Bij het graf van Lazarus
Calvijn over Jezus' woord en gevoelens
Ik ben
In het hart van het hoofdstuk waarin Johannes de opwekking van Lazarus verhaalt, staat een van de machtigste Ik-benwoorden die Jezus ooit uitsprak: 'Ik ben de Opstanding en het Leven'. Calvijn heeft goed begrepen hoezeer dit woord de som van het paasevangelie vertolkt. Jezus is niet het leven zoals dat reilt en zeilt en zoals dat vroeg of laat ten prooi valt aan het doodsregime, maar het Leven aan dood en graf voorbij; het Leven aan gene zijde van die wand waar alle leven na de zondeval op stukloopt. Vandaar dat Jezus Zichzelf éérst de Opstanding noemt, merkt de reformator in zijn uitleg op. Leven zou immers geen werkelijk leven zijn, zolang het onderworpen bleef aan de ijzeren logica, dat na het leven nu eenmaal de dood intreedt. Het is deze door de zonde opgeroepen wetmatigheid die Christus doorbreekt. Zijn opstanding keert die levensbedreigende werkelijkheid om: na de dood komt het leven tevoorschijn! Dat is leven in de volle zin van het woord. Van dit onaantastbare, vuurvaste leven is Christus het begin, de Eersteling.
Geestelijk
Dat dit een geestelijk [spiritualise leven is, leest Calvijn af aan wat Jezus er onmiddellijk op laat volgen: Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al ware hij gestorven'. Wat bedoelt de reformator met deze geestelijke aard van het opstandingsleven? Niets anders dan dat Christus de kinderen van Adam die door hun zonde van God vervreemd zijn, door Zijn Geest wederbaart, zodat zij een nieuw leven beginnen te leven. Paulus' woorden over de levendmaking met Christus (Ef. 2) noemt hij de beste uitleg van Joh. 11! Calvijn wijst dan terug naar wat hij al eerder heeft uiteengezet, namelijk bij Joh. 5 : 21 en 24. Daar noemt hij Christus de auteur [auctor] van het leven, welk leven bestaat uit gerechtigheid en alle gaven van de Heilige Geest, kortom ons complete heil. De wijze waarop Christus ons dit alomvattende leven deelachtig maakt, is de leer [doctrina] van het Evangelie, d.w.z. de evangelieverkondiging. Het leven is dus gelegen in het horen naar Zijn leer en het geloven in Zijn Woord. Dat verzoent ons met God en vrijwaart van de dood. Weliswaar is dit geestelijke leven nog verborgen en worden wij aan alle kanten door de dood bestookt, maar nochtans is dit leven ons door het geloof onvervreemdbaar eigen. De Geest staat ervoor in en Hij zal eenmaal ook de laatste resten van de dood vernietigen. Onder Christus' beschutting weten wij ons veilig.
Calvijns uitleg komt er dus op neer dat Christus ons levend maakt door ons uit de Godsvervreemding weg te roepen. Wie in Christus gelooft, begint te leven, hoe dood hij voordien ook was. 'Want het geloof is de geestelijke opstanding van de ziel'. Al wie de stem van Gods Zoon hoort en gelooft, zal leven! Calvijn schroomt niet om
Lichamelijk
Dat de geestelijke aard van het opstandingsleven voor Calvijn niet in tegenstelling staat tot het lichamelijke gehalte ervan, blijkt uit het vervolg van zijn commentaar. Hij geeft dan een uitleg van Jezus' belofte, dat wie leeft en in Hem gelooft, niet sterven zal in der eeuwigheid. Om te beginnen onderstreept hij nog eens dat dit een geestelijke betekenis heeft. Dat valt te verstaan. Want ook Gods kinderen moeten sterven, althans wat hun uiterlijke [exterior] mens betreft (met verwijzing naar 2 Kor. 4 : 16!). Hun innerlijke [interior] mens echter wordt vernieuwd van dag tot dag. Hun ziel is immers uit onvergankelijk zaad herboren en zij dragen de Geest van Christus onafscheidelijk in zich. Dit eeuwige leven vangt hier reeds aan en geen dood maakt het ongedaan. Integendeel, het sterven behelst veeleer de bevrijding uit het schrikbewind van de dood. Calvijn gebruikt hiervoor het beeld van de manumissio, dat is de vrijlating van een slaaf. De uitwendige mens, geketend als hij is in knechtschap en kwelling, wordt verleden tijd; de inwendige mens, door de Geest van Christus bevrijd en bewoond, heeft de toekomst. Maar deze geestelijke mens is niet lichaamloos. Juist in de lichamelijke opwekking van Lazarus wil Jezus een voorproef schenken van Zijn kracht waarmee Hij de doden eenmaal op zal wekken. Ofschoon Calvijn aan deze opwekking thans geen nadere invulling geeft, laat zijn commentaar op 1 Korinthe 15 er geen twijfel over bestaan, dat hij het oog heeft op de opstanding van het lichaam, dat door Christus' Geest vernieuwd, zal delen in Gods heerlijkheid (comm. 1 Kor. 15 : 20).
Gevoelens
Het sterven van Lazarus ontlokt aan Jezus' hart echter niet alleen indrukwekkende woorden, maar ook gevoelens die niet minder indruk maken. Op weg naar het graf (van Lazarus, maar ook naar het graf waarin Hij Zelf weldra gelegd zal worden!), wordt Hij zeer bewogen in de geest.
