De kerk en de ouderen
Ons land telt meer dan 1, 5 miljoen ouderen, dat is ongeveer 12 procent van de bevolking. De vijfenzestigjarige leeftijd is daarbij als benedengrens genomen. Dat de samenleving de laatste tientallen jaren steeds meer vergrijst is een bekend gegeven. Het kan overigens verhelderend zijn ook hier cijfers te noemen. 'Een jongen die omstreeks 1850 geboren werd, mocht verwachten goed 36 jaar te worden, een meisje iets meer; nu is dit voor een jongen 73 jaar, voor een meisje zelfs bijna 80.' Ik ontleen deze gegevens aan een bijdrage van drs. H. A. Schreuder, studiesecretaris van de Stichting Gemeenschappelijk Protestants Overleg Bejaardenwerk te Utrecht, in het enkele jaren geleden verschenen Handboek voor diakenen van de Hervormde Kerk.
De vraag was mij voorgelegd wat de kerk 'doet' voor de ouderen. In een gesprek voor de EO-microfoon, waaraan ook mensen deelnamen, die op verschillende posten bij het bejaardenwerk betrokken zijn, moest deze vraag óók aan de orde komen. Mijn eerste opmerking is geweest, dat we de gemeente niet in steeds meer categorieën moeten gaan opdelen. De gemeente bestaat uit jongeren en ouderen, mensen van heel uiteenlopende beroepscategorieën en ontwikkelingsniveaus, 'sterken' en 'zwakken'. Samen vormen ze het ene lichaam van Christus, waarbij elk onderscheid wegvalt. Intussen zal het echter duidelijk zijn, dat de ouder wordende mens eigen, specifieke problemen kent. In het bewuste radioprogramma spraken mensen uit het veld van de ouderenzorg zelfs over 'de zwakken' in de samenleving. Zodra deze typering valt wordt er uiteraard ook bezwaar aangetekend. Er zijn immers zovele nog zeer vitale ouderen. Maar het is toch ook weer niet voor niets, dat we over bejaardenzorg spreken. En het is opmerkelijk, dat, wanneer men op zoek gaat naar gegevens over de vraag wat de kerk aan de ouderen doet, men bij een handboek voor diaconaat terecht komt. En inderdaad heeft met name het diaconaat zich plaatselijk en landelijk ervoor ingezet ook de ouderen te dienen.
Vier aspecten
Het ouder worden is in een samenleving als de onze maar voor weinigen een probleemloze aangelegenheid, zegt het artikel in het handboek. 'Alleen een enkeling beschikt over een toereikende hoeveelheid geld, gezondheid, bezigheden en sociale contacten om een werkelijk aangename en zinvolle oude dag te beleven.' Met name de genoemde niet-materiële aspecten kunnen zwaar gaan wegen. Gezegd wordt: 'Er zijn veel ouderen die daar niet bewust onder lijden. Maar wat niet bewust is, is daarmee niet afwezig. Veel eenzaamheidsproblematiek bij oudere mensen, veel depressiviteit, veel doodsverlangen zelfs, heeft hiermee te maken'. Terecht wordt dan opgemerkt, dat, wanneer het om niet-materiële noden gaat, er een arbeidsveld ligt voor de diaken. Spreekt het bevestigingsformulier voor de diakenen niet over het met 'troostrijke redenen' de behoeftigen, noem het vandaag de zwakkeren, bijstaan? Het bevestigingsformulier voor diakenen valt hier zeker vandaag wel te actualiseren.
Aan elk van de vier genoemde factoren, die het zorgveld breed typeren, geef ik enige aandacht.
1. Het geld. Mensen uit de bejaardenzorg, zo bleek ook in genoemde radiouitzending, voeren nogal eens snel het financiële aspect op in de richting van de overheid. De overheid doet te weinig of besteedt het geld te weinig voor gerichte hulpverlening. Ik wil deze factor niet onderschatten. De ouderen van vandaag, die zich in de naoorlogse jaren hebben ingezet voor de wederopbouw van onze samenleving, worden helaas ook maar al te vaak slachtoffer van allerlei bezuinigingsoperaties. Dat wreekt zich ook binnen de instellingen.
