De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoe samenbindend is de gereformeerde belijdenis in de kerkelijke praktijk?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoe samenbindend is de gereformeerde belijdenis in de kerkelijke praktijk?

21 minuten leestijd

Lezing jaarvergadering Gereformeerde Bond op woensdag 28 mei 1997.

Toen Graf Nicolaus Ludwig von Zinzendorf, stichter van de de wereldwijd bekende Hernhutterbeweging, in 1736 op rondreis was door Nederland, moest hij concluderen, dat de godsdienstige verdeeldheid onder aanhangers van de gereformeerde religie hier te lande bijzonder groot was. Hij bedoelde . Anderzijds trof hij vele stillen in den lande, die 'verlangden naar de ware gemeente van Christus, waar de broederliefde een einde aan de onderlinge verdeeldheid zou maken'.

Dezer dagen zond een broeder uit Amsterdam mij in verband met de kerkelijke ontwikkelingen een wat hij noemde 'troostvolle preek' van Ds. T. Doevendans, die in de twintiger jaren predikant-evangelist was in Putten. De preek werd in 1924 geplaatst in 'Reispenningen' en handelde over de tekst uit 1 Kor. 13 : 10: Wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, teniet gedaan worden'. 'Ik kan soms zo zeer naar dat volmaakte verlangen', zo begint de preek. Waarom? Een van de zeven punten, die Doevendans behandelt, is: omdat er zoveel verdeeldheid onder de christenen is'. Hij haalt dan psalm 133 aan;

'Ai, ziet hoe goed, hoe lieflijk is 't dat zonen van 't zelfde huis als broeders samenwonen, waar 't liefdevuur niet wordt verdoofd'.

'Als men dat vers hier in de kerk zingt - zegt hij met enige literaire overdrijving - dan moest men eigenlijk al in het eerste woordje 'ai' blijven steken, want alleen dat woordje kan naar waarheid gezongen worden.

Er is niets nieuws onder de zon. De klachten over de verscheurdheid van het lichaam van Christus vandaag werden ook vroeger aangegeven, de klachten vroeger konden vandaag zijn geuit. Al is het wel zo dat de verdeeldheid nu nog ernstiger is dan vroeger, omdat deze zich in kerkscheuringen heeft doorvertaald.

Vandaag richten we ons echter op de vraag hoe samenbindend de gereformeerde belijdenis is in de kerkelijke praktijk. Want als we spreken over formulieren van enigheid, die, als akkoord van kerkelijke gemeenschap, eenheid in geloof en belijden bedoelen, dan mogen we ons afvragen hoe het toch komt, dat juist het gereformeerde kerkelijke leven zo diep verdeeld is.

Praamsma

In de zestiger jaren verscheen een boekje van dr. L. Praamsma, getiteld 'Met de kerk van alle eeuwen'. Hij reageerde daarmee op een geschrift van dr. C. Augustijn, getiteld 'Kerk en belijdenis''. Daarin had deze opgemerkt, dat een predikant in de Gereformeerde Kerken soms dingen moet zeggen, die regelrecht tegen de inhoud van de catechismus ingaan; en dat je in een tijd, waarin de zaken niet duidelijk liggen, vooral niet streven moet naar duidelijkheid. Augustijn had ook gezegd, dat in onze tijd veel mensen in de belijdenisgeschriften allerlei dingen tegenkomen, die voor hen onbelangrijk zijn en dingen missen, die verbonden zijn met de kern van hun geloof in Jezus Christus. Over wat die onbelangrijke dingen zijn rept Augustijn niet, zegt Praamsma en vervolgt dan: 'Het is niet duidelijk of ze betrekking hebben op de leer van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, op het stuk van de ellende, de verlossing of de dankbaarheid, op de uitverkiezing, de middelen der genade, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking of de heerlij kmaking; in elk geval moeten hier ergens onbelangrijke dingen worden gevonden.'

