De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een hoofdstuk uit de geschiedenis van de joodse hulpverlening

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een hoofdstuk uit de geschiedenis van de joodse hulpverlening

11 minuten leestijd

Een bijbels kernwoord

Gerechtigheid, tsedaka, is een bijbels kernwoord met vele aspecten, onder meer de zorg jegens de zwakke en de verdrukte, de arme en de ellendige. De christelijke gemeente staat ook hier op de schouders van Israël. Want in de wet, profeten en psalmen keert de roep om recht en gerechtigheid steeds weer terug. Israels profeten namen steeds weer krachtig stelling tegen allerlei vormen van sociale ongerechtigheid; ze herinnerden overheid en volk aan het heilig verbondsrecht en riepen allen op tot bekering. De God van Israël is immers degene die het recht der armen laat gelden. Volgens Jesaja 58 : 7 zal het licht opgaan voor hem die zijn brood deelt met de hongerige, de arme zwerveling in zijn huis onderbrengt en de naakte kleedt. Ten tijde van Jezus werd het doen van gerechtigheid gepraktizeerd door het geven van aalmoezen, door bidden en vasten (Matth. 6:1-18).

Gerechtigheid of rechtvaardigheid impliceert voor de jood dat het voor de gever een heilige plicht om te geven is, voor de ontvanger een onvervreemdbaar recht te ontvangen. De joodse filosoof Maimonides uit de twaalfde eeuw onderscheidde acht gradaties van tsedaka: Op de hoogste trede wordt de behoeftigheid van de ontvanger voorkomen. De gever schenkt of leent hem geld, zorgt voor betaalde arbeid of begint met hem een winstgevend bedrijf opdat hij niet tot armoede zal vervallen. Want, zo zegt de joodse traditie: een lastdier dat wankelt onder zijn vracht is vaak nog door hulp overeind te houden, maar is het dier eenmaal gevallen, dan kost het veel meer moeite het weer overeind te krijgen en op gang te brengen.

Het joods maatschappelijk werk

Ik kwam deze spreuk tegen in een omvangrijke studie van Isaac Lipschits waarin deze het joods maatschappelijk werk van 1946 tot 1996 in kaart brengt, te weten de bestuurlijke en organisatorische aspecten, de verschillende werksoorten, de verschuivingen als gevolg van ontwikkelingen in de samenleving. Ook deze joodse stichting heeft in de afgelopen decennia de problemen gekend van de handhaving van de eigen identiteit. In hoeverre konden niet-joodse medewerkers worden aangesteld? Het behoud van de joodse identiteit, schrijft Lipschits op blz. 361, is niet slechts een doel op zichzelf, maar tevens een noodzakelijkheid voor het scheppen van een sfeer van vertrouwen voor de joodse hulpvrager. Waar de overheid sinds de jaren '60 druk uitoefende om in het uitvoerend werk tot grotere eenheid te komen en een scheiding tussen beleid en uitvoerend werk voorstond, waarschuwde de joodse besturenraad tegen de tendens om in het uitvoerende werk het levensbeschouwelijke aspecte een ondergeschikte rol te laten spelen.

Evenals christelijke instellingen moest ook het joods maatschappelijk werk voortdurend strijden om het behoud van de eigen identiteit in een klimaat gestempeld door schaalvergroting, regionalisering, fusering, decentralisering en kostenbesparing. Handhaving van een aparte joodse instelling stond, zo merkt de schrijver op, haaks op de richting die in het welzijnswerk werd ingeslagen. Ik denk, dat dit ook voor ons maar al te herkenbaar is.

Joodse armenzorg vanaf de vorige eeuw

De auteur geeft ook aandacht aan de voorgeschiedenis, de joodse armenzorg zoals die vanaf de 19e eeuw zich ontwikkelde. In 1796 werden de joden niet langer als afzonderlijke natie gezien, maar deel van de Hollandse natie. Hun verband als natie werd vervangen door een organisatie, die de godsdienstige eenheid van de joden tot uitdrukking moest brengen: een kerkgenootschap.

Binnen het Nederlands-Israëlietische Kerkgenootschap hadden de joodse gemeenten, de kehilloth, hun plaats. Het streven van Carl Asser, telg uit een beroemd geslacht van rechtsgeleerden, om de maatschappelijke positie van joden in ons land te verbeteren, leidde n 1818 tot de instelling van armbesturen binnen grote joodse gemeenten. Amsterdam kreeg in 1825 een dergelijke instelling.

Op tal van terreinen was men actief, zoals ziekenzorg, een leenfonds, het verstrekken van ritueel voedsel aan gedetineerden, bijstand in dagen van rouw enz. Naast deze armbesturen zetten tot 1940 vele honderden verenigingen zich in voor hulpverlening. Ook kende ons land enkele grote joodse instellingen zoals ziekenhuizen, de psychiatrische inrichting 'Het Apeldoornse Bosch' - de trots van de joodse gemeenschap, aldus Lipschits - , het Nederlands-Israëlietisch Jongens-Weeshuis in Amsterdam. Overigens constateert de schrijver dat de veelheid van organisaties en instellingen het werk sterk verbrokkelde en onoverzichtelijk maakte.

