Jeugd en kerk (1)
Vanuit het moderamen van de classis Amersfoort kreeg ds. Joz. A. de Koeijer onlangs een verzoek 'iets te vertellen over jeugd en kerk'. De lezing wordt in drie afleveringen geplaatst.
Inleiding
Voorwaar, een zee om uit te drinken, maar ook en niet minder, een zee om in te verdrinken! Waar begin je en waar eindig je? Hoevelen hebben zich de laatste tijd al niet met dit aangelegen onderwerp beziggehouden! Wat is er al veel en uitgebreid over geschreven en gesproken! Het was dan ook met grote schroom dat ik dit verzoek toch inwilligde. Immers op generlei wijze durf ik mijzelf te rekenen tot de elite der autoriteiten of jeugdspecialisten of hoe we ze ook noemen mogen. Ik heb de eer slechts een eenvoudige hervormde dorpsdominee te zijn, die met andere, wellicht vele, collega's en andere ambtsdragers de zorg heb over en de zorg deel ten aanzien van jongeren in de christelijke gemeente. Jongeren waarmee ik vaak dagelijks, maar zeker wekelijks geconfronteerd word binnen, maar vooral ook niet geconfronteerd word aan de rand van of buiten de gemeente.
Wellicht zou een reden dat ik gevraagd werd voor het houden van deze inleiding gelegen kunnen zijn in het feit dat ik in een vorig leven ooit schoolmeester geweest ben. En mogelijk dacht men dat een dominee-meester toch ook wel een meester-dominee moet zijn! Moge het zo zijn! Vanwege het gewicht en de zwaarte van deze thematiek leek het me een goede zaak om de inleiding enigszins te bewerken teneinde deze onder de aandacht te brengen van een ruimere kring belanghebbenden. Daartoe leek me 'de Waarheidsvriend' een uitgelezen middel.
Ik kreeg ruimschoots de tijd om mijn gedachten te laten gaan over de titel en de inhoud van het onderwerp. Echter, op voorhand kan ik u vertellen dat hoe verder de tijd voortschreed, ik al minder zicht op het geheel kreeg. Het resultaat is de titel die u aantreft boven dit epistel.
Ik stel u voor mijn startpunt te nemen in de concrete situatie waarin ikzelf als wijkpredikant functioneer. Vanuit mijn persoonlijke werksituatie wil ik met u die vragen, zorgen en vreugden delen die mijzelf bezetten en bezielen. Dat betekent dat mijn artikel in een zeer persoonlijke setting staat. Het kan zijn dat de zaken die ik aandraag u geheel vreemd en niet ter zake overkomen. Vragen of problemen die u allang voorbij bent of die u schouderophalend aanhoort. Toch koester ik de hoop dat er in het geheel wellicht enige momenten van herkenning zullen voorkomen.
Titel
Laten we vooraf de titel van het onderwerp 'Jeugd en kerk' onder de loep nemen. Hoe kunnen we de onderdelen van het geheel nader definiëren? Wat verstaan we onder 'jeugd' en waaraan denken we bij het begrip 'kerk'?
'Jeugd' is een wijds en rekbaar begrip, immers daartoe kunnen we de al dan niet gedoopte baby's rekenen maar ook de jongvolwassenen die nog geen geloofsbelijdenis hebben afgelegd en die zelf misschien al kinderen hebben. Laten we voor het gemak de omschrijving maar zo ruim mogelijk nemen. De jeugdigen die wij op het oog hebben, hebben één gezamenlijk kenmerk, namelijk dat ze op een of andere wijze als geboorte-of dooplid in onze administratie voorkomen. Terecht lijkt mij de vraagstelling of deze definitie niet veel te breed en te wijd is om er nog enigszins mee te kunnen werken. Het is toch een open deur intrappen als we stellen dat de omgang met een nog kaalachtige spontane en enthousiaste crèche-koter een totaal andere aanpak vergt dan de benadering van een obstinate, kaalgeschoren gabber. Toch is het met opzet dat ik deze definitie in deze breedte en reikwijdte hanteer en handhaaf. Ik kom daar aan het eind van dit artikel nog op terug.
Het tweede hoofdwoord 'kerk' had even goed 'gemeente' kunnen luiden. Toch heeft in onze hervormde traditie de benaming 'kerk' bredere en ruimere inhoud dan 'gemeente'. Onder de kerk vallen alle onderscheiden plaatselijke gemeenten. Niettemin geef ik de voorkeur aan het begrip 'kerk' om daarmee uitdrukking te geven aan onze zorg voor en over jongeren van de totale Nederlandse Hervormde Kerk of nog ruimer, de gehele christelijke kerk. Weliswaar zullen we zo nuchter moeten zijn te beseffen dat onze eerste en primaire verantwoordelijkheid ligt bij de jeugd van de eigen plaatselijke gemeente. Wanneer wij het bovengestelde op formule proberen te brengen, kunnen we zeggen dat het in deze bezinning gaat over de zorg en aandacht voor jongeren in de brede betekenis van het woord binnen het geheel van de kerk met een bijzondere spits naar die jongeren die in de concrete werksfeer aan onze zorgen zijn toevertrouwd.
