvoorbeeld is typisch een hedendaags leerboek voor de onderbouw van de universiteit. Het laat op een knappe manier zien wat de verschillende alternatieven zijn in de hedendaagse Godsleer, welke problemen elk daarvan met zich meebrengt en hoe men daarmee om zou kunnen gaan. Maar het verdedigt nauwelijks een inhoudelijk standpunt. 'Er worden geen pasklare antwoorden gegeven', heet het dan - nee, maar het was wel zo aardig geweest wanneer in elk geval een theologische visie neergezet en verdedigd was. Die mist men nu in dit boek. Maar Vardy staat in Engeland terecht bekend als een goed en helder schrijvend auteur - en dat zal Callenbach er wel toe gebracht hebben het eens met hem te proberen.
Gebrek aan visie kan men niet verwijten aan Richard Friedman. Deze Amerikaanse hebraïcus is auteur van De verdwijning van God, een studie die sinds enkele maanden vrijwel elke grotere boekhandel in ons land in huis heeft. Friedman probeert in een groots opgezet drieluik te laten zien hoe God zowel in de Bijbel als in onze westerse cultuur hoe langer hoe meer naar de achtergrond is verdwenen, terwijl de mens parallel daaraan juist hoe langer hoe meer tevoorschijn komt als mondige volwassene die zijn eigen lot ter hand neemt. Zeker voor wat betreft onze westerse cultuur laat Friedmans gedachtegang zich goed volgen. Maar als hij vervolgens in het slotdeel een nieuwe hereniging tussen God en mens in het verschiet ziet liggen vanuit verbanden tussen de kabbala (een mystieke stroming in het jodendom) en de Big Bang-theorie, wordt het allemaal erg speculatief en gezocht. Niet direct verplichte lectuur dus - hoewel het boek beduidend minder stuitend is dan de 'biografie van God' die Friedmans landgenoot Jack Miles onlangs over hetzelfde thema schreef.
Nederlandse bijdragen
Dan drie Nederlandse boeken. Typerend voor het post-christelijke klimaat in ons land is De afwezigheid van God van Robert Adolfs. Adolfs (geb. 1922) is een expriester die reeds in 1968 kerk en ambt vaarwel zei, maar net als vele andere kerkverlaters niettemin nog altijd met het geloof bezig is. Evenals Friedman maakt ook Adolfs in zijn boek zeer brede slagen (hij bespreekt de Bijbel, de kerkgeschiedenis, de hedendaagse filosofie, etc.) vanuit de z.i. centrale ervaring van de afwezigheid van God. Die ervaring wordt vooral veroorzaakt door het vele kwaad in de wereld. In onze tijd echter, die gekenmerkt wordt door de 'postmoderne bestaanservaring', liggen er nieuwe kansen voor het religieuze. Misschien zal de afwezige God weer verschijnen. Maar dat zal dan zijn, zo besluit Adolfs in een wat modieuze aansluiting bij Levinas, in de vorm van medemenselijkheid en omzien naar de ander. Een geluid dat we de afgelopen decennia toch echt al vaker gehoord hebben.
Dat geldt ook voor het geluid van H. M. Kuitert, wiens Aan God doen door Ten Have en Callenbach ter gelegenheid van de Boekenweek voor een spotprijs aangeboden wordt als 'polemisch essay'. Inderdaad is Kuitert behoorlijk op dreef: reeds na tien zinnen heeft de EO de eerste veeg uit de pan te pakken. Verderop (p. 42) wordt en passant ook Velema meegenomen, zonder dat duidelijk wordt welke Velema (en wat van hem) bedoeld is - in het naamregister wordt voor hem geen plaatsje meer ingeruimd. Inhoudelijk treffen we in vergelijking met Kuiterts recente grotere werken weinig nieuws aan, al zegt hij sommige dingen net weer even iets anders. En al krijgen - eerlijk is eerlijk - ook godloochenaars als Kousbroek en Cliteur er behoorlijk van langs. Kuiterts advies aan de kerken om uit het slop te geraken ('Een beetje ballast moet overboord, dat is alles', p. 59) lijkt intussen de kwaal met het medicijn verwarren. Het als ballast overboord zetten van grote delen van de traditie heeft het schip der kerk immers tot dusver alleen maar méér in de problemen gebracht. Waarom dit nu niet gewoon eens ruiterlijk erkend?
Coen Boerma, emeritus-predikant binnen de GKN en o.a. oud-medewerker van de NCRV, maakt zich er op dit punt minder gemakkelijk van af. Van zijn boek God is fantastisch is vooral het laatste hoofdstuk intrigerend. Boerma beschrijft daarin eerst de wijze waarop hij geprobeerd heeft zijn vier kinderen christelijk op te voeden, en sluit dan af met hun schriftelijke reacties daarop ongecensureerd op te nemen. Enkele kinderen geven aan niets meer met de kerk te hebben. Men zou benieuwd zijn hoe Boerma zelf daar nu tegenaan kijkt, maar op dit punt stopt hij. Verder wisselen in dit boek persoonlijke ervaringen, bijbeluitleg en theologische reflecties elkaar af, zonder dat er een duidelijke eenheid is ontstaan (ook niet vanuit het thema 'fantasie als bron van geloof', want die ondertitel dekt de lading maar zeer ten dele).
Wijzer?
Aan het slot van onze rondgang nogmaals de vraag: is er in de boeken week-theologie iets bij waar een mens werkelijk wijzer van wordt? Onder de vertaalde werken in elk geval méér dan onder de Nederlandse, zou ik denken. Hoewel: van alle boeken worden we wel wijzer als het gaat om inzicht in hoe de godsdienstige kaart er in onze tijd ongeveer uitziet. De meeste zijn immers typerend voor het verbrokkelde laat-twintigste-eeuwse cultureel-religieuze klimaat, en daarom leerzaam als tijdsdo cument. Maar werkelijk wijzer? De lezer oordele zelf.
N.a.v.: Robert Adolfs, De afwezigheid van God, Baarn 1997, 159 blz., ƒ 29, 90; Coen Boerma, God is fantastisch. Fantasie als bron van geloof Baarn 1997, 158 blz., ƒ 24, 90; Richard Elliott Friedman, de verdwijning van God. Een goddelijk mysterie, Baarn 1996, 352 blz., ƒ 49, 90; H. M. Kuitert, Aan God doen. Een vingerwijzing, Baarn 1997, 74 blz., ƒ 4, 95; Richard Swinburne, Het bestaan van God, Baarn 1997, 159 blz., ƒ 34.90; Peter Vardy, Het raadsel van God, Baarn 1997, 240 blz., ƒ 34, 90; Keith Ward, God, toeval en noodzaak, Baarn 1997, 240 blz., ƒ 34, 90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's