De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een eenparig gekozen secretarisgeneraal voor een zwaar verdeelde kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een eenparig gekozen secretarisgeneraal voor een zwaar verdeelde kerk

Uit de hervormde synode

12 minuten leestijd

Dr. B. Plaisier benoemd tot secretaris-generaal van de Nederlandse Hervormde Kerk De hervormde synode, in vergadering bijeen op 14 maart, heeft dr. B. Plaisier (1946) uit Den Haag benoemd tot secretaris-generaal van de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij zal dr. K. Blei opvolgen, die in juni de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dr. Plaisier vertrok na zijn studie in 1977 als zendingspredikant voor de Gereformeerde Zendingsbond naar Indonesië. In Rantepao werd hij docent dogmatiek, symboliek en Nieuwe Testament aan de STT (Theologische Hogeschool) van de Torajakerk. Daarnaast was hij gastdocent aan de Theologische Hogeschool te Ujung Padang. Na zijn terugkeer in Nederland in 1984 schreef hij een proefschrift over de contextuele aspecten van het zendingswerk en de gemeenteopbouw, waarop hij in 1993 promoveerde. Ondertussen werkte hij sinds 1987 als predikant an de hervormde gemeente te Den Haag (Moerwijk/Morgenstond). In 1995 federeerde deze gemeente met de gereformeerde kerk. Sinds die tijd is dr. Plaisier dus predikant van de SoW-gemeente Moerwijk/Morgenstond. Dr. Plaisier begon zijn theologische opleiding aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij legde het doctoraal en het kerkelijk examen cum laude af. Hij vervolgde zijn studie aan het Hendrik Kraemer Instituut in Oegstgeest, waar hij een aanvullend examen deed voor zendingspredikant

Een nieuwe secretaris-generaal

De hervormde synode benoemde dr. B. Plaisier, predikant te Den Haag, tot secretaris-generaal van de Nederlandse Hervormde Kerk, als opvolger van dr. K. Blei, die in juni a.s. afscheid neemt. De benoeming kwam tot stand met algemene stemmen, na een unanieme enkelvoudige voordracht van 'een zware selectiecommissie' (Beekman), waarin de breedte van de kerk vertegenwoordigd was. Zulks mag op zich een zeldzaamheid heten - als het al ooit voorkwam - bij de benoeming van iemand op de hoge en verantwoordelijke post van secretaris-generaal.

De benoeming heeft enkele opvallende aspecten. De nieuw benoemde functionaris komt niet uit het synodale circuit. Zelf merkte hij op ongeveer dertig jaar geleden, toen hij nog student was, een keer een synodevergadering te hebben bijgewoond. Het beleidscircuit is hem vreemd. Hij was tot heden, na in zendingsdienst voor de GZB onder de Toraja's te hebben gewerkt, gewoon gemeentepredikant.

Verder is opvallend, dat iemand werd gekozen, die zijn wortels heeft in de gereformeerde theologie en niet in de modern-oecumenische theologie. Zijn wortels liggen in de gereformeerde gezindte, die hij van binnenuit kent en waarmee hij verwant is gebleven, ook al valt hij niet (meer) tot de hervormd gereformeerde modaliteit te rekenen. Men zou kunnen zeggen, dat hij zijn basis heeft in de gereformeerde theologie, met contextuele openheid. Zelf omschreef hij zich als confessioneel-evangelisch, gevormd door theologen als dr. A. A. van Ruler en dr. J. G. Woelderink; staande midden in de kerk, maar niet 'een man van het midden'; komend uit een kring, waarin orthodoxie en bevindelijkheid harmonisch samen gingen en waarin hij de vreugde en de kracht van het geloof had ervaren.

Hij sprak de hoop uit, dat de kerk helderder zou gaan uitstralen - enthousiaster en ook meer zelfbewust - de kracht en vreugde, die gelegen is in het geloof en belijden aangaande de waarheid, die (in) Jezus Christus is.

Bij de benoeming heeft ongetwijfeld een rol gespeeld de moeilijke fase, waarin de Hervormde Kerk zich momenteel bevindt en waarin de hervormd gereformeerde sector meer en meer in een proces van vervreemding ten opzichte van 'Leidschendam' terecht is gekomen. De nieuwe secretaris-generaal kent van binnenuit de geestelijke habitus van de hervormd gereformeerden, alsook de argumenten en gevoelens, die bij allerlei kwestieuze zaken, die in de kerk aan de orde zijn, een grote rol spelen.