Anderzijds moeten we ons realiseren, dat zich hier de gevolgen aandienen van de verzorgingsstaat. Alle verantwoordelijkheden, althans in materieel opzicht, heeft de overheid aan zich getrokken. Zo zelfs, dat in de naoorlogse jaren het diaconaat voor de vraag kwam te staan (grofweg gezegd): wat móéten wij nog? Ieder, die in dit land in moeilijke omstandigheden geraakte, kon wettelijk terecht bij het loket sociale zaken; en instituten voor bejaardenzorg werden volledig gesubsidieerd. Als de overheid dan de broekriem aanhaalt wordt het ook in de instituten gemerkt. Wanneer onze samenleving zich echter deze van overheidswege gesubsidieerde 'zorg' voor ouderen heeft laten welgevallen, is het voor de overheid een zaak van de eerste orde juist hier voorwaarden te scheppen voor een 'goede' oude dag.
De laatste jaren is tegenover de verzorgingsstaat niet ten onrechte gepleit voor een zorgzame samenleving. Hoe zorgzaam is onze samenleving nog? Materialisme en ik-gerichtheid hebben mededeelzaamheid vaak naar achteren gedrongen. En ook in de kerken gaat het lang niet altijd meer om echte offer-vaardigheid. Zou echter ook in materieel opzicht de kerk niet een diaconale verantwoordelijkheid moeten dragen voor de ouderen, wanneer dat nodig is? Diaconaal geld is meer dan slijk der aarde. Ontvangen uit handen van de diakenen is ontvangen van de gemeente.
2. Gezondheid. Gezondheid valt niet te organiseren. Hier liggen bij het ouder worden uiteraard vaak de grootste problemen. De ouderdom komt met gebreken. Slechts tien procent van alle ouderen in ons land, zegt het hervormde handboek, woont niet of niet meer zelfstandig. Diegenen, die niet meer zelfstandig wonen, ontvangen in de zorginstellingen en tehuizen voldoende professionele hulp. Als het echter zo is, dat ongeveer negentig procent van de ouderen nog wel zelfstandig woont, zal het duidelijk zijn dat er bij lichamelijke en andere gebreken wel vaak hulp van buiten nodig is. Het mag ons allen wel een zorg zijn, dat ouderen ook zolang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Begrijpelijkerwijs willen ouderen ook zolang mogelijk zelfstandig wonen.
Voor zover dat nodig is, zegt het handboek, staan er allerlei organisaties gereed, naast familie en buren: 'kruisvereniging, instellingen voor maatschappelijke dienstverlening, waaronder de gezinszorg, vrijwilligersorganisaties'. Bij familie en buren en vrienden mogen we wel een uitroepteken plaatsen.
Hierboven brachten we ter sprake de verzorgingsstaat. Wij realiseren ons zeer wel, dat de zorginstituten in onze complexe moderne samenleving dermate geldrovend zijn, dat de kerken, die zelf in onze samenleving soms moeite hebben financieel de eindjes aan elkaar te knopen, onmogelijk de taken kunnen overnemen, die de overheid op zich heeft genomen. En de tijd van de drie-generatie-gezinnen is voorbij en niet meer terug te halen. Maar zou juist in de hulpverlening aan ouderen-met-gebreken niet tot uitdrukking moeten komen, dat de kerk, met name in de plaatselijke gemeenten een gemeenschap is, een zorgzame samenleving binnen de samenleving. Hier behoeft bovendien toch ook niet alles te worden gedelegeerd aan het diaconaat. Er zal toch ook sprake zijn van persoonlijke verantwoordelijkheid?
Met dankbaarheid mag worden geconstateerd, dat juist ook binnen de gemeenten vrijwilligerswerk van allerlei aard plaatsvindt, georganiseerd of niet-georganiseerd. Zal hier niet vooral blijken, dat de gemeente als zodanig diaconale gemeente is, dienend in liefde? Dan wordt ook geleerd problemen te delen. In vrijwilligersarbeid - zo valt telkens te vernemen - krijgt men zelf deel aan het probleem, ook aan de problemen, die met het ouder worden samenhangen. Er ontstaat wederkerigheid tussen mensen. De gever is tevens ontvanger. Het biedt de zorgverlener ook de mogelijkheid zichzelf te oefenen in ouder worden.
