De Nederlandse Hervormde Kerk (2)
- Enige historische informatie en enkele opmerkingen ter overweging
'De Vaderlandse Kerk'
Wanneer je van de Nederlandse Hervormde Kerk zegt, dat deze 'de Vaderlandse Kerk' is, is het heden ten dage geen curieus gebeuren als iemand je wat meewarig aankijkt. Alsof je je schuldig maakt aan chauvinisme c.q. romantische gevoelens ventileert. Sinds 'Samen op Weg' moet men toch beter weten, zo lijkt men te denken.
Prof. dr. C. Graafland houdt het erop, dat de aanduiding 'vaderlandse kerk' op zich niet een oorspronkelijk reformatorische is. 'Waarschijnlijk stamt zij pas uit de tweede helft van de 19e eeuw, waarbij wij vooral aan de anti-Kuyperiaanse theoloog Ph. J. Hoedemaker denken. Het kan ook zijn, dat de aanduiding nog verder teruggaat op de eerste helft van deze zelfde eeuw, waarbij wij dan denken aan G. Groen van Prinsterer en J. A. Wormster, die ook een sterk accent legden op het "vaderlands" karakter van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Zelfs is het mogelijk een verbindingslijn te trekken met de Groninger godgeleerden, die hun theologie ontwierpen als zijnde een echt vaderlandse theologie en waarin ook de idee van de vaderlandse kerk een belangrijke plaats innam.' Kinderen van één moeder - Calvijns visie op de kerk volgens de Institutie, 1989.
De predikant en historicus drs. C. Blenk schreef: 'Ik heb niet kunnen vinden waar de term "vaderlandse kerk" vandaan komt'. En hij voegt er verontschuldigend aan toe: 'Het geeft ook niet'. In 'Geen Vaderlandse Kerk? ', opgenomen in Uitdagend gereformeerd - reacties op prof. dr. C. Graafland, 1993.
In een uitgave vanwege de Raad van Deputaten Samen op Weg onder de titel Kerkelijk gesprek - december 1993 - wordt gesteld: 'Terminologisch is "Vaderlandse Kerk" van confessionele huize, verbonden met noties als: volkskerk en theocratie. Daarmee werd in het midden en de tweede helft van de vorige eeuw teruggegrepen op een situatie, die in 1816 een ingrijpende wijziging onderging'. Eerder stelde men al, dat de term van 'hervormde makelij' is.
Men is echt te laat wakker geworden. De term zou veeleer wel eens samen kunnen vallen, althans in enig verband kunnen staan met de achttiende eeuwse begrippen 'vaderland' en 'vrijheid'. Maar wie zal beslissend bepalen wanneer de benaming voor de allereerste keer is gebruikt?
Er doemt hier nog wel een bepaalde moeilijkheid op. Bij 'vaderland' zal thans iedereen denken aan ons Koninkrijk der Nederlanden. Daar denken we ook aan als wij met ons volkslied van 'den vaderlant ghetrouwe' zingen. Maar de Nederlanden van toen bestonden in de zestiende eeuw wel uit minstens zeventien losse staatjes, die in hofkringen kennelijk toch als een gemeenschappelijk 'vaderland' konden worden aangeduid. Prof. dr. J. Huizinga, Verzamelde werken II.
De historicus prof. dr. P. (C. A.) Geyl laat weten: 'Als de zestiende eeuw onder invloed van de klassieken het begrip vaderland - dat in deze dagen uit het Latijnse patria vertaald wordt - begint te idealiseren, past zij het geredelijk toe op stad of gewest, maar in de kringen van humanisten, van de hoge ambtenaren en de adel grondt men het toch ook willekeurig op de staat, laat het versmelten met de trouw aan de dynastie, die de middeleeuwen gekend hadden... 'Geschiedenis van de Nederlandse stam - deel I, 1948.
De morele verbinding van de begrippen patria en natio aan een staat of volk, in de zin van vaderland(sliefde), is ontstaan in de tweede helft van de achttiende eeuw, en opgebloeid in de negentiende eeuw.