Praamsma ging deze discussie met Augustijn aan, toen zich de losweking van de belijdenis in deze Gereformeerde Kerken aandiende. Ik zou nu echter deze woorden willen omkeren, in de richting namelijk van allen, die vandaag gereformeerd heten en naar het grondbeginsel ook willen heten. Als het waar is, dat we ons aan de gereformeerde belijdenis verknocht weten, kan de gescheidenheid, om niet te zeggen diepe verscheurdheid van de gereformeerde belijders dan teruggebracht worden op de inhoud van de belijdenis zélve? Dus op de leer van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, op het stuk van de ellende en de verlossing of de dankbaarheid, kortom op al die zaken, die Praamsma Augustijn tegenwierp? Dat kan toch niet waar zijn?

Zeker, wie is in staat de volheid van de Schrift en - in afgeleide zin - de volheid van de gereformeerde belijdenis te bevatten? Accenten kunnen verschillen, maar is er inzake de kern van wat we geloven en belijden tussen de onderscheiden gereformeerde kerken en denominaties echt sprake van verschillen, die op de belijdenis zelf teruggaan en dan kerkscheidend zijn? Zijn het vaak niet de vereenzijdigingen ervan, die scheidend zijn gaan werken? Of hebben we niet vaak verleerd wat het betekent om 'samen met alle heiligen' de veelkleurige wijsheid Gods te verstaan? Of zijn het niet vooral de vragen rondom de toeeigening van het heil, die de verdeeldheid brachten?

Tijdens een beraadsdag op De Driestar te Gouda over de Gereformeerde Gezindte merkte ds. M. Golverdingen, predikant bij de Gereformeerde Gemeenten te Groningen, op dat de verdeeldheid voor een deel ook terug te brengen is op de vergezelschapping van het geestelijk leven in de vorige eeuw, die op zich als oorzaak had de deplorabele situatie in de kerk. Hoewel in de gezelschappen hier en daar zeker ook zicht bleef op de kerk, mag men gevoegelijk aannemen, dat de kerk en haar belijdenis weinig ter sprake zijn gekomen, terwijl zich intussen allerlei subjectieve visies konden ontwikkelen, die een lange nawerking hadden.

De kerk

De breuklijnen gingen echter juist zichtbaar worden waar het ging over de belijdenis aangaande de kerk zélf. Geeft de belijdenis daar aanleiding toe?

De Nederlandse Geloofs Belijdenis belijdt enerzijds de ene algemene christelijke kerk, die door Christus in stand wordt gehouden tegen het woeden van de hele wereld in (art. 27). Deze inzet is klassiek katholiek. De Gereformeerde Kerk staat in het kader van de kerk der eeuwen. Een ieder is dan ook verschuldigd zich bij die 'heilige vergadering van ware christgelovigen te voegen'. Ieder is ook geroepen om de eenheid van de kerk te onderhouden en te bevorderen en de 'opbouwing van de broeders te dienen, naar de gaven, die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten van eenzelfde lichaam', zegt art. 29.

Maar dan wordt er tegelijkertijd ook de spanning ingebracht. Enerzijds wordt gezegd, dat allen, die zich van haar afscheiden, handelen tegen Gods inzettingen. Anderzijds wordt gezegd, dat het tot het ambt aller gelovigen behoort om zich af te scheiden van degenen, die niet van de kerk zijn en zich te voegen bij de heilige vergadering, die kerk heet.

Over deze spanning in de belijdenis zelve is al zo vaak en heel verschillend gesproken en geschreven. Wat betekent het als gezegd wordt, dat de gelovigen zich moeten afscheiden van diegenen, die niet van de kerk zijn? Laat de integrale tekst van de artikelen niet vooral zien, dat de gelovigen zich afscheiden van de wereld en ook dat de kerk zich onder-scheidt van de sectenl Men moet, als het om de ware en valse kerk gaat, hier wel voorzichtig oordelen, zegt de belijdenis. 'Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn en intussen van de kerk (curs. van mij, v.d.G.) niet zijn, hoewel zij naar het lichaam in haar zijn'. Hypocrieten, die niet van de kerk zijn en nochtans in haar zijn. Hoe ver reikt dat? Maar het lichaam der kerk moet wel worden onderscheiden 'van alle sekten, die zeggen dat zij de kerk zijn'. Ds. W. L. Tukker zegt in zijn boek over de N.G.B., Geloof en verwachting, dat waar het geloof begint, men zich afscheidt van de wereld en men zich dan voegt tot de kerk. Hij zegt dan verder, dat hier 'op generlei wijze geleerd wordt, dat men zich van de kerk moet afscheiden'.

