De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De handen van de kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De handen van de kerk

10 minuten leestijd

Onze handen

Het diaconaat zou je de handen van de christelijke gemeente kunnen noemen.

Kort na de oorlog troffen Amerikaanse soldaten tussen het puin en de brokstukken van een door bommen getroffen kerk in Duitsland de resten van een marmeren Christusbeeld aan. Toen ze na eindelijk de stukken bij elkaar gevoegd en het beeld weer op het voetstuk hadden, miste het de beide handen - die waren bij de val vergruizeld. Zo lieten ze het staan en op het voetstuk schreven zij: 'Ik heb geen andere handen dan die van u'.

Een eenzijdige uitspraak, ik geef het direct toe, maar soms moet je om met Noordmans te spreken, het dogma scheef trekken om gehoord te worden.

De gemeente van Christus is geroepen tot dienst. De kerk heeft dat altijd wel geweten. Als er gevraagd wordt naar de rechte viering van de rustdag wordt in een oud leerboek van de kerk onder meer gezegd, dat de gemeente samenkomt om 'de armen christelijke handreiking te doen'. Weer zo'n tekenend woord. Mensen die de ander de hand reiken in naam van Hem die geen andere handen heeft dan die van ons.

Armenkerk

Ja de kerk heeft dat altijd geweten, maar niet altijd in praktijk gebracht. De geschiedenis van het diaconaat kent ook zijn dieptepunten. In de vorige eeuw maakte persoonlijke aandacht voor een mens in nood nogal eens plaats voor een onpersoonlijk stelsel van bedeling. Douwes heeft in zijn boeiende boek over het diaconaat in Rotterdam in de vorige eeuw het portret getekend van de zogenaamde 'armenkerk': In dat kerkgebouw kwamen alleen de bedeelden, aangevuld met een predikant, een ouderling en twee diakenen. Bij de ingang van de kerk kregen de armen een kaartje met het woord 'zondag' dat bij de uitreiking van de ondersteuning op straffe van een forse boete weer moest worden ingeleverd. Het is de wereld van Keesje, het diakenhuismannetje uit Hildebrandts Camera Obscura.

Natuurlijk, er is over die tijd ook een ander verhaal te vertellen. Het verhaal van onbaatzuchtige inzet van de mens in nood vanuit de kringen van het Reveil: mensen als Jan de Liefde, Heldring, Pierson.

Levende zaak

En vandaag? We kunnen van onze tijd veel kwaad vertellen. We kunnen een heel klachtenboek over de kerk samenstellen. Er vallen ook goede dingen te melden. Het diaconaal besef blijkt bij velen een levende zaak te zijn.

In een recent overzicht over het reilen en zeilen van hervormde gemeenten wordt geconstateerd dat er bij velen een krachtig diaconaal besef leeft en dat er door diakenen en gemeenteleden, bevlogen jongeren en creatieve ouderen veel gedaan wordt. Een breed scala van activiteiten: van een bloemendienst tot een inloophuis, van contacten met gebroken gezinnen in de eigen wijk tot gemeentecontacten met Oost-Europa, van de inzet voor vluchtelingen en asylzoekers tot terminale thuiszorg. En dan is er nog de stille hulp, de vriendenen burencontacten, waar niet over gesproken wordt, maar die zomaar tot stand komen.

Toch blijft waakzaamheid en bezinning geboden. Juist in onze samenleving. Want elke tijd heeft zijn eigen risico's. Waren het in een vorige eeuw de standen die de verschillen markeerden, vandaag is het de economie die een nieuwe standenmaatschappij dreigt te creëren. Een tweedeling tussen rijken en armen, mensen met een baan en baanlozen, de winnaars en de verliezers. Niet alleen lokaal, maar nog meer: mondiaal.

De welvaartsstaat laat het afweten voor mensen die zorg nodig hebben. Een 24uurs economie dreigt welzijn op te offeren aan bezit.

De smekende mens

Waar gaat het om in het dienstbetoon? Het gaat om mensen.

Mensen in de knel. Mensen met hun smalle kanten en smalle beurzen. Mensen aan de onderkant. Dichtbij of ver weg. Op het drieluik dat Bert Kersten maakte voor Ethiopië zien we links de smekende mens afgebeeld. Het is de mens uit de Klaagliederen van Jeremia. Slachtoffer van geweld en terreur, van honger en armoe, van natuurrampen en epidemieën.

En die ene vrouw staat model voor de miljoenen mensen in nood op deze aarde: aidspatiënten en daklozen, vluchtelingen en oorlogsslachtoffers, gevangenen en gefolterden, psychiatrische patiënten en vereenzaamden, verslaafden en gebondenen, en niet te vergeten de kinderen, die het meest kwetsbaar zijn, kinderen die vanwege de dwaasheden van machtshebbers het eerst kind van de rekening worden.

