Uit de pers
Gooi deze Jona overboord
Zo besloot de dichter-dominee Geert Boogaard eens een gedicht waar hij boven schreef Pastor X: O God, gooi deze Jona overboord. Boogaard hekelt in het hier geciteerde gedicht de vlotte babbel van de beroepstrooster waartoe een dominee soms verleid raakt. De dominee, er is de laatste weken nogal aandacht aan hem/haar besteed in de pers. Veel van die aandacht is opgeroepen door de tentoonstelling 'Vier eeuwen domineesland' in het Museum Catharijneconvent in Utrecht (nog tot 17 augustus te bezoeken!).
In het Hervormd Weekblad verzorgt ds. B. H. Weegink (Katwijk aan zee) de rubriek Kruimels. Daarin schreef hij onlangs onder de titel Herdersporen in domineesland. Het heeft hem gestoten dat men tegenwoordig al te makkelijk over het kerkelijk leven schrijft in de verleden tijd. Dat gebeurde op het bekende symposium over de volkskerk: 'Was de Nederlandse Hervormde Kerk een volkskerk? '. Was? Is het dan afgelopen soms, aldus ds. Weegink.
'Dat trekje van gedane zaak zit ook in de toelichting op de expositie "Vier eeuwen domineesland" in het Utrechtse Catharijneconvent. Niks kwaads van die tentoonstelling. Vast heel mooi. We gaan er kijken. Aandacht voor vijfendertigduizend predikanten die sinds de Hervorming ons lief koopmansvaderland onder het Woord hebben gevormd. Prachtig dat daar hun konterfeitsels hangen; portretten, kleren, studeerkamer, kansel, je mag het allemaal zien. Buitengewoon dat je op een bandje de stemmen van preektijgers hoort. De preekpoging van "Trouw" in Naarden 1997 kan er slechts bij verbleken. Heerlijk dat je er bij de deur "Nog een goede dag verder en tot volgende zondag" krijgt toegewenst. Maar de "view" is weer zo'n akelige terugblik. "Vroeger zag je nog een predikant. Je kon de dominee gewoon in het wild herkennen. Gewaad, gelaat, gepraat. En als hij hervormd was deed-ie voor de burgemeester niet onder Dominee op de hoge stoep deelde de notabele stand."
En dan doen ze net of het nu is afgelopen. Of het ganse echelon weleerwaarden is doorgeschoten naar het zieleknijperdom, de psychotherapie en het vele hulpverlenerschap op het sociaal middenveld. Alsof de volbloed-dominee in het museum ligt. Ga toch! Er lopen in ons land - naar men zegt - in totaal zesduizend predikanten rond, heus niet allemaal op geitenhaar en in werkmanstrui. Kolder te zeggen dat ze een ongelooflijke schutkleur hebben aangenomen. Met en zonder ichthus-visje, kruisje of hugenoten-sier kun je ze gewoon kennen. Sommigen dubbel en dwars. Denk je nou echt dat de doorsnee-dominee zich zit te schamen voor het feit, dat hij dominee is? Trouwens, er is nog nooit zoveel gevraagd naar de dominee en de uitstraling van de kerk als nu, in de dagen Kok en zijn paars genootschap van de "BV Nederland". Het mocht de criticasters al eens zijn opgevallen!
"Van de status van predikant is helemaal niets over; zijn imago heeft deze eeuw een enorme val gemaakt. De dominee is nu gewoon een ondernemer op de ongewisse markt geworden. Hij heeft in te spelen op de gevoelens, behoeften en stemmingen van zijn cliënten, stelt theoloog David Bos in het nieuwe Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme sinds 1800. En de fameuze dr A. H. van den Heuvel deed er bij de presentatie van dat jaarboek, gelet op zijn halfvol geschreven pagina in "Trouw", nog een schepje bovenop:
"Ingehaald door de tijdgeest; tot halverwege de jaren '60 had de dominee nog wat, maar daarna is 't afgelopen". Nou, daar heeft Albert, de vroegere secretaris-generaal van onze kerk, dan zelf flink aan meegeholpen, dacht ik. Het gaf de nodige revolutie in de tent toen hij de pijp aan Maarten gaf en een omroepbaan in de niet-confessionele wereld koos. Misschien verlangt hij wel een beetje terug; het is door de schutkleur nooit één, twee, drie duidelijk wat een mens precies bedoelt.
Natuurlijk, het cachet van het ambt is niet meer dat van weleer. Vijfendertig jaar geleden kon het in Katwijk aan Zee nog gebeuren dat ds. W. L. Tukker, een seigneur onder de ambtsgenoten, zijn wekker naar Saton ter reparatie bracht en vervolgens in het holst van de nacht de telefoon greep om te vragen wanneer het uurwerk klaar was. "Maar weet u wel hoe laat het is? " zei de klokkenmaker "Welnu, brrroeder, dat is nu juist de quaestie, " had de dominee gezegd en daarmee de zaak ten spoedigste geregeld. Vandaag schraapt ook de dominee tegen een antwoordapparaat.'