De Statenvertaling is in dit geval wat versluierend. Het Griekse woord betekent: vergrimd, vertoornd. Calvijn verhult dat niet. Terwijl hij, zoals bekend, nogal terughoudend is om God (de Vader) menselijke gevoelens toe te schrijven - althans wanneer die hem al te menselijk en dus zondig of zwak voorkomen - legt hij die schuchterheid af wanneer het de emoties betreft van God de Zoon Die mens werd. Het vergrimmen van Christus neemt hij voluit ernstig. Dat Hij vertoornd naar Lazarus' graf heen gaat, betekent volgens Calvijn namelijk dat Hij niet als een ledig toeschouwer nadert, maar als een kampvechter [athleta] die zich voor een tweegevecht toerust. 'De gewelddadigheid van de doodstyran die Hij moet overwinnen, staat met Hem oog in oog'. Blijkbaar heeft God de Zoon de doodsvijand van de mens tot Zijn vijand gemaakt en treedt Hij die met gevoelens van afkeer en toom tegemoet.
Maar niet alleen door toorn wordt Zijn emotionele gesteldheid bepaald. Jezus wéént! Calvijn ziet in Jezus' tranen een diep ervaren saamhorigheid met het aan dood en verderf vervallen mensengeslacht.
Indien Hij niet met hun tranen had meegeleefd, zou Hij er met een koude en onbewogen blik hebben bij gestaan. Maar omdat Hij vrijwillig de mensen geheel en al gelijk geworden was, tot in hun tranen, betuigt Hij Zijn meegevoel [sympatheia]. Voor Calvijn vormen Jezus' tranen dus een markant teken van de vleeswording des Woords. God de Zoon woonde onder ons en Hij weende met ons. In diepe deernis.
De reformator gebruikt telkens het Latijnse woord affectus (gevoel, aandoening, hartstocht), om Jezus' innerlijke gesteldheid te omschrijven. De oorzaak van deze bewogenheid is volgens hem niet zozeer de aanblik van de weeklagende omstanders als wel het besef van de gemeenschappelijke ellende [miseria] van heel de mensheid.
Broeder
Christus is van de Vader gezonden om ons van alle kwaad te verlossen. En nu wilde Hij - zo merkt Calvijn op - deze opdracht niet alleen vervullen door Zijn wérk, maar Hij wilde ook tonen dat Hij dit deed 'met een ernstig gevoel van Zijn ziel', dus in een doorleefde betrokkenheid. Vandaar dat Hij alvorens Lazarus op te wekken, door een 'benauwd gevoel van smart' en door tranen betuigt, dat onze erbarmelijkheid Hem zó ter harte gaat alsof Hij die in Zichzelf moest doorlijden. De vraag of zo'n verstoring van de gemoedsrust wel past bij God de Zoon, beantwoordt Calvijn met de verwijzing naar Christus' waarachtige menselijkheid. Hij is het dan ook niet eens met uitleggers die het ongerijmd [absurdum] voorkomt, te menen dat Christus net zoals ieder ander mensenkind aan passies onderhevig was. Zo is Augustinus van oordeel dat Christus op Zich kalm en gelaten was en voor elke hartstocht immuun, maar dat Hij die hier uit eigen beweging (slechts)toeliet. Calvijn stelt daar als zijn 'eenvoudige' mening tegenover: 'Toen Gods Zoon ons vlees aandeed, heeft Hij tegelijk vrijwillig de menselijke gevoelens op Zich genomen, om Zich in niets van zijn broeders te onderscheiden, uitgenomen de zonde'. Omdat het een vrijwillige onderwerping betreft, doet men aan Christus' eer geen afbreuk wanneer men het erop houdt, dat Hij ook in de emotionele hartstochten ons gelijk was. Hij daalde immers zonder reserve tot ons neer, en dat zou Hij niet hebben gedaan als Hij voor deze sentimenten immuun was geweest. Hierin ziet Calvijn een rijke troost. Christus is onze Broeder en Middelaar, Die te meer tot hulp bereid is omdat Hij onze zwakheden Zelf heeft ervaren.
Onderscheid
Toch blijft er onderscheid. Niet omdat Christus' passies minder reëel waren dan de onze, maar omdat ze nooit teugelloos en mateloos losbraken. Dat is nu juist de fout waarin wij mensen vervallen: ongebondenheid. Bovendien zijn onze hartstochten nogal eens verkeerd gericht, omdat we al te zeer aan het aardse verkleefd zijn. Het gaat erom - en hier komt Calvijns humanistische scholing om de hoek - dat onze gevoelens in overeenstemming zullen zijn met onze rede [ratio], en niet ongeordend en opstandig. Zo bleef Christus' heftige gemoedsbeweging onderworpen (nee, niet aan de rede, maar) aan de wil des Vaders. Calvijn lijkt hier zijn aanvankelijke positie te verzwakken. Maar dat is schijn. Want meteen neemt hij toch ook weer afstand van de 'ijzeren hardheid' die de Stoïcijnen voorstonden. De hoogste regel der volkomenheid is niet de Stoïcijnse 'stenen ongevoeligheid', maar Christus' exempel.
Als we Hem navolgen zullen we ervaren dat Hij ook daartoe in onze gevoelens heeft gedeeld, opdat we door Zijn kracht bedwingen kunnen wat aan onze hartstochten verkeerd is. Niet de passie als zodanig is verwerpelijk - Jezus kende die ook! - , maar de ongebreidelde.
Woord en paasgeloof
Dat Christus Lazarus niet met Zijn hand, maar door Zijn stem terugriep uit de dood, is voor Calvijn aanleiding om nog eens hoog op te geven van de 'verborgen en wondere krachtdadigheid [efficacia] van Zijn Woord'. Daarmee sluit ik af. 'Hoe anders geeft Christus de doden het leven terug dan alleen door Zijn Woord? Daarom biedt Hij in de opwekking van Lazarus een zichtbaar teken [symbolum] van genade des Geestes, die wij dagelijks in het geloof ervaren. Want Hij toont ons dat Zijn stem levenwekkend is'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1997
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1997
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's