De smekende mens. Smeken... dat is roepen. De Profundis exclamavi: Uit de diepte roep ik tot U, o Heer. Want mensen zijn van God. Mensen gaan Hem ter harte. En daarom worden ze ons op het hart gebonden. Daarom roepen we in de samenkomst van de gemeente de Heere ook om ontferming aan. Geven we stem aan de stemmelozen, bidden we voor wie niemand bidt.

Maar wie roept om ontferming wordt ook geroepen barmhartigheid te bewijzen metterdaad.

Barmhartigheid

Barmhartigheid... een prachtig woord, een sterk woord. Helaas in ons spraakgebruik vaak afgevlakt. Daarom doen we goed telkens weer het bijbels ABC te spellen. In de leer te gaan bij wet en profeten, evangelisten en apostelen, die ons spreken van de God van Israël, barmhartig en zeer genadig, een God, die het recht der armen en der verdrukten laat gelden.

Een God die in Jezus Christus naar ons omziet.

De vraag die in het diaconaat altijd weer naar ons toe komt is: Hoe kijken we naar mensen? Met welke blik? Kritisch beoordelend en vaak veroordelend, beschuldigend. Of onbewogen en een tikje apathisch, want het is iedere avond weer hetzelfde beeld wat je voorgeschoteld krijgt. En kan ik wat er aan doen...

De smekende mens vraagt geen fooi, geen aalmoes, geen medelijden, wel aandacht, zorg, liefde. Naar mensen die geraakt door de blik van Christus omzien naar de anderen.

Bron

Maar hoe houd je het vol in die wereld van nood en ellende? Wat motiveert ons in het dienstbetoon? Natuurlijk, we moeten heel nuchter constateren, dat christenen niet het monopolie op naastenliefde hebben.

Integendeel, Abraham Kuyper wist het al: de wereld valt soms mee, terwijl de kerk het af laat weten.

Gods Geest heeft meer pijlen op zijn boog dan wij vaak denken. We bespeuren het in de inzet van zovelen voor recht en gerechtigheid, in de strijd tegen al die ontmenselijkende machten en krachten. Daar mogen we ons over verheugen.

Nee, christenen hebben niet het monopolie op naastenliefde, ze weten wel van de bron waaruit deze opwelt. Die bron is de liefde van Jezus Christus, de Diakonos, de Dienaar bij uitstek.

Hij is in ons midden gekomen als één die dient. Op een unieke wijze. Tot in de dood van het kruis. Als onze Heiland, die heelt wat stuk is. Het heil wat Hij is en geeft, is naar een woord van Berkhof: het antwoord op de dubbele gods-en zelfvervreemding van de mens, namelijk op zijn schuld en zijn nood.

Samen delen

Als één die dient... Het is een woord dat Jezus uitsprak toen Hij het avondmaal instelde, de maaltijd van de gemeenschap. Bij brood en beker gedenken we dat Christus Zich gaf voor ons, verkondigen we Zijn dood en oefenen we de gemeenschap met Hem en elkaar.

Het diaconaat van de christelijke gemeente ontspringt aan de avondmaalstafel. Daar heeft diaken zijn of haar plaats. Daar gaan zij ons voor op de weg van het dienstbetoon. Delend in de gave van onze Heer en Heiland worden we geroepen tot dienen en delen.

Want juist deze maaltijd drukt zijn stempel op de gemeente. In een van de oudste avondmaalsgebeden wordt het indrukwekkend vertolkt: 'Zoals dit gebroken brood verspreid was over de bergen en tot één geheel werd samengebracht, laat zo Uw kerk verzameld zijn van de uiteinden der aarde in Uw rijk'.

Een van de kerkvaders schrijft ergens: 'Wanneer de Heere Zijn bloed de wijn noemt, die, hoewel geperst uit vele druiven, slechts één drank vormt, dan geeft Hij wederom te kennen, dat de kudde, die wij zijn, voortkomt uit een veelheid die tot eenheid is gebracht'.

Wie vertrouwd is met het klassiek gereformeerde avondmaalsformulier zal deze oerchristelijke en katholieke geluiden herkennen.

Juist de Tafel van Christus leert ons het woord 'gemeenschap' spellen. Het is één tafel waaraan wij samenkomen; één brood, dat wij eten, één wijn die we drinken. Zoals Christus ons diende, zijn wij elkanders dienaren. Zoals Hij ons eerst heeft liefgehad, hebben we elkaar lief.