3. Bezigheden. Wanneer mensen nog gezond zijn en er een einde komt aan hun actieve loopbaan, kan er een gat vallen. Elke dag heeft vier en twintig uur. Niet ieder weet daar direct invulling aan te geven. Mensen hebben opeens het gevoel er buiten te staan. Dr. W S. Duvekot, sinds kort emeritus predikant te Utrecht, gaf recent uiting aan zijn gevoelens in deze. Ook al kom je nog weer in de oude omgeving - de kring van de collega's of de kring rond het kerkblad in zijn geval - men staat er toch buiten. Dat gevoel is er al snel. Vandaar dat men in de voormalige werkomge ving al spoedig niets meer te zoeken heeft. Men komt terzijde te staan. Niet ieder is ook toegerust om een studie ter hand te gaan nemen, zoals sommigen wel doen.
Dat de vijf en zestig jarige leeftijd automatisch tot het beëindigen van de beroepsarbeid moet leiden is toch niet zó vanzelfsprekend! Anderzijds is het zo, dat in het arbeidsproces ook plaats moet worden gemaakt voor een aantredende nieuwe generatie. Maar zou ook binnen de kerkelijke gemeente niet veel meer creativiteit kunnen worden ontplooid voor het creëren van (vrijwillige) werkgelegenheid?
Er komt echter, hoe dan ook, een moment, waarop de bezigheden méér en méér stil moeten vallen. Het mag dan een zegen heten als een mens daar tijdig op voorbereid is en in de goede dagen beseft, dat het christelijke leven, de calvinistische arbeidsmoraal ten spijt, niet op de noemer staat van 'zijn/haar leven was werken'. Arbeid vraagt ook om rust, totdat gerust mag worden van een arbeidzaam leven. Een goede arbeidsmoraal vraagt ook om een moraal van de rust. Prof. dr. A. van de Beek wijdt in zijn boek 'De Schepping' mooie passages aan de zin van het meditatieve leven.
4. Sociale contacten. Het ouder worden is mede gekenmerkt door het wegvallen van de sociale contacten. Dat is op zich al het geval doordat het werk wegvalt. Daar heeft men immers dagelijks contacten. Maar bovendien, bij het ouder worden verliest men meer vrienden of familierelaties dan men er bij krijgt. En juist daarom slaat ook vaak eenzaamheid toe. De grote waarde van een hecht gezinsverband, in de relatie tussen ouders en kinderen, wordt dan te meer beseft. Is dat niet het geval dan kan de eenzaamheid nog des te groter zijn. Er zijn overigens van dit laatste schrijnende voorbeelden te over, tot bij de begrafenis toe. Het gezin als hoeksteen van de samenleving heeft toch niet voor niets diepchristelijke wortels?
Geestelijk
De problemen bij het ouder worden zijn bepaald niet louter, vaak zelfs helemaal niet, van stoffelijke aard. Problemen met de gezondheid, het ontbreken van zinvolle bezigheden of het onderhouden van sociale contacten gaan het diepst. Daar komt nog bij, dat diegenen, die in instellingen voor bejaardenzorg verblijven, meer dan anderen met het leed van anderen in aanraking komen.
Het bovenstaande is wellicht ietwat beschrijvend. We dienen ons echter wel de breedte en de diepte van de vragen, die hier liggen, te realiseren.
'Wat doet de kerk eraan', zo luidde de vraag, die me werd gesteld. De vraag is of de gemeente een gemeenschap, een geestelijke gemeenschap is. Zo ja, dan zal er in ieder geval een opening kunnen zijn om samen ook deel te hebben aan de problemen, waarvoor de ouder wordende mens, dus ieder mens komt te staan. Zo nee, dan rijst de vraag of ook de kerk dan al uitgaat van het nuttigheidsprincipe. Heeft een mens alleen 'zin' als hij 'nuttig' is?
En tenslotte, een jongere generatie mag zich gelukkig prijzen wanneer ze leren mag van de door het leven gerijpte ervaring van ouderen. Dat geldt zeker ook waar het het geestelijk leven betreft. Het mag een weldaad heten wanneer jongeren bij ouderen mogen bemerken dat ze geestelijk nog 'fris en groen' zijn. Tenslotte staan we in de opeenvolging der generaties ook in een estafetteloop. Pinksteren heeft er ons weer bij bepaald.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's