Globaal bekeken
Naar aanleiding van het artikel over de volkskerk (Whvr. 10 april), waarin 'De Dikke Toren' van Varik aan de orde kwam, ontvingen we onderstaand gedicht (maker onbekend) met bijgevoegde pentekening:
Zij voegden mij bekwaam aaneen
met hout en stenen, een voor een,
op een plaats, zeer wel gekozen.
'k heb geen hart, geen been, geen ziel,
maar wel een duidelijk profiel,
en ook mijn lijf is uit de aarde genomen.
Door hier te staan, zag ik u gaan,
gij waart niet blijvend, ging af en aan,
als de rivier, een stroom van mensen.
Schipper, bakker, de Markentier,
de vrouw en het kind, 'k zag mens en dier,
zij gingen mij, dachten zij, ongezien voorbij.
Bedenk toch mens, waakt op en ziet, |
ik sta hier voor mijzelve niet,
vanuit het stof, wijs ik naar boven.
Gij zijt geschapen in het vlees,
gij draagt Gods beeld niet tevergeefs,
gij hebt een ziel, gij kunt God loven.
Zij voegden mij bekwaam aaneen,
met hout en stenen, een voor een,
op een plaats, zeer wel gekozen.
'k heb geene stem, doch hoor mijn bee,
niet tevergeefs reist g'hier benee,
zo gij wandelt, als in de heem'len hier boven.
Uit het zojuist verschenen boek 'Vier eeuwen domineesland' (uitgave Meinema, Zoetermeer) nemen we twee geciteerde stukken over uit de vorige eeuw:
• In het ambt bevestigd
'Eindelijk - 't was Donderdag, en een heerlijke dag in de maand Mei - kwamen wij dan op Mastland aan. Een algemeen "hoezee!" verwelkomde ons... De gemeente verheugde zich, dat zij weer een eigen leeraar ontvangen zou en wilde in hem een hartelijken vriend welkom heeten...
De twee volgende dagen waren bijna geene dagen: het waren vluchtige uren, die haastig en ongeregeld elkander opvolgden en waarop niemand er aan dacht of het morgen, middag of avond, maar des te meer, dat de Zondag kort op handen was. Die Zondag brak aan en mijn vrouwtje had het even druk met de ham en de runderribbe, als ik met mijne intreerede: eene treffende herinnering, dat de mensch uit lichaam en geest bestaat!
Hoe starig klonk het klokgelui in de ooren! Met wat aandoening, en toch ook met wat beklemdheid, zag ik die menigte van alle zijden naar de kerk stroomen, - enkel om mij! Hoe troffen mij, waar ik mijn oog wendde, bij het naar de kerk gaan en door de menigte dringen, die duizenden blikken, - enkel op mij! Ik kwam eerst een weinig tot mij zelven toen ik achter de hooge borstwering der kerkeraadsbank op het zachte kussen was nedergezonken. Hier kon ik ten minste denken en gevoelen, en uit mijn angstig en bewogen hart kon hier een stil gebed tot den Onzienlijke opgaan.
Na het uitspreken van de korte leerrede (door een bevriende collega) volgde de bevestiging. Plechtig, onvergetelijk oogenblik, waarop geheel de omvang en al het zalige mijner nieuwe betrekking mij voor den geest stond en op het harte woog, ofschoon in eene bedwelmende verrwarring. Gewichtig "ja", waarmede ik den bloet mijns levens en al mijne krachten toewijdde aan het Koninkrijk der hemelen op aarde! Dat "ja" was mij een plotselinge overgang van jongeling tot man, van een vrij student, die geheel voor zich en zijne studie leeft, tot een leidsman van onkundigen, een vriend van zondaren en bedrukten, die den luchtig vergaderden schat ernstig en met wikkend oordeel heeft uit te delen; de overgang eindelijk van een jeugdig burger, die alleen voor zich zelven verantwoordelijk is en van wien de maatschappij verder niets vraagt dan dat hij haar niet verstore, tot den herder eener kudde van den oversten Leidsman, die den Heer eenmaal verantwoording zai te doen hebben van de belangen Zijner duur gekochte gemeente.
En na die plechtige betuiging de vaderlijke zegenbede, waarmede mijn vriend en raadsman den predikstoel verliet, en toen dat onvergetelijk oogenblik, waarop de oudere broeders de hand over den nieuweling uitstrekten, de hartelijke bevestiter de zijne met tranen besproeide en de gemeente zong: Dat 's Heeren Geest den leeraar sterk'!
Ja, waarlijk! er zijn tijdstippen in het menschelijk leven, - ach! waarom zijn ze zo kort? - tijdstippen, waarop men gevoelt, dat de ladder van Jakob nog staat opgericht en de engelen Gods opklimmende en nederdalende zijn tusschen hemel en aarde.
Uit: C. E. van Koetsveld. Schetsen uit de Pastorie te Mastland, 1843.
• Een kind der eeuw onder een preekstoel
Gij Prediker, daar in de lucht.
Hebt gij dan geen woordje voor mij?
Uw rede, als een galmend gerucht,
Rolt ledig mijne ziele voorbij.
Verborgenheên, vreemd aan 't gemoed.
Van hooger mysteries vervuld.
Door kennis en twijfel gevoed.
Verkondt ge mijn zoekend geduld!
Gij scheldt, wie het woord niet gelooft,
Bezegeld, door wondren, met kracht,
Een vroom buigen allen het hoofd
Wee d'arme, die bidt en versmacht!
Het ongeioof velt gij ter neer:
"Geloof of verga!" is 't betoog.
"De Twijfel is Hoogmoed, niets meer!"
Klinkt troostend mij toe van omhoog.
Ach hoogmoed! Maar is dan de gaard,
is de Akker, versmachtend van dorst.
Hoogmoedig? - mij, strijder op aard.
Aldus ook versmacht mij de borst.
Gij Prediker, daar in de lucht.
Hebt gij dan geen woord voor mijn hart?
En weet ge dan niet wat ik zucht?
En voelt gij dan niets van mijn smart?
Uit: P. N. de Genestet, Leekedichtjens, 1867.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's