Anderzijds moet worden gezegd, dat dr. Plaisier niet als secretaris generaal zou zijn benoemd wanneer hij niet een positieve visie zou hebben op het SoW-gebeuren. Zijn visie in deze is mede bepaald door zijn ervaring in de plaatselijke situatie in Den Haag, waar hij een wijkgemeente dient, die sinds 1995 Samen op Weg is. Hij heeft als zodanig in interviews, die hem werden afgenomen, duidelijk laten weten waar hij staat. Zijn ervaring in de nieuwe functie zal ongetwijfeld zijn, dat het in het geheel van de kerk uitermate moeilijk en gecompliceerd ligt, zowel met betrekking tot de inhoudelijke kant van het SoW-proces, als met betrekking tot de gevoerde procedures. Dat zal hem, realiseren we ons, in een geducht spanningsveld brengen, waarvan we zelf de zwaarte kennen.

'We moeten door de fase van de organisatie heen', heeft dr. Plaisier gezegd. Het probleem is dat het 'spirituele' daarin in brede delen van de kerk volstrekt niet wordt ervaren.

Overigens is de kerk meer dan wat zich in SoW-verband voordoet. Desgevraagd zei de nieuw benoemde secretaris-generaal, dat hem in maatschappelijk opzicht zwaar weegt de economisering en het marktdenken van de samenleving, met daarin de teloorgang van de zondag. Binnenkerkelijk woog hem zwaar de kwestie van 'pluriformiteit en identiteit', en daarin het geloofsgesprek als belijdend gesprek.

Wij hopen en bidden, dat de kerk (mede) onder leiding van de nieuw benoemde een duidelijk herkenbaar gezicht van een belijdende kerk in de traditie van de Reformatie mag vertonen, die in de aangrijpende secularisatie van deze tijd hoop mag uitstralen naar binnen en naar buiten. Wij zullen in spanning volgen wat hij ter tafel brengt in woord, geschrift en beleid.

Classis Gouda

De Informatienota van het hervormd moderamen meldde uitvoerig de briefwisseling tussen prof. dr. J. A. B. Jongeneel en het moderamen over wat Jongeneel noemde 'de bevelstructur' van de synode. We gaven de brieven, die werden geschreven, hier al eerder weer. Het ongenoegen van Jongeneel richtte zich vooral, hoewel niet alleen, op de verplaatsing van het Zendingshuis van Oegstgeest naar de centrale locatie in Utrecht voor de zich verenigende kerken. Na een onbevredigende afloop van deze correspondentie richtte de classis Gouda zich tot het moderamen met het verzoek de zaak, die Jongeneel aan de orde stelde, grondig te onderzoeken. Ongeveer twintig classes sloten zich bij de brief van Gouda aan. In een lang schrijven aan de classicale vergadering probeerde het moderamen echter duidelijk te maken, dat de beschuldigingen van Jongeneel niet terecht waren. Waarop de classis Gouda reageerde met een brief, waarin werd gezegd, dat door het moderamen een verzoek, 'dat duidelijkheid moet geven over de gang van zaken rond de besluitvoming tot unilocatie (imlicerende de sluiting van het zendingshuis) in feite wordt omzeild'. De zaak kwam - stelde Gouda - niet eens tot een officiële behandeling, vanwege het feit dat deze alleen maar in de Informatienota werd vermeld. 'Navraag door synodeleden zal niets nieuws opleveren'. Welnu, dit laatste was ook zo.

Oud. J. de Jager, Alblasserdam, kreeg, als antwoord op de vraag waarom Jongeneel niet voor een gesprek was uitgenodigd, als antwoord, dat men was 'uitgepraat'. Nu zal het moderamen van de classis Gouda wèl worden uitgenodigd voor een gesprek. Het Iaat zich denken, dat men samen het bekende glas zal drinken, terwijl alles blijft zoals het was. Maar is het nu écht zo, dat, als de synode gesproken heeft, de zaken afgedaan zijn? Vragen behandelprocedures in zaken, waarover de spanningen in de kerk groot zijn, niet eens een eerlijk onderzoek? Wat is echt de inbreng van gemeenten en classes?

Drs. C. Fieren, voorzitter van de Raad voor de Zending zei ter vergadering overigens, dat de Raad de besluiten inzake het zendingshuis betreurt maar zich nochtans loyaal zal schikken, op voorwaarde dat één en ander geen extra kosten voor de zending zal meebrengen. Maar intussen vroeg hij ook aandacht voor de diepe gevoelens en sentimenten, die hier een rol spelen in Oegstgeest, zowel als bij oudzendingarbeiders.

Wanneer het over zulke gevoelens en sentimenten gaat vallen meer terreinen te noemen waar dit speelt wanneer de synode bij meerderheid van stemmen beslist. We zijn dan ook benieuwd of het gesprek met de classis Gouda toch nog iets op zal leveren.