Maar binnen de kerk - zo vervolgt dan de Geloofs Belijdenis - zal dan de zuivere prediking van het evangelie moeten plaats vinden, zullen de sacramenten moeten worden bediend naar de instelling van Christus en zal de kerkelijke tucht moeten worden gebruikt om de zonden te bestraffen. Het is echter goed hier ook letterlijk te citeren:

'En aangaande degenen die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de merktekenen der christenen; te weten uit het geloof, en wanneer zij, aangenomen hebbende de enige Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet afwijken, noch ter rechter-, noch ter linkerhand, en hun vlees kruisigen met zijn werken.'

De ware kerk is kenbaar in de prediking en is kenbaar in de ware gelovigen. En de ware gelovigen zijn kenbaar aan de aanneming van de Zaligmaker, met alle vruchten vandien.

Scheidend

Juist de artikelen 27 t/m 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis hebben door de verschillende interpretatie - scheiden of blijven - vaak kerkscheidend gewerkt. De altijd voortdurende discussie over de ware en de valse kerk heeft hier een zware tol geëist. Die discussie lijkt met de inhoud van de gereformeerde belijdenis over de kerk gegeven. De belijdenis zelf geeft geen definitief uitsluitsel. Die belijdenis ontstond ook in een tijd, dat de kerk der Reformatie in dit land nog één was. Ze is echter kennelijk ontoereikend geworden in de zwaar verdeelde kerkelijke situatie van vandaag, waarin de hoop om nog ooit tot kerkelijke 'enigheid des geloofs' te geraken welhaast moet worden opgegeven. Ook wanneer men van deze belijdenis afleest, dat afscheiding niet de aangewezen weg is, kan men daarmee toch niet ongedaan maken, dat kerken met dezelfde belijdenis nochtans gescheiden blijven optrekken. Men heelt er de kerk niet meer mee.

In kerken, die ooit tot valse kerk werden verklaard, bleken nochtans de kentekenen van de ware kerk gebleven te zijn en kwam het tot nieuwe oplevingen onder de reine prediking van het Evangelie. Dat mocht ook binnen de Hervormde Kerk door Gods genade worden ondervonden. In de prediking bloeide het gereformeerde leven weer op, waar het verstorven leek. Kerken, die de pretentie voerden ware kerk te zijn, moesten al spoedig tot de ontdekking komen, dat elementen van de valse kerk gingen binnensluipen. De ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken zijn daar een voorbeeld van, ook al zal men daar vandaag liever niet meer de uitdrukking 'valse kerk' willen bezigen, die men vroeger naar andere kerken toe hanteerde.

Anderen gingen echter juist bemerken, dat in andere kerken merktekenen van de ware kerk bewaard zijn gebleven. Ik wijs hier op de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt van de laatste jaren. Feit is, dat daar niet meer zo massief over ware en valse kerk wordt gesproken als in het verleden het geval is geweest.

Moeten we niet eerlijk zeggen, dat de discussie over ware en valse kerk in de praktijk een doodlopende is gebleken? En moeten we - met de Nederlandse Geloofs Belijdenis - vandaag niet vooral de vraag onder ogen zien wanneer de kerk tot sekte wordt?

Westminster

De Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft op het punt van de kerk, ik zei het al, katholieke allure. Daarin is ze onderscheiden van De Westminster Confessie, die, hoewel zij ook over 'de katholieke of universele kerk' spreekt, verder handelt over 'afzonderlijke kerken, die leden van die kerk zijn'. De eenheid van het lichaam zelve wordt daarmee dan gerelativeerd. Erkend wordt wel, dat zelfs de zuiverste kerken bloot staan aan verwarring en dwaling. Maar letterlijk wordt dan gezegd: 'En sommige kerken zijn zo verbasterd dat ze geen kerk van Christus meer zijn maar synagogen van Satan'. Vanuit deze achtergrond zijn soms ook zelfde kwalificaties gegeven in de richting van 'de grote kerken'.

De Westminster Confessie trekt, globaal genomen, wanneer het gaat om de belijdenis van De Vader, de Zoon en de Heilige Geest, over de zaken, die Praamsma noemde, géén andere lijnen dan de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Over de belijdenis aangaande de kerk zelf echter gaan de wegen met de Nederlandse Geloofs Belijdenis uiteen.