Buitendien: tot in de 17e eeuw was de term 'vaderland' bij uitstek gereserveerd voor de bestemming van de mens na de dood ('onsen gherechten vaderlande'), derhalve kón er taalkundig bezwaarlijk eerder sprake zijn van een 'vaderlandsche' kerk. Dat zou iets vreemds zijn, namelijk een kerk in 'das Jenseits' (= het hiernamaals)! Eerst later ontstond de betekenis 'vaderland' voor het land waar men geboren was (eerder noemde men dat 'patria' of ook wel 'vaderlijc lant').
In 1771 verscheen het eerste deel van De Advocaet der Vaderlandsche Kerk. De anonieme auteur wierp zich blijkens de ondertitel op als een 'vrijmoedige verdediger van de grondconstitutie van de vaderlandse kerk, van haar hervormde leer, haar aanzienlijke beschermheren, rechtzinnige leraars en standvastige belijders'.
In 1772 verscheen onder dezelfde titel een tweede deel, dat onder meer een weerwoord bood op reacties die verschenen waren naar aanleiding van het eerste deel. Tot de kennelijke bedoeling een derde deel te publiceren, is het niet gekomen.
In 1771 verscheen te Utrecht van de hand van 'Philo Biblius': Brief aan den Advocaat der vaderlandsche kerke, ter verdediging van den eerbied, die men aan Gods Woord schuldig is.
Op 'den ongenoemden schryver van het tweede stuk van den Advokaat der vaderlandsche kerk' reageerde de Remonstrantse predikant C. Nozeman met een Korte beroeping..., Rotterdam 1772.
Van de hand van de Dordtse predikant Johan Barueth verscheen in 1772 onder zijn pseudoniem Paulus Dortsma Het aanweesen en bestaan der naam-Remonstranten, soo als deselve door den advokaat der vaderlandsche kerk beschreeven syn/ Uit hun eigen schriften opgemaakt en betoogt tegen de openbare ontkenningen van den heer Cornelius Nozeman en andere..., 's-Gravenhage.
In 1776 trad een 'Procureur der Vaderlandsche Kerke' voor het voetlicht met een beknopte geschiedenis van de Dordtse Synode van 1618-1619: Korte historie van de Synode Nationaal, gehouden binnen Dordrecht, in de Jaaren 1618 en 1619. Uit echte hoofdstukken, en geloofwaardige schrijveren opgemaakt: door den Procureur van de Vaderlandsche Kerke, Arnhem.
Dr. G. D. J. Schotel gaf aan zijn tweedelig werk Kerkelijk Dordrecht (Utrecht, 1841-1845) als ondertitel mee: eene bijdrage tot de geschiedenis der Vaderlandsche Hervormde Kerk sedert het jaar 1572.
Ook mr. G. Groen van Prinsterer bedient zich - kennelijk graag - van de benaming 'Vaderlandsche Kerk'. a.w.
In een schrijven van 13 augustus 1851 van 'Het Provinciaal Kerkbestuur' van Groningen, gericht aan 'de HoogEerwaarde Algemeene Hervormde Sijnode', wordt gesproken van 'de Vaderlandsche kerk'. Dit schrijven behelsde de consideratiën naar aanleiding van de wijzigingen in het Algemeen Reglement, waarom gevraagd was in het rondschrijven van juli 1851.
In mei 1865 werd door de hervormde gemeente te Zoutelande een beroep uitgebracht op dr. H. F. Kohlbrugge te Elberfeld (Duitsland). Dr. Kohlbrugge is, vooral gelet op zijn teleurstellende ervaringen in de Hervormde Kerk, voor dit beroep zeer dankbaar geweest. Niettemin bedankte hij voor dit beroep.
In zijn bedankbrief d.d. 5 juni 1865 lezen we o.m.: 'Op 29 mei 1865 ontvang ik te Zoutelande, de eerste wettige beroeping tot de heilige dienst in de vaderlandse kerk!'
Dr. G. J. Vos heeft in zijn kerkhistorische studiën een apologie willen geven van de Ned. Herv. Kerk als dé Vaderlandse Kerk. Daarvan getuigt met name zijn tweedelige Geschiedenis der Vaderlandsche Kerk (van 630 tot 1842), 1881-1882.