Huwelijk

De kwestie van het huwelijk al of niet in de kerkorde voor de verenigde kerk verdeelt de Hervormde Kerk uitermate. Bij de behandeling van de zogeheten Ordinanties, die in eerste lezing in de triosynode werden aanvaard en nu moesten worden bekrachtigd, stemden dertig synodeleden tegen de ordinantie over de eredienst, waarvan het artikel over de trouwdienst deel uitmaakt. Ter synode werd een poging ondernomen de inzegening van andere levensverbintenissen dan het huwelijk in een afzonderlijk artikel, los van dat over het huwelijk, op te nemen. De classes mogen zich nu over deze 'wens' (meer werd het niet) van de meerderheid van de synode uitspreken.

Drs. C. Blenk, Delft, zei hierover, dat wat in de tradities, die nu samenkomen in een verenigde kerk, altijd is afgewezen, nu nieuw wordt ingevoerd.

Veel commotie veroorzaakte het betoog van ds. H. S. Buunk, Lutten, waarin hij zich fel keerde tegen opname van een dergelijk artikel, waarvoor geen enkele basis kan worden gevonden in de Schrift, in de traditie en in de oecumene. Vanwege de bewoordingen, die hij bezigde (dienst aan Baal, homofilie is een ziekte), riep hij de toorn wakker van de ds. N. J. Pronk, Hoorn, zelf homofiel, die een tuchtprocedure vanwege de avondmaalsviering dreigde aan te spannen: 'Wanneer u wint, neem ik van harte afscheid van deze kerk'. Ds. Buunk weigerde zijn 'krenkingen' (Pronk) terug te nemen. De synodepreses verzocht vervolgens de synode er verder het zwijgen toe te doen.

Door dit incident dreigt intussen een zo cruciale kwestie een vertekening te krijgen. Want hoezeer ook zorgvuldigheid in woordkeuze vereist is, het kan toch niet, dat de synode van een kerk, die staat in de traditie van de Reformatie (N.B.), tot erkenning van inzegening van niet-huwelijkse relaties komt? ! Bestaat niet het gevaar, dat zelfs het loutere vertolken van de Schrift in deze op den duur onder krenkend spraakgebruik wordt gerekend? De opmerkingen van drs. Blenk hadden breder respons verdiend. Is er al zoveel gewenning in deze?

Perforatie

Op 21 november 1996 aanvaardde de generale synode een voorstel tot wijziging van de perforatieregeling, die het mogelijk maakt, dat mensen worden ingeschreven als lid in een andere gemeente dan waar zij wonen. Er zijn voor perforatie twee criteria, namelijk: 'indien bijzondere overwegingen van pastorale aard ten aanzien van een gemeentelid daartoe aanleiding geven, dan wel indien bij het gemeentelid behoefte bestaat aan een andere modaliteit van prediking en catechese dan ter plaatse wordt gevonden'.

Omdat er ten aanzien van verschillen in modaliteit in meerdere classicale vergaderingen echter grote onduidelijkheid blijkt te bestaan, werd besloten een commissie in te stellen, die de opdracht kreeg 'helder te maken wat men verstaat onder nuanceringen binnen een bepaalde modaliteit wat betreft criteria en toepassing.'

Een kleine commissie (ds. W. R van der Aa, ds. G. J. Wisgerhof en dr. K. Blei) stelde een beknopte nota samen, getiteld 'Modaliteiten en nuances in geloofsbeleving als criterium bij inschrijving in een andere gemeente'. De nota kwam nog niet in behandeling, omdat nog enig nader beraad nodig is. Deze werd doorgeschoven naar de junivergadering.

Het is intussen duidelijk, dat langzaam maar zeker een nieuw element is binnen geslopen in de kwestie van de perforatie. Toen in de naoorlogse jaren van modaliteiten in plaats van richtingen gesproken ging worden, was van meet af duidelijk, dat zich binnen de grenzen van artikel X van de kerkorde ('gemeenschap met de belijdenis') wezenlijke verschillen inzake het belijden zouden blijven voordoen. De interpretatie van het begrip 'gemeenschap' was bij hervormd gereformeerden begrensder dan binnen andere modaliteiten van de kerk. Weliswaar wordt ieder, die zégt artikel X te onderschrijven, ook geacht dit artikel te onderschrijven, maar in prediking en pastoraat doen zich ingrijpende verschillen voor (met vloeiende overgangen overigens), zodat mensen soms meeleven in andere gemeenten dan waar ze wonen, omdat ze niet kunnen instemmen met de prediking in hun woonplaats. Daar is in de loop der jaren zeker ook bijgekomen, dat zich in de vormgeving van de eredienst verschillen zijn gaan voordoen (het rapport noemt: gebruik van vertaling en berijming, entourage bij de doopbediening), waardoor mensen zich niet meer thuisvoelden in hun eigen gemeente, terwijl het dan toch niet in alle gevallen gaat om ingrijpende verschillen inzake het belijden op zich.

