De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De grenzen van de gemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De grenzen van de gemeente

Gereformeerde gemeentevorming in de 16e eeuw

9 minuten leestijd

In het nummer van twee weken geleden plaatsten we de bijdrage, die ondergetekende zou houden op het congres van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis in de Utrechtse Jacobikerk over de volkskerk. Op dit verhaal werd breed gereageerd. De zaak van 'de volkskerk" houdt nog steeds velen bezig.

In verband met dat thema namen we ook kennis van de uitgave Nieuw en Ongezien, door genoemde vereniging uitgegeven. In twee delen gaan A. Ph. F. Wouters (deel 1) en P. H. A.M. Abels (deel 2) in op 'Kerk en samenleving in de classis Delft en Delfland 1572-1621'. De schrijvers zijn twee rijksambtenaren in het Haagse Statenkwartier, die tijdens een middagwandeling het idee oppakten 'om een diepgaand onderzoek in te stellen naar de calvinisering in een deel van Holland'.

In het hier volgende wil ik uit dit werk graag iets doorgeven uit het hoofdstuk 'De grenzen van de gemeente', omdat daarin duidelijk naar voren komt hoe het met betrekking tot gemeentevorming in gereformeerde zin toeging in de tijd direct na de Reformatie, met name na het jaar 1572. De Gereformeerde Kerk beschouwde weliswaar zich - zo wordt in de verantwoording gezegd - als voortzetting van de apostolische, vroeg-christelijke kerk, maar: 'in haar belijdenis, ambtsdragers, organisatievorm en niet in de laatste plaats in haar bijzondere positie als beschermde en bevoorrechte kerk, was zij in de opstandige gewesten na 1572 een nieuw verschijnsel'.

Ontstaan

Wanneer ontstond een gemeente? Waar een predikant preekte voor een schare van belangstellenden, zoals bij de hagepreken aan de vooravond van de Beeldenstorm (1566), was nog geen sprake van een vergaderde gemeente. De Dordtse synode van 1574 maakte dan ook duidelijk, dat het begin van het gemeentelijk leven niet gemarkeerd moest worden met de aanvang van de prediking, maar in feite met de eerste avondmaalsviering! Later schreven de synoden van Dordrecht (1578) en Middelburg (1581) vóór hoe men tot zo'n eerste avondmaalsviering zou komen. Een predikant werd naar een plaats gezonden, waar nog slechts enkele gelovigen bijeenkwamen en moest uit 'de godzaligsten' onder hen enkele ouderlingen en diakenen aanstellen. De hoorders zouden vervolgens 'door prediking en vermaning tot het afleggen van hun geloofsbelijdenis gebracht moeten worden'. En als zo een gemeente verzameld was kon het avondmaal worden bediend.

Liefhebbers

In het stuk over de volkskerk noemden we al het onderscheid tussen lidmaten en 'liefhebbers'. De uitstraling van de Gereformeerde Kerk, bleef na 1572 niet beperkt tot de gemeenten en hun leden. Letterlijk wordt gezegd: 'Aan de periferie van de gemeenten bewogen zich de liefhebbers of "beminsters", zoals de Delftse predikant Arent Comelisz. de vrouwen onder hen bij voorkeur aanduidde.' Liefhebbers kunnen worden omschreven als 'aanhangers van de gereformeerde religie, die regelmatig de predikatie toehoorden, doorgaans ook geïnteresseerd waren in kerkelijke aangelegenheden, maar zich niet bij de gemeenten konden, wilden of mochten aansluiten, ofschoon zij de "jaren des onderscheids" voor het afleggen van een geloofsbelijdenis al hadden bereikt'.

In tegenstelling tot de lidmaten namen de liefhebbers niet deel aan het avondmaal en stonden zij niet onder toezicht van de kerkenraad. Ze waren derhalve ook gevrijwaard van de kerkelijke tucht. Ze werden geacht kerkleden-in-wording te zijn. De liefhebbers konden dan ook alleen passief een zekere invloed doen gelden, bijvoorbeeld als het ging om waardering van een bepaalde voorganger. Maar actief werden ze in de regel niet bij het beroepen van een predikant betrokken.