Vluchtelingenopvang in de jaren '30

Ik concentreer me in dit artikel op de passages, die betrekking hebben op de jaren '30 en de periode van de Tweede Wereldoorlog, de tijd waarin de nazi's aan de macht kwamen en hun terreurbewind uitoefenden. Zes miljoen joden zijn in de jaren '33-'45 door de beulen van Hitler vermoord. De Sjoa en haar gevolgen hebben een blijvend stempel gedrukt op het joods maatschappelijk werk.

De vluchtelingenstroom vanuit Duitsland en de door Hitler bezette gebieden laat zien, dat voor de joden in ons land de oorlog in feite al begonnen is toen Hitler aan de macht kwam.

Vanaf het begin van de diaspora, de verstrooiing, hebben joden geweten wat vluchten betekent, omdat hun niet-joodse omgeving voor hen het leven onmogelijk maakte. In de vorige eeuw waren het de pogroms in Rusland die een golf van joodse vluchtelingen teweeg brachten. Nazi-Duitsland heeft van meet af met opzet een vluchtelingenprobleem gecreëerd om op die wijze in het buitenland begrip te kweken voor de anti-joodse maatregelen. Deze geraffineerde tactiek bleek op gruwelijke wijze effectief te zijn. Op 30 december 1938 berichtte een Duits gezant in Den Haag aan de regeerders in Berlijn, dat onder druk van het grote aantal vluchtelingen het antisemitisme in Nederland groeide. Het lot van de vluchtelingen, de eenzaamheid en de ontworteling, werd nog verzwaard doordat zij de indruk kregen dat zij ook door grote delen van de Nederlandse joodse gemeenschap met vijandigheid bejegend werden. Vele Nederlandse joden zagen in de aanwezigheid van de vluchtelingen een bedreiging. Anderzijds moet ook bedacht worden dat de joodse gemeenschap zich grote financiële offers getroostte om het vluchtelingenwerk te financieren. Men kreeg van de overheid geen subsidie. In een brief van 3 mei 1940 aan de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken schreven de leiders van het Vluchtelingencomité, dat men uit particuliere fondsen de kosten, ten bedrage van ƒ 6.188.267, 73 gedekt had.

Falend overheidsbeleid

Het overheidsbeleid in de jaren '30 was op dit punt onthutsend.

In september 1939 maakte de regering bekend dat zij 'tot haar leedwezen' zich gedwongen zag de toelating van vluchtelingen stop te zetten. Het klinkt ons achteraf ongelofelijk in de oren, als we lezen hoe een van de hoge ambtenaren in december 1938 - dus na de Kristallnacht! - verscherping van het toelatingsbeleid bepleitte en illegale vluchtelingen wilde terugsturen naar Duitsland omdat gesproken kon worden van een 'meer gunstige toestand in Duitschland'. Toen joodse instanties verzochten om in de vluchtelingenkampen lezingen te laten houden, schreef diezelfde ambtenaar dat 'alles vermeden moet worden, wat de indruk zou kunnen wekken dat het in de kampen een Duitsch Joodsch onderonsje is, waarin gekuipt wordt tegen het Duitsche systeem'.

Aangenomen wordt dat in de jaren 1933-'40 ongeveer 34.000 joden uit Duitsland naar ons land zijn gevlucht, waarvan ongeveer 20.000 via ons land naar andere landen zijn vertrokken.

De oorlogsjaren

Zonder dat Nederlandse ambtenaren zich daar tegen verzetten hevelde de Duitse bezetter al in een vroeg stadium de zorg voor de joden in Nederland over van de Nederlandse overheid naar de Joodse Raad. Op deze wijze werden joodse burgers geïsoleerd van de rest van ons volk. Via een wettelijke heffing poogde de Joodse Raad de financiële problemen in de zorg voor de armen te baas te worden. September 1942 was meer dan 6,5 miljoen gulden toegezegd en grotendeels ontvangen. Men had het geld ook nodig. Want het aantal armlastige joden nam snel toe. Naast de zorg voor de vluchtelingen nam de verpaupering toe, veroorzaakt door de uitstoting van joden uit het economisch leven en de beroving van hun bezittingen.

Geleidelijk aan werden de duimschroeven aangedraaid: het in beslag nemen van joodse vermogens, de opheffing van joodse instellingen, de deportaties. De hulpverleners moesten improviserend reageren op de deportatieactiviteiten van de Duitsers. Het is bekend dat de rol van de Joodse Raad inzake hulp aan mensen aan de vooravond van hun deportatie omstreden is.