Wij leven in een cultuurklimaat waarin het individualisme hard toeslaat. Mensen worden teruggeworpen op zichzelf. En de zwakken worden daarvan het eerst de dupe. De christelijke gemeente is altijd een kind van haar tijd. Ook wij lopen gevaar elkaar uit het oog te verliezen.

Daarom is het goed dat diakenen, komend van de avondmaalstafel en staande in samenleving ons voortdurend herinneren aan dit oerchristelijk besef van de maaltijd, dit oog hebben voor elkaar, dit omzien naar elkaar, deze verbondenheid in woord en daad, in voorbede en zorg.

Niet alleen daar waar ter plekke samenkomen, maar wereldwijd.

Daarom helpen kerken kerken in het werelddiaconaat. Daarom zijn er gemeentecontacten met de broeders en zusters in Oost-Europa. Daarom zie je her en der in onze samenleving inloophuizen en opvangcentra, waar mensen voor elkaar een open deur naar Christus willen zijn. En waar de gezamenlijke maaltijd iets van die solidariteit, die zorg voor de ander concreet tot uitdrukking brengt.

De dankende mens

Waartoe dient het? Wat is het doel van diaconale activiteit? Is dat geen verkeerde vraag, hoor ik u zeggen. Dienstbetoon jegens mensen in de knel moet toch spontaan en belangeloos zijn. We mogen er toch geen verborgen agenda op na houden. Ik onderschrijf dat graag. Maar juist daarom ben ik wat voorzichtig met het woord 'belangeloos'. Want het kan ook een dekmantel zijn waarachter niet benoemde belangen wel degelijk schuil gaan. Psychologen prikken daar soms genadeloos doorheen.

Waarom zouden we als doel van diaconale arbeid niet mogen stellen dat we het beste willen delen wat we ontvangen hebben van onze God? Dat we gaven willen delen wereldwijd.

En delen... houdt ook wederkerigheid in. Hulpverlening loopt altijd weer het gevaar tot een eenrichtingsverkeer te vervallen. Dan staat de gever tegenover de ontvanger. En 'tegenover' wordt dan al snel 'hoger dan...'.

Wederkerigheid

Wederkerigheid betekent dat helpers en geholpenen op elkaar zijn aangewezen en beurtelings gever en ontvanger worden. Dan pas is er ook sprake van een echte ontmoeting. Ik besef terdege dat woorden als wederkerigheid, gemeenschap, ontmoeting makkelijker uitgesproken dan waargemaakt worden.

Verschillen tussen mensen - zieken en gezonden, rijken en armen, blanken en zwarten - leiden zo vaak tot kloven.

Vooral waar in hulpverlening en diaconale zorg het geld een rol speelt, liggen de gevaren op de loer. Want geld betekent macht en maakt mensen afliankelijk van elkaar.

Wanneer komt het tot echte wederkerigheid, tot een echte ontmoeting? Als wij bij alle verschillen in situatie, stand, klasse, positie en ras bedenken dat we samen staan voor Gods aangezicht, samen aangewezen zijn op dezelfde bron, hetzelfde heil, dezelfde genade.

In de oudste collecteaanbeveling voor het werelddiaconaat, 2 Korinthiërs 8 en 9 roept Paulus ons tot deze wederkerigheid.

Christenen uit de volken en Messiasbelijdende joden dienen elkaar met de gaven die God geeft. Die dienstverlening betekent niet alleen de leniging van de noden van de christenen in Judea, maar ook een overvloed van dankbetuigingen aan God. Dankzij het bewijs van uw dienstvaardigheid, schrijft de apostel, zullen de christenen in Judea God verheerlijken om uw loyale gehoorzaamheid aan het evangelie. Het is het rechterpaneel op het drieluik: de dankende mens die God prijst om de overvloed van Zijn gaven.

Liturgie en diaconie, lofprijzing en dienstbetoon hebben alles met elkaar te maken. Van Bonhoeffer is het beroemde woord: Slechts wie joden helpt, mag gregoriaans zingen. Maar je mag ook zeggen: daar waar de lofzang klinkt, worden we gesti­ muleerd tot dienst. Gevers en ontvangers wisselen van plaats en verenigen zich samen in de lofzang.

Dat is pas echte wederkerigheid. Echte ontmoeting. 'De werkelijke ontmoeting tussen rijken en armen wordt gekenmerkt door een dubbel kijken: elkaar zien en samen Jezus, ieders Heiland, ieders Maker, zien (A. Romein).

Zo reiken we elkaar de hand. In het diaconaat gaan onze vaak zo verkrampte en gesloten handen open. Maar dan komt het er wel op aan, dat wij naar een woord van Ida Gerhardt 'de handpalm openen naar het licht'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De handen van de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's