Prof. dr. Hugo Visscher sprak opzettelijk niet, zoals bijvoorbeeld dr. Vos, over de vaderlandse kerk, maar over de 'oud-vaderlandsche kerk', waarmee hij teruggreep op de kerk van vóór 1816. Aldus informeert ons drs. K. Exalto, 'De visie op de kerk', in Beproefde trouw - Vijfenzeventig jaar Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, 1981.
Dat in onze tijd de Generale Synode zelf niet behept was met schroomvalligheid om van 'onze vaderlandse kerk' te spreken blijkt - bijvoorbeeld - uit de brochure 'Overwegingen van de generale synode der Nederlandse Hervormde Kerk ten aanzien van de avondmaalsmijding' met als titel De deelname aan het Avondmaal - december 1960.
De betiteling 'de Vaderlandse Kerk' is klaarblijkelijk niet van vandaag of gisteren - zij heeft best oude papieren. Zij die met de term dwepen, in dit tijdsgewricht nadrukkelijk(er), hebben hem niet verzonnen!
Of de aanduiding bij dr. Hoedemaker en mr. Groen van Prinsterer een nieuwe in-
vulling kreeg, moet een nadere studie uitwijzen. Tevens zal dan moeten worden nagegaan of een eventuele impuls bij beide wel eender is.
In Kerkelijk Gesprek filosofeert men over de omstandigheid dat Afscheiding en Doleantie zich ieder op hun wijze keerden tegen de 'rijksinstelling' van 1816 en terugkeerden tot Dordt van 1618-1619. 'In dit spoor verder redenerend zou men juist andere kerken dan de Nederlandsche Hervormde Kerk kunnen typeren als voortzetting van de Vaderlandse Kerk.'
Mr. Groen van Prinsterer signaleerde reeds in zijn tijd een dergelijke pretentie. 'De Afgescheidenen wilden, bij wettige gevolgtrekking, geenszins vorming eener nieuwe, maar handhaving en voortzetting, buiten het kerkgenootschap, van de gevestigde Kerk; ...' a.w. Dat het inderdaad een te aanmatigend gevoelen is geweest, toont mr. Groen van Prinsterer aan door erop te wijzen, dat zich spoedig onder de Afgescheidenen verdeeldheid heeft geopenbaard; 'en welke verdeeldheid!' Maar hij sprak wel met twee woorden: 'Mij dunkt dat er, voor Afgescheidenen en niet-Afgescheidenen, reden minder van zelfverheffing dan van zelfverwijt is. [...] Behoef ik de zonderlinge verontschuldigingen op te halen, waarvan wij. Antiseparatisten, ons meermalen hebben bediend? Er is verwarring in de Kerk; maar ziet wat een wanorde bij de Afgescheidenen is! Wij doen voorzeker niet veel; maar door de Afgescheidenen is waarlijk weinig waarop men zich beroemen kan, verrigt! Wij twisten onderling; het is zoo; maar nijd en twist en tweedragt is bij de Afgescheidenen niet onbekend! Zoo is het niet enkel bij ons, zoo is het vice versa bij de Separatisten geweest. Zoo was het; zoo mag het niet langer meer zijn'.
Het zal duidelijk zijn, dat de betiteling 'Vaderlandse Kerk' uiterst nauw verweven is met de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze benaming roept veel op: zicht op Gods handelen in de geschiedenis; geloof in Gods trouw, en verwondering daarover; roeping met het oog op de natie, het Nederlandse volk.
Terwijl er met betrekking tot vooral de Afscheiding en in mindere mate tegenover de Doleantie sprake is van allerlei schuld - toentertijd - , schuilt er ten diepste toch juist ook een breuk in van wat God nochtans in Zijn trouw destijds bewaard had in die Hervormde Kerk.
Niet te ontkennen valt dat de term in het kader van Samen op Weg binnen bepaalde sectoren van de Ned. Herv. Kerk is gerevalueerd. 'Haar "aandelen" zijn aanzienlijk gestegen.' Aldus Kerkelijk Gesprek.
Men behoeft zich niet te schamen om te erkennen, dat dit vooral geldt van hen die het Samen op Weg-proces met zorg gadeslaan. De 'anderen' zoeken de term te devalueren. Maar dat de betiteling door eerstbedoelden méér is dan een koosnaam(pje) moge overduidelijk zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's