De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De verkondiging van het Woord (7, slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De verkondiging van het Woord (7, slot)

9 minuten leestijd

Wanneer men de beroepsbrief van een predikant leest, merkt men op dat de eerste taak van een predikant is om het Woord en de sacramenten te bedienen. Terecht wordt daarop als eerste de nadruk gelegd. Naast alle andere taken neemt de verkondiging van het Woord een zeer belangrijke plaats in in het werken van een predikant. Aan de verkondiging behoort veel aandacht geschonken te worden. Het mag niet voorkomen dat men op zaterdagavond pas gaat kijken waarover men de volgende zondag zal preken.

Een goede en degelijke voorbereiding vraagt tijd, veel tijd. Een gemeente behoort zijn predikant die tijd te geven. Wanneer zij dit doet, zal zij daarvan voordeel ondervinden.

Gevaar

Toch bestaat er onder ons wel een gevaar. Terecht leggen wij nadruk op de prediking van het Woord. Heel gewichtig zeggen wij wel eens: De preek móet het doen! Maar is dit toch niet meer lippentaai dan dat wij dit werkelijk beleven? Wat ik bedoel? Wel dat er aan hem die de prediking uitdraagt meer aandacht wordt gegeven dan aan de prediking zelf. De prediker staat centraler dan de boodschap die hij uitdraagt. Het zal duidelijk zijn: dit is niet terecht!

Om de boodschap van Gods heil uit te dragen is er een boodschapper nodig. Die boodschapper is meer dan een postbode. Laatstgenoemde doet de brieven door de bus, maar van de inhoud van de brieven weet hij niets. Het is ook niet zijn taak om zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zijn post.

Maar dat ligt bij een prediker anders. Het is Gods genade die de boodschap die hij doorgeeft door hem laat heengaan.

Hij heeft zelf deel aan het heil! Meestentijds is dit óók aan de prediking te merken. Een zekere warmte en gloed valt aan zijn boodschap niet te ontzeggen.

Dit wil intussen niet zeggen dat de prediker centraal moet staan. De boodschap staat centraal. Gods heil staat in het middelpunt. De prediker is bij het doorgeven van dat heil in de prediking niet meer maar ook niet minder dan een 'doorgeefluik'. Als zodanig behoort hij althans te functioneren. En wanneer hij zo functioneert, zal niet alleen de prediking een centraal gebeuren zijn, maar zal zij ook effectief zijn.

Hoe komt het dat de prediking nu wel eens die effectiviteit mist, die zij eigenlijk móet hebben? Het antwoord is hierboven al gegeven: er wordt meer aandacht geschonken aan de man dan aan de boodschap die hij brengt.

Nu is dit in de grond der zaak niet iets nieuws. Ook in de gemeente van Korinthe keek men meer naar de boodschapper dan naar de boodschap. Wat een ellendige gevolgen dit had zal ons allen wel bekend zijn. Dit veroorzaakte twist en wrok met als gevolg dat men zich van elkaar verwijderde. Als gemeenschap dreigde men uit elkaar te vallen. Wat nog erger is: de kern van de zaak dreigde men uit het oog te verliezen. De polarisatie was er niet van de lucht. Helaas... zien wij hetzelfde in onze tijd gebeuren. Het is niet veel anders dan in Korinthe, nu bijna tweeduizend jaar geleden. Laten wij ons voor gewaarschuwd houden... Er zijn wel betere en andere zaken om centraal te stellen. De prediker is slechts 'een mannetje uit het stof verrezen', doch het Woord van onze God blijft tot in eeuwigheid.

Het werk van de Geest

In het bovenstaande heb ik duidelijk laten uitkomen dat het niet om de prediker, doch om de prediking gaat.

Nu heb ik al meer gezegd dat de prediking een adres heeft. Zij wordt maar niet in het luchtledige uitgesproken. Neen, zij richt zich tot concrete mensen. Mensen die met beide benen in deze tijd staan.

Nu is wel de vraag: hoe kan de prediking bij deze concrete mensen landen? Hoe komt zij zo ver dat zij werkelijk wordt verstaan als het Woord van God? En dat met alle gevolgen naar God toe, doch ook naar elkaar toe.

Dat de prediking landt en zijn werk doet ligt niet in het vermogen van de prediker. Hij kan nog zo zijn best doen en zijn boodschap kan met nog zoveel verve en warmte worden uitgedragen, maar er wordt niet één mens door bekeerd. Anders gezegd: de prediker brengt niemand tot geloof. Hij is hooguit een mens die altijd maar van zich heenwij st naar Jezus Christus, ledere rechtgeaarde prediker gelijkt daarom enigszins op Johannes de Doper.

Altijd wees hij van zich af. Hij maakte geen school voor zichzelf, doch hij maakte school voor Jezus. Door zijn prediking gingen jongeren en ouderen Jezus volgen. Toch lag de effectiviteit van de prediking niet in Johannes zelf, maar in de kracht van Gods Geest. Dat de preek het een en ander uitwerkt, is alleen te danken aan de Geest des Heeren.

Het is hoog gesteld wat ik nu ga schrijven, maar ik zou toch niet weten, hoe ik het anders zou moeten zeggen: De prediking bevat in haar diepste wezen een pneumatologische werkelijkheid. Eenvoudig gezegd: de Heilige Geest verbindt Zich aan de prediking van het Woord. Alleen om die reden komt de prediking over en brengt zij doden tot leven, ontslaat zij gevangenen die in het gevangenhuis zitten. Het is de Heilige Geest die door middel van de prediking ons heil bewerkt.