Er is onder historici verschil van mening over de vraag hoe breed de kring van liefhebbers om de gemeenten was. Bovendien lagen de verhoudingen tussen lidmaten en liefhebbers niet in alle delen van het land gelijk. De Delftse predikant Arent Comelisz. noteerde in zijn wijkboekje vier 'beminsters' tegenover bijna zeshonderd lidmaten. In het naburige 't Woudt vond Willem Varicius bij zijn eerste preek op 26 juni 1591 dertig personen onder zijn gehoor, terwijl hij op 27 december met slechts elf lidmaten het avondmaal vierde.

Doopleden

Minderjarige kinderen, die nog geen belijdenis des geloofs hadden gedaan en dus nog niet 'het recht en de plicht hadden verworven om deel te nemen aan het avondmaal', werden niet tot de gemeente gerekend, zelfs niet al bezochten zij regelmatig met hun ouders de kerkdiensten. Toch suggereerden de vragen van het door de kerk gehanteerde doopformulier, 'dat er een rechte weg diende te lopen van het (de, v.d.G.) doopvont naar de avondmaalstafel'.

De eerste doopvraag, die moest worden beantwoord was, dat de kinderen 'in Jesu Christo geheijlighet zijn, en daerom als lidtmaten zijner gemeijnte behoren gedoopt te wesen'. Hier wordt dus wel beleden, dat ze als lidmaten der gemeente behoren te worden gedoopt! Hiermee gaf de kerk aan, zeggen de schrijvers, dat de kinderen, behorend tot 'de christenheid' recht hadden op de doop.

De doopvragen van Petrus Datheen waren ontleend aan de Poolse hervormer Johannes a Lasco, en gingen ervan uit dat de doop een verzegeling was van de verbondsgedachte, waartoe in beginsel de hele christenheid hoorde, terwijl de eerste doopvraag er toch vanuit ging, dat de kinderen 'het zaad van deze onze gemeente" waren.

Aanvankelijk werd aan het beginsel vastgehouden dat slechts kinderen van lidmaten zouden worden gedoopt, 'maar deze normale regel zou niet te streng toegepast moeten worden'. Geneve - zo wordt opgemerkt - erkende, dat de Reformatie nog jong was en dat velen zich 'uit vrees of zwakheid' nog niet tot de Gereformeerde Kerk begeven hadden. 'Hun kinderen moesten dan toch gedoopt worden, waarbij in dit verband ervan uitgegaan moest worden, "dat Gods Verbond zich strecket tot in het duijsenste geslachte".

Intussen sanctioneerde de synode van Dordrecht van 1578 een ruime dooppraktijk. Op een vraag of kinderen van 'hoereerders, afgesnedenen, papisten en andere dierghelijcken' gedoopt mochten worden, wees de synode erop, dat de doop toekwam aan alle kinderen, die tot het bondsvolk behoorden. Als vaststond dat de kinderen niet buiten het verbond stonden, mocht hun de doop niet worden onthouden. Toen de Delftse kistenmaker Jan Mertens dan ook in 1582 beweerde, dat de kinderen uit katholieke ouders niet behoorden gedoopt te worden, omdat zij niet in het verhond begrepen waren, kreeg hij prompt een delegatie van de kerkcnraad op bezoek, die hem duidelijk kwam maken, dat kinderen van katholieke ouders wel degelijk onder het verhond stonden. Hun kwam daarmee de doop als verbondsteken toe, evenals 'eertijds de kinderen der afgodische en de afvallige Israëliten'.

De mime grenzen van het verbond werden nog eens geïllustreerd toen Cornells Jansz., predikant in Kethel, zich op 25 juni 1621 tot de classicale vergadering wendde met de vraag of kinderen van ongedoopte ouders gedoopt mochten worden. In haar antwoord ging de classis ervan uit, dat niet alleen op de ongedoopte ouders maar ook op de voorouders diende te worden gelet, die wèl waren gedoopt. 'In die zin zouden kinderen van ongedoopte ouders niet beschouwd moeten worden als kinderen van heidenen, maar als kinderen die uit christenen gesproten waren.'

De synode wees echter de doop van zigeunerkinderen resoluut af, omdat hun ouders nauwelijks de intentie zouden hebben hen op christelijke wijze op te voeden, 'terwijl het maar al te vaak voorkwam dat zij hun kind op vier of vijf dorpen ten doop hielden, om van de aangezochte doopgetuigen pillegiften af te troggelen'.