In Hongarije is - om een voorbeeld te noemen - de Hongaarse Hervormde Kerk de jaren door één gebleven. Ook daar is de Nederlandse Geloofsbelijdenis, samen met de Heidelbergse Catechismus en de Confessio Helvetica, opgenomen in de grondslag van de kerk. Afscheidingen kende men er niet. Enige tijd geleden ontstond er echter enige commotie vanwege een eventuele integratie van een zendingsintstituut, dat vanuit Amerika werd gesteund en waaraan de Westminster Confessie verbonden was. Gevreesd werd, dat de afscheidingsgedachte principieel zou worden binnengehaald. De integratie ging toen niet door.

Desalniettemin moeten we zeggen, dat ook in onze gereformeerde traditie de gereformeerde belijdenis aangaande de kerk in de praktijk helaas niet eenduidig is gehanteerd en juist ook op het punt van de kerk niet samenbindend heeft gewerkt.

Actueel

Ik wil de zaak, waarom het hier gaat, ook actualiseren naar de kerkelijke ontwikkelingen van vandaag.

In Amersfoort hebben wij op de kerkenradendag op 21 september 1997 uitgesproken, dat wij ons nochtans geroepen weten op onze post te blijven en onverminderd te blijven strijden voor het recht van de hervormde gezindheid, dat is de gereformeerde belijdenis. We hebben uitgesproken, dat we de kerk niet prijs kunnen geven aan diegenen, die er krachtens de belijdenis geen recht op hebben. Ds. Tukker zegt in het genoemde boek over de Nederlandse Geloofs Belijdenis, dat men degenen, 'die niet van de kerk zijn', in de kaart speelt wanneer men hen de kerk in handen laat. Hij wijst dan verder op Elia, die op zijn post bleef maar afweek van Achab en diens profeten.

Hier ligt nog een moeizame en wellicht ook eenzame weg voor ons, wanneer wij in het geding om de kerkorde echt het geding om de belijdenis inhoudelijk en op de toonhoogte der profeten aangaan.

Nu in het grondslagartikel voor de verenigde kerk belijdenissen van allerlei aard worden vermengd is het de vraag geworden welke ecclesiologie de kerk zelf nog hebben zal, welk zicht ze nog heeft op zichzelf. Moet de kerk immers niet vooral principieel pluraal zijn? Principieel onaanvaardbaar zeggen we dan. Maar niet principieel on-herstelbaar!

Enkele weken na Amersfoort echter reageerde de christelijke gereformeerde ds. P. den Butter in het blad 'Bewaar het Pand' als volgt:

'Ik denk dat toenadering tussen de christelijke gereformeerden en de hervormd-gereformeerden op dit moment verder weg is dan ooit. Sinds de kerkenradendag in Amersfoort moeten we zeggen dat de Gereformeerde Bond minder herkenbaar is geworden nu ze in feite heeft besloten in de Hervormde Kerk te blijven (N.B.!), hoewel de kerk straks haar gereformeerde grondslag kwijt is. Het argument dat in de Verenigde Protestantse Kerk ruimte blijft voor de gereformeerde prediking acht ik absoluut ongenoegzaam. Dat houdt in dat de waarheid nog aan het licht mag komen dank zij de permissie van de leugen. Ik kan dat niet volgen.'

In broederlijke verbondenheid vraag ik of ds. den Butter dit zo ook niet had kunnen schrijven met betrekking tot ons staan in de Hervormde Kerk, los van Samen op Weg. In feite doet hij dat ook door te zeggen dat we besloten in de Hervormde Kerk te blijven. Hoe zouden christelijke gereformeerden anders hun afgescheiden zijn rechtvaardigen? Maar mijn vraag is vooral of de tegenwerpingen van ds. den Butter echt de belijdenis op haar inhoud raken. Zijn we daarin van elkaar vervreemd? En welke christelijke gereformeerden bedoelt hij dan, gezien het feit dat hij zijn ontboezemingen gaf in het blad 'Bewaar het pand'. We hebben van anderen uit zijn kerken ook wel heel andere geluiden gehoord.