H. Thielicke heeft ooit geschreven dat preken een onmogelijke taak is. En hij vervolgt: 'Men kan alleen maar preken als men er diep van overtuigd is dat de Heilige Geest Zijn zegen aan de prediking verbindt'.

Van de preek mag gezegd worden dat zij plaatsvindt in het krachtenveld van de Heilige Geest.

Van H. Bavinck'is het bekende gezegde dat de kerk is de werkplaats van de Heilige Geest. Hij bedoelde daarmee te zeggen dat de Heilige Geest Zijn zegen verbindt aan de verkondiging door middel van de kerk.

Bemoedigend

De Heilige Geest doet het! Dat is zeer bemoedigend voor de prediker. Het bewaart hem voor moedeloosheid. Hij mag weten dat de Heere doet met Zijn Woord wat Hem behaagt. Dat geldt óók voor het gepredikte Woord.

De Geest doet het! Dat bewaart de prediker voor krampachtigheid. Hoezeer hij z'n best moet doen en hoezeer hij zich moet inzetten, maar het is niet zo dat hij zich in allerlei bochten behoeft te wringen om de boodschap te laten landen. Dat doet niet hij, doch dit werkt de Heilige Geest!

De Geest doet het! Dat is aan de ene zijde bemoedigend voor de prediker, maar dat houdt hem ook klein. Het is niet zijn werk, maar Gods werk. De prediker wordt door God gebruikt, doch voor het eigenlijke werk in het hart van de gemeente is er de Persoon van de Heilige Geest die het zaad der wedergeboorte gaat uitwerken.

Hoe meer een dienaar des Woords ervan overtuigd is dat de effectiviteit van de preek een werk van de Heilige Geest is, des te meer zal hij dit aan de Geest Gods overlaten.

Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat hij voor zijn hoorders niet aan de troon van Gods genade worstelt dat Christus gestalte in het hart van allen zal krijgen. Een prediker laat - om zo te zeggen - niet Gods water over Gods akkers lopen. Met andere woorden: Hij gelijkt niet op een boer die zaait en die dan nooit weer naar zijn akker omziet. Een boer zal van tijd tot tijd naar zijn akker gaan om te kijken of het zaad vruchten zal gaan voortbrengen. Uiteindelijk gaat het de boer om de vrucht.

Zo ook een dienaar des Woords. Hij is heilig nieuwsgierig naar de vruchten. Hij zaait, maar de Geest geeft de wasdom.

En als er wasdom gezien wordt, geeft dit alleen maar vreugde bij de zaaier. Dan kan hij alleen maar roemen in God en in Zijn onfeilbaar Woord. Dan is het: Ere zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Met het bovenstaande heb ik willen aangeven dat de prediker zich in dienst van de Geest behoort te stellen. Wordt dit niet gedaan, dan kan men een verhindering zijn voor het rechte verstaan.

Terecht heeft F. Kemphaus gezegd: 'Het falen van de prediking kan ook een falen van de prediker zijn en niet alleen maar een falen van de hoorders of zelfs een in gebreke blijven aan Gods kant'.

Het is dus niet verkeerd voor predikers als zij zo nu en dan eens de hand in eigen boezem steken.

Er wordt veel geklaagd over dorheid en geesteloosheid. Op allerlei terreinen wordt een onderzoek gedaan naar de oorzaak daarvan. Wellicht kan ook iedere dienaar des Woords zich onderzoeken of hij zich wel in dienst van de Geest stelt.

Als wij terecht zeggen dat de Geest het dóet, dan moeten wij ons ook in het krachtenveld van de Geest stellen en het de Geest laten doen.

Wie de Geest laat werken zal niet al zuchtende maar met vreugde het wonderlijk werk dat prediking heet verrichten.

De enkeling

Tijdens het schrijven van deze artikelen kreeg ik een brief waarin de vraag gesteld werd of het soms toch ook niet aan de hoorder kan liggen dat de Geest in zijn leven zo weinig kan uitrichten. Inderdaad kan dit het geval zijn. Men berokkent zichzelf schade als men er geen oog of oor voor heeft dat de Geest middellijk werkt. Er wordt meer uitgezien naar iets bijzonders dan dat men de Heere laat spreken vanuit Zijn Woord door Zijn Geest. Op deze manier maakt men de middelen der genade onvruchtbaar en wordt de Heilige Geest gehinderd én bedroefd. Ook kan men de Heilige Geest nog op een andere manier hinderen, nl. als men de Heere gaat voorschrijven hoe een mens bekeerd moet worden door Hem. Echter... de Heere houdt Zich aan Zijn eigen weg. En die weg kan voor de één zus en voor de ander zó zijn. Maar hoe ook: de weg door Hem bepaald is altijd de beste. Zoals Hij werkt en zoals Hij doet is het altijd goed.

Gelukkig als wij mogen zeggen: 'Ik heb altijd God de weg voorgeschreven, maar nu heb ik het verloren'.

Slot

In deze artikelenreeks ben ik niet toegekomen aan het profetische, priesterlijke en koninklijke aspect in de prediking. Met de eindredacteur is afgesproken dat dit in een afzonderlijke reeks zal gebeuren in de komende tijd.

Moge wat nu en in de afgelopen weken op papier is gezet tot zegen voor ons allen zijn.

Sterke nadruk legde ik op: de Geest móet het doen. Ik neem afscheid met de woorden: de Geest dóet het. En tot mijn verbazing maakt Hij gebruik van wat wij prediking noemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1997

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De verkondiging van het Woord (7, slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1997

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's