Het grootste aantal aanvragen van perforatie heeft nu echter betrekking op hervormd gereformeerde gemeenten onderling. We laten hier nu volgen wat het rapport daarover zegt:

'Er is bijvoorbeeld het verschil tussen wat wel wordt genoemd: "voorwerpelijke" en "onderwerpelijke" prediking. De eerstgenoemde stelt het heil der gemeente "voorwerpelijk", "objectief' voor ogen, als gegrond in hetgeen Christus buiten ons voor ons heeft gedaan; en ze laat het daarbij. De laatstgenoemde prediking laat het daar echter niét bij en verschuift zelfs het gewicht naar het belang van de persoonlijke heilstoe-eigening door elke mens afzonderlijk: het heil zal "onderwerpelijk", "subjectief' als "mijn" heil ervaren moeten worden, wil het mij ook werkelijk ten goede komen.

Soms (vaak) wordt met dit onderscheid ook het spreken over Christus en de Geest in verband gebracht. De "voorwerpelijke" prediking stelt Christus en zijn heilswerk centraal. De "onderwerpelijke" prediking richt(zonder dat zij aan de betekenis van Christus voorbij wil gaan) meer de aandacht op de Geest en zijn werk van heilstoe-eigening.

Daarachter schuilt soms ook weer een bepaalde visie op de uitverkiezing. Voor hele sectoren van de Kerk speelt de notie van de uitverkiezing, althans de daarmee verbonden terminologie, niet of nauwelijks een rol. Voor andere sectoren staat juist deze notie centraal. Ze wordt dan uitgelegd als betrekking hebbend op een (beperkte) groep mensen die wél tot het heil is uitverkoren, in onderscheid van alle anderen (de massa) van wie dat niet gezegd kan worden. Het "onderwerpelijk" (subjectief, persoonlijk) beleven van het heil wordt dan gezien als kenmerk van verkorenheid.

Verschillen als deze kunnen zich mede uiten in vaak zo futiel lijkende liturgische verschillen als bovengenoemd. In elk geval betreffen ze stellig meer dan "punten van geloofsbeleving". Hier is werkelijk de inhoud van het geloof in het geding. De vraag "Geloven wij in dezelfde God? " moge dan niet aan de orde zijn (die, tot een ontkennend antwoord uitnodigende, vraag komt hoogstens in zicht aan de grenzen van artikel X), de vraag "Geloven wij van God hetzelfde? " is dat wel. Die vraag kan alleen maar ontkennend worden beantwoord.

Hoe sterk dat het geval is blijkt wanneer in bepaalde gevallen predikanten van naburige gemeenten niet op de kansel van eikaars gemeenten worden toegelaten. Dat kom voor, ook wanneer beide predikanten formeel behoren tot dezelfde modaliteitsorganisatie (bijvoorbeeld: de Gereformeerde Bond).'

Het gaat hier om een hoogst ernstige zaak. Gemeenten, die zeggen in te stemmen met de belijdenisgeschriften als zodanig ('overeenstemming met de belijdenis'), kennen nu het verschijnsel van perforatie onderling, soms zelfs op grote schaal, soms ook gestimuleerd door kerkenraad en predikanten.

We zullen er hier momenteel niet veel over zeggen. Enige tijd geleden zond het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een nota aan alle hervormd gereformeerde kerkeraden, getiteld 'Opzicht en tucht binnen hervormde gemeenten onder spanning'. Daarin kwam ook de perforatiekwestie aan de orde. Wordt het niet hoog tijd, dat betrokken gemeenten hier ook met elkaar tot diepgaande bezinning op kerkeraadsniveau komen? Vereist juist de zaak van het belijden dit niet?

In het geding om SoW beroepen we ons als hervormd gereformeerden op dezelfde belijdenis, zijnde accoord van kerkelijke gemeenschap. En intussen is er sprake van uiteengroeien op ondergeschikte zaken of inzake de beleving van de dingen.

In het geheel van de zich verenigende kerken maken we ons zorgen over het feit, dat de nieuwe kerk zo pluriform (zelfs pluraal) zal zijn als ze breed is. Als ontwikelingen, die zich nu in hervormd gereformeerde kring voordoen, zich doorzetten, zou het wel eens zo kunnen zijn, dat een deel der kerk, dat zich ten opzichte van de zich verenigende kerk zou willen verzelfstandigen, zo pluriform (of zelfs pluraal? ) zal zijn als het smal is.

De fragmentatie doet zich, het beroep op de belijdenis ten spijt, alom voor. Dat maakt ongeloofwaardig in het geheel der kerk. Dat vraagt om diepgaand zelfonderzoek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Een eenparig gekozen secretarisgeneraal voor een zwaar verdeelde kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's