Kinderen, die al door ambtsdragers van andersgezinde christenen, 'zoals katholieke priesters en doopsgezinde vermaners' het bondszegel hadden ontvangen, werden niet opnieuw gedoopt. Een gemeentelid te Overschie wilde zijn oudste kind, dat reeds in de 'paapse' kerk gedoopt was, laten dopen in de Gereformeerde Kerk. De classicale vergadering gebood hierop beslist niet in te gaan, als 'zijnde wederdoperije'.

De nationale synode van Middelburg was overigens katholieke ouders, die soms geen antwoord gaven op de doopvragen, al in belangrijke mate tegemoet gekomen door het gebruik van de zinsnede in de tweede doopvraag, waarin de woorden voorkwamen 'de leere die hier gheleert wordt', min of meer vrij te laten.

Avondmaal

Zoals gezegd beperkte de kerkelijke tucht zich tot de lidmaten en dan speciaal rondom het avondmaal. De kerk toonde zich hoedster van dit sacrament, terwijl er sprake was van een ruime dooppraktijk. Ik citeer hier letterlijk het deel van Wouters:

'Calvijns eerste wachter voor het Avondmaal heeft zijn werk in de classis Delft waarschijnlijk naar behoren gedaan. Afgaande op de kerkeraadsacta verschenen zelden of nooit gasten aan tafel, die het waakzame oog van de kerkenraad waren ontgaan. De plattelandsgemeenten vermeldden vóór 1622 geen enkele ongenode deelnemer aan de viering, terwijl er voor Delft over een periode van bijna vijftig jaar slechts vier personen bekend zijn, die het sacrament ontvingen voordat zij op correcte wijze een belijdenis hadden afgelegd of een geldige attestatie hadden ingeleverd. Zij kregen achteraf terstond een predikant of ouderling op bezoek, die hen bestrafte of voor herhaling waarschuwde en eventueel alsnog de correcte weg naar het Avondmaal wees. Tot interventie (tussenkomst, v.d.G.) tijdens de viering heeft de kerkenraad niet willen overgaan, wellicht omdat hij vreesde dat het middel erger zou zijn dan de kwaal en de avondmaalsgemeenschap daarmee nog meer ontheiUgd zou worden dan door de onwaardige deelname.

Deze schaarse uitzonderingen buiten beschouwing gelaten, werd aan de uitgangspunten van Wezel en Emden geen afbreuk gedaan: alleen nieuwe kerkleden die hun beUjdenis hadden afgelegd of van elders inkomende lidmaten die een goede attestatie inleverden, kregen toegang tot het Avondmaal en werden daarmee opgenomen in de gemeente.'

Tenslotte

Ik volsta met deze weergave van een wezenlijk moment uit deze historische documentatie, waarin de wording van de gereformeerde kerk hier te lande op het plaatselijk vlak boeiend en wat de thema's betreft geschakeerd wordt behandeld.

Eén en ander is wat mij betreft nog een nadere uitwerking en onderstreping van wat ik eerder over de volkskerk schreef. Ook al viel die naam nog niet, de Gereformeerde Kerk in dit land heeft, blijkens haar dooppraktijk dunkt mij van meet af een volkskerkkarakter gehad. Dat dit niet in mindering kwam op het belijdende karakter blijkt uit de avondmaalspraktijk.

Mij dunkt, dat de zaken, waarom het hier gaat ook vandaag in de ontwikkelingen van het kerkelijk leven uiterst actueel zijn. Bedoelen we nog het hele volk, hebben we nog zicht op het hele volk? In de vorige eeuw kruisten dr. Ph. J. Hoedemaker hier­ over de degens met Abraham Kuyper. Vandaag is dat geding nog steeds aan de orde. Zeker de Gereformeerde Kerk opereerde in haar begintijd binnen het corpus christiorum. De samenleving had een christelijk gelaat. Ieder was bij de (een) kerk betrokken. Maar in de grondlijnen van toen liggen richtlijnen voor nu, ook al is verder de context anders.

N.a.v. P. H. A. M. Abels en A. Ph. F. Wouters, Nieuw en Ongezien, Kerk en samenleving in de classis Delft en Delfland 1572-1621, uitgave Eburon, Delft, 2 delen, resp. 661 en 544 pag., ƒ 97, 50 per deel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De grenzen van de gemeente

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's