Ds. Weegink besluit zijn bijdrage met de opmerking dat er in ons land toch nog een 'domineescultuur en leraarliefde' bestaat. De eindredacteur van ons huisorgaan levert elke veertien dagen in het Reformatorisch opinieblad Koers zijn column Oogluikertje. Van der Graaf is gewend deze bijdrage in een ludieke toon te schrijven en hij zag er kennelijk wat in om hetzelfde thema als ds. Weegink bij de kop te nemen. Hij zet er de uitdrukking Tobbers boven en schrijft het volgende:
' "Hoe gezegend in ons land
Is het vak van predikant! -
Godes hand rust, buiten kijf,
Zichtbaar op dit vroom bedrijf',
dichtte ooit Cornells Paradijs lichtelijk ironisch. In een negen-en-dertig strofen tellend gedicht kwam hij verder op te merken, dat er onder predikanten zoveel (gezegende) dichters waren: B. ter Haar, Nicolaas Beets, Laurillard, M. A. Perk, Allard Pierson. En niet te vergeten De Genestet: "wel was hij wat los van trant, maar toch bleef hij predikant". En dan de onvergetelijke Ten Kate (J. J. L.): "... zingt nu cantaten... Daar komt J. J. L. ten Kate".
In Abraham Kuyper zag Paradijs geen dichter:
Kuyper is wel Predikant,
En schrijft tevens in een krant
Maar die heeft zo'n vreemd idee
Van zijn plicht als dominee
Zeker is hij groot en knap
Maar het Christ'lijk leraarschap
Drijft hij wel wat oorlogzuchtig,
Wat rumoerig en luidruchtig...
We realiseren ons intussen wel, dat de heer Paradijs zijn lied over de dominee-dichter tokkelde in de vorige eeuw, toen de eerwaarde slechts drie notabelen naast zich had: de burgemeester, de bovenmeester en de dokter. Kostelijk rijst het beeld van de gelukkige dominee voor ons op in het boek "Vier eeuwen domineesland", uitgegeven vanwege een museum in Utrecht, dat speciaal aan het predikersgilde is gewijd. We horen C. E. van Koetsweld over "de bevestiging in het ambt" zeggen: "Ja waarlijk! er zijn tijdstippen in het menselijk leven, ach! waarom zijn ze zo kort? - tijdstippen, waarop men gevoelt, dat de ladder van Jacob nog staat opgericht en de engelen Gods opklimmende en nederdalende zijn tussen hemel en aarde". Wat wil een dominee nog meer? En wat denkt u van mevrouw M. J. de Vrijer-Struijs? "Heeft u er wel eens over nagedacht, hoe schoon het is voor een predikant en zijn vrouw om 'standlooze' mensen te zijn; en dat een pastorie 'neutrale' grond is, waar rijk en arm zich één kunnen voelen als Gods kinderen? Verscheidenen hunner schonken ons een hoge vriendschap". Jaren later zeiden de mensen nog: "weet u nog wel, dat wij koffie dronken bij u op de pastorie? ".
Maar o tijden, o zeden, waar is die goede domineestijd gebleven? Want wat lezen we nu? Dominees zijn tobbers geworden. Als men geachte sprekers op een jaarlijkse predikantendag mag geloven: "Een tobberig volkje". Omdat hun ambt ontdaan is van alle romantiek, die ooit aan hun bestaan eigen was? Dat kan niet waar zijn. Een domineesgezelschap van veertig jaar geleden oogde "statiger" dan een navenant gezelschap nu, ondanks welke dressing dan ook. De gemiddelde dominee is "gewoner" geworden.
Maar inderdaad, de pastores jagen mee voort in de vaart van de tijd en zijn zelf ook niet altijd stress-bestendig. Waar is nog de tijd voor broodnodige rust en voor een "gezellig" kopje koffie met gemeenteleden? En dan al die mondige veelweters in de gemeente; en de stromingen, om niet te zeggen de partijen. En verder: de predikant maar bemiddelen in onoplosbare huwelijkse on-relaties en aanverwante moderne probleemvelden. Nee, predikant zijn is vandaag geen pretje. Hoe gelukkig in dit land...?
Maar om nu van de weeromstuit het predikantendom als tobberig volkje te gaan omschrijven. Dat is toch beneden hun échte waardigheid! Ze hebben toch ook nog een keer volmacht? ! Wel staan ze zelf ook midden in een tijd, die in vele opzichten "tobberig" is. Zouden ze zo misschien ook moeten leren hoe hun schapen vandaag vaak tobben (moeten) over de complexe levensvragen? Wat zei De Genestet ook weer?
Gij prediker, daar in de lucht,
hebt gij dan geen woordje voor mij?
Uw rede, als een galmend gerucht.
Rolt ledig mijne ziele voorbij (...)
Gij prediker, daar in de lucht.
Hebt gij dan geen woord voor mijn hart?
En weet ge dan niet wat ik zucht?
En voelt gij dan niets van mijn smart?
Zuchters kunnen zuchters verstaan en tobbers tobbers. Dominees zijn er tenslotte, omdat het leven buiten het paradijs ligt. Nochtans zijn ze boodschappers van een Paradijs in hope. Cornelis Paradijs had nolens volens toch best een beetje gelijk. En daarom: niet tobben broeders!'
Een tobberig imago? Hoe komen we er aan? Beter: hoe raken we er van af? Er is inderdaad geen enkele reden voor. In de schitterende catalogus 'Vier eeuwen domineesland' staat o.a. een bijdrage van prof. dr. M. den Dulk. Hij sluit zijn artikel 'Is er nog leven mogelijk in de pastorie? ' af met o.a. deze woorden: 'De dominees hebben hun eigenaardigheden. Maar ze zijn nog geen museumstukken. (...) Zolang als de dominees allemaal gewoon doen wat ze kunnen, gaat er van de pastorie leven uit'. En zo is het. Verder geen getob!
(Deze catalogus is een uitgave van het Boekencentrum en kost slechts ƒ 25, - ).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's