Verbond
Na deze inleidende omtrekken willen we beklemtonen wat voor mij persoonlijk de kern en het hart van de zaak is. Daartoe gebruik ik het kernbegrip 'Verbond'. Vanwege Gods verbond hoeft de vraag niet te luiden: 'Hoe houden wij de jeugd bij de kerk? ' Immers niet ons erbij-brengen of ons er-bij-houden heeft het primaat, maar de volmondige en hartelijke belijdenis dat dit alles eerst en vooral, exclusief en volledig zaak is van de levende Verbondsgod. Niet de kerkelijke meelevende refo-ouder, noch de onmondige peuter of de niet-ophaar-mondje-gevallen disco-Anita vroeg of vraagt naar de Heere en Zijn heilzaam verbond. Het is de Eeuwige Zelf die in Zijn soeverein welbehagen omziet naar niet-zoekers en niet-vragers. Hoe orthodox van snit of verseculariseerd van aard ze ook zijn mogen. Meer dan ooit heeft de christelijke gemeente de klemtoon en het accent te leggen op de belijdenis van Gods verbondsinitiatief. Nogmaals, niet ons willen, niet ons vragen, niet ons geschikt zijn vraagt om voorrang. Het paulinische adagium van de rechtvaardiging van de goddeloze krijgt juist in deze tijd en cultuur gloed en glans waar in toenemende mate godloosheid in de meest letterlijke zin van het woord zichtbaar wordt. Godloosheid in de zin van los-van-God en loos-van-God. Loos, als zijnde leeg, hol, niet gevuld. Een Godloos leven is een Godleeg leven. Niet zozeer een doelbewuste georganiseerde los-van-God-beweging, maar veeleer een onbewuste geesteshouding, een levenssfeer, een ademcultuur. Zoals de ademtocht een onbewuste vanzelfsheid is, zo ademen wij met onze kinderen in deze specifieke atmosfeer. In Godloosheid en los-van-God schrijven we de Godsnaam welbewust met een hoofdletter om daarmee aan te geven dat gedacht en gesproken wordt over de God van Israël of om het in nieuwtestamentische woorden te zeggen, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Zodra wij als Christus-gelovigen gaan spreken over of doelen op een andere god, die wij niet meer dan een kleine 'g' gunnen, dan vervalt naar mijn stellige overtuiging het recht om nog als of namens de christelijke gemeente te spreken.
Echter, hier wringt de schoen. Immers, de postmoderne mens, die religieus is tot in al zijn vezels, beschouwt de God van de christelijke gemeente als een manifestatie van een van de velen. 'De christelijke God' (let op de aanhalingstekens!) behoort niet als die andere goden bij de overtuiging 'ik geloof wel dat er iets is'. De God die uniek en eigenstandig Zichzelf te kennen heeft gegeven in Zijn Woord en Die Zichzelf geopenbaard en onthuld heeft in Zijn Zoon is uit zicht of zo men nog enig zicht op Hem heeft, is Hij een van de velen. Mensen 'hebben' niets meer met God en Jezus. Hij is de grote Onbekende. De Vreemde.
In dit denk-en voelklimaat waarin de God en Vader van onze Heere Jezus Christus verworden is tot een van de velen, is daar nochtans een gemeente die naar Zijn naam genoemd is en die zich voor Zijn naam niet schaamt. Zij mag belijden, op hoop tegen hoop, dat juist deze God als geen ander iets heeft met en voelt voor mensen die niets meer met Hem 'hebben' en niets meer voor Hem voelen. Ja zelfs, niets meer in Hem zien, omdat Hij hen gewoonweg onbekend is.
Hoe heilzaam en verrukkelijk is het dan om ronduit en eerlijk te proclameren dat deze God, hoe onbekend en onbemind Hij ook moge zijn, bij uitstek een Verbondsgod is. Een God, Die Zich verbinden wil aan mensen die zich op generlei wijze aan Hem verbonden weten! We herhalen, meer dan ooit zal de gemeente hebben te opereren vanuit de zekerheid en de vastheid die er te vinden is bij deze God van 'ja en amen'. Weer en meer zal de christelijke gemeente tot op de kern het openbare en geopenbaarde geheim hebben te onthullen van een unieke God Die Zich verbindt aan kwijtgeraakte jongeren en ouderen. Aan zoekgeraakte zoekers, die het overal zoeken behalve bij deze zoekende God. Voor mij persoonlijk ligt het geheimenis van deze God in Zijn beweging van boven naar beneden. In Zijn afdalen en indalen in onze concrete menselijke existentie. Onverdiend. Gratis. Per gratie. Sola gratia. Ondanks alle religie houdt Gods bewegende liefde van omhoog naar omlaag mij tot de huidige dag geestelijk op de been, om in verwondering door de knieën te gaan!
Na eerste lezing vraagt u zich mogelijk af wat u met deze persoonlijk getinte stellige stelligheid aan moet... Immers, zo is uw vraag, hoe vullen we dit alles concreet, tastbaar en werkbaar in? Of om het in de trant van de Catechismus van Heidelberg te zeggen: 'wat nut ons nu het restloze, onwrikbare geloof in een God die de Eerste en de Laatste is? ' Vanuit deze mijns inziens onopgeefbare kern willen we elkaar enkele aspecten onder ogen brengen die voortvloeien uit de kern. Zaken waarmee we juist vandaag volop rekening hebben te houden. Voor alles tracht ik het aanreiken van de gouden tip te vermijden. Immers, jeugd noch kerk zijn gediend met klinische methodes en aardige kunstgrepen. Aan de hand van enige kernwoorden, d.w.z. woorden die hun oorsprong vinden in de kern, proberen we in een volgend artikel elkaar wat op te scherpen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's