Lipschits merkt overigens op, dat we voorzichtig moeten zijn met opmerkingen achteraf. Hoe men ook over de activiteiten van de Joodse Raad moge oordelen - de illegale pers had al in de oorlogsjaren gewaarschuwd voor de zwarte kanten van hun werk - het maatschappelijk werk dat door en onder leiding van deze Raad is verricht, betekende voor de vervolgde joden een geestelijke en een materiële steun. 'Ook al vervloog de geestelijke steun in de gaskamers, ook al werd de versterkte materiële steun op de perrons van de concentratiekampen weer geroofd - op het moment dat de steun werd gegeven heeft het voor de "hulpvragenden" veel betekend en het steunen van de verdoemden was toch een zaak van rechtvaardigheid, van tsedaka' (blz. 58).

De eerste naoorlogse jaren

In de Tweede Wereldoorlog hebben niet alleen joden geleden. Het grote verschil met niet-joden is echter, dat alle joden geleden hebben. Telden alle volken hun doden, de joden telden de overgeblevenen. Lipschits wijst erop hoe het joods maatschappelijk werk nog steeds geconfronteerd wordt met de gevolgen van de Sjoa: mensen die door hun oorlogservaringen en de ondervindingen daarna zijn getraumatiseerd. Want ook al was in 1945 de Sjoa voorbij, de opvang en de ontvangst van de overlevenden was zo slecht dat de auteur de naoorlogse periode tot '60 de kleine Sjoa noemt.

Het is schokkend te lezen hoe de Nederlandse overheid in de eerste jaren geen consideratie had met de joodse gemeenschap, hoe in de pers al weer spoedig antijoodse uitlatingen te lezen waren. Lipschits verklaart dit verbale antisemitisme ten dele uit schuldgevoelens, omdat men in de jaren van de bezetting gefaald had tegenover de joden. De strijd om rechtsherstel, om het terugkrijgen van verloren gegane bezittingen was moeizaam en zwaar. Soms bleken staatsbelangen zwaarden te wegen dan de belangen van de ontrechte joodse burger.

De balans opmakend van die eerste jaren na 1945 schrijft Lipschits dat de kleine Sjoa tot veel desillusies binnen de joodse gemeenschap heeft geleid. Joden ondervonden weinig gehoor binnen de samenleving voor het ondergane leed, terwijl velen ook niet over hun oorlogservaringen konden en wilden praten. Pas in de jaren '60 toen een nieuwe generatie, geschokt door het proces tegen Eichmann kritische vragen ging stellen, onderging het beeld van de oorlog een verandering.

Overigens merkt de auteur ook op, dat de periode van de kleine Sjoa naast desillustie ook versterking van het joods moreel met zich meebracht, vooral na de stichting van de staat Israël in 1948.

4 mei-herdenking

Dit artikel verschijnt kort voor de 4 meiherdenking. Daarbij mag onze aandacht in de eerste plaats uitgaan naar de joodse slachtoffers van het nazisme. De titel van het boek van Lipschits is Tsedeka: rechtvaardigheid. We moeten constateren dat er in de jaren '30 en daarna veel gepasseerd is wat vloekt met deze bijbelse notie. Wat we ook uit andere bronnen weten. wordt door dit boek bevestigd. Land en volk hebben goeddeels verstek laten gaan als het ging om solidariteit met de vervolgde joodse broeders en zusters. Het gaat me daarbij niet om een goedkoop oordeel. Een constatering achteraf is altijd gemakkelijk en daarom ook gevaarlijk. Het mag ons wel tot nadenken stemmen.

Racisme en antisemitisme duiken telkens weer op. Het vluchtelingenvraagstuk is ook in deze jaren een nijpend probleem. Hoe kun je zuiver beoordelen of illegale vluchtelingen terug kunnen zonder dat hun leven gevaar loopt? De jaren '30 laten zien hoe overheidsfunctionarissen zich op dit punt grandioos vergist hebben en de waarschuwende stemmen die er ook toen waren genegeerd hebben. Zoiets kan ook vandaag gebeuren. Ik denk aan wat nog niet zo lang geleden werd geschreven over de zogenaamde veilige situatie in Iran.

In de mei-dagen herdenken we de bevrijding: Bevrijding uit tyrannie is gave en opgave: vrijheid tot dienst. In hulpverlening en welzijnszorg gaat het om het beoefenen van de gerechtigheid jegens hen die onderliggen en geen helper hebben.

Het getuigenis van Wet en profeten, dat wij niet Israël delen, vormt de bron en de norm voor de beoefening van de gerechtigheid. In ons geseculariseerde levensklimaat zijn velen van die bron vervreemd. Voor de toekomst van ons volksleven komt het erop aan, dat wij leven uit die bron en in onze samenleving de Naam van Hem, die de God der gerechtigheid is, in woord en daad hooghouden.

Isaac Lipschits, Tsedaka. Een halve eeuw joods maatschappelijk werk in Nederland, 462 blz., ƒ 69, 50, Walburgpers, Zutphen 1997.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een hoofdstuk uit de geschiedenis van de joodse hulpverlening

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's