Gaat het hier echter niet opnieuw om het zicht op de kerk? Het doet pijn te bemerken, dat onze gemeenschappelijke gereformeerde belijdenis ons niet dichter bij elkaar brengt maar dat ons zicht op de belijdenis aangaande de kerk ons verder van elkaar afvoert. Dat doet geduchte pijn. De gereformeerde belijdenis niet echt samenbindend, terwijl we nochtans aangaande de heilige leer hetzelfde geloven en belijden. Dat heeft een diepe historische achtergrond, waarvan niemand zich kan ontdoen. Daar zit honderd en vijftig jaar geschiedenis van afscheiding en kerkopdeling tussen.

Maar laten we dichter bij huis blijven. Op 24 juni aanstaande komen op een dag, die wordt belegd door het Comité tot behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk, de thema's 'Kerk en belijdenis' en 'Kerk en ethiek' de orde. Zullen daar echt verschillen in belijdenis onder ons naar voren komen? Zal daar over deze thema's met het oog op de voorliggende kerkorde ten principale iets anders gezegd kunnen worden dan in de brochure 'Voor de goede orde' is gezegd? Ook hier zeg ik in broederlijke verbondenheid, dat het pijn doet te moeten constateren, dat we in hervormd gereformeerde kring, onze gemeenschappelijke belijdenis ten spijt, de samenbinding dreigen te gaan missen vanwege verschillen in zicht op de kerk.

Als we in de belijdenis zelf niet verschillen, waar liggen de verschillen dan wel? We hebben daarover binnenskamers menig gesprek gevoerd. We slagen er echter kennelijk niet in dat aan elkaar duidelijk te maken. Maar de belijdenis verplicht ons daar toch wel toe? Dat vraagt om voortgaand gesprek met elkaar. Hebben we samen nog de hele kerk op het oog en daarin ook 'de schare'? We mogen juist ook met het oog op onze roeping toch niet gedogen, dat opnieuw controverses optreden, die niet alleen schadelijke gevolgen zullen hebben in de gemeenten maar ook afbreuk zal doen aan het gemeenschappelijk getuigenis?

Er mag geen enkel misverstand over bestaan: de beoogde verenigde kerk is door ons niet begeerd. Haar grondslag achten we tot vandaag ondeugdelijk. Maar is de kerk daarmee vandaag een kerk van het secte-type geworden, ook in de ontwikkelingen, die zich hebben aangediend? Zo niet, dan mag er toch nog verwachting zijn van de Geest van Pinksteren, die herstellen kan wat gebroken is?

De vraag aangaande ware en valse kerk, en aangaande de binding aan de belijdenis hebben we de jaren door in de praktijk van het hervormde kerkelijke leven van allerlei kanten voorgelegd gekregen en onszelf ook gesteld. We zijn nochtans gebleven. De geschiedenis lijkt zich te herhalen. Het mag ons dan een diepe zorg zijn, dat de sector van de kerk, die de kerk in gebreke stelt als het gaat om haar belijdenis, zelf uiteen zou vallen in segmenten, die uit elkaar groeien. We moeten dat hier vandaag eerlijk onder ogen zien maar intussen, vanwege de eenheid in geloof en belijden, niet willen accepteren. Hoe samenbindend is de gereformeerde belijdenis onder ons?

Hart

Mij dunkt, dat we hier niet mogen afsluiten zonder een andere dimensie van de belijdenis aan te roeren. Dit vanwege een ander gevaar, dat op de loer ligt. Slagen we er nog in de rijkdom van onze belijdenis door te vertalen in deze moderne tijd? De belijdenis is, om het met de bekende drieslag van Noordmans te zeggen, een stok om te slaan, een staf om te gaan en een lied om te zingen. Wanneer binnen de kerk en tussen de kerken de belijdenis nog slechts een stok is om te slaan, zullen we als gereformeerde belijders nauwelijks nog werfkracht hebben of uitstraling. Het gaat met name ook om de staf en om het lied. Het mag ons iets te zeggen hebben als ons de vraag wordt voorgelegd of en waar we zó onze bijdrage gaven.

Binnen de evangelische beweging wordt vandaag gesproken over 'oecumene van het hart'. We hebben er al eerder geen twijfel over laten bestaan, dat de kerk met 'oecumene van het hart' onvoldoende is getypeerd. In de kerk gaat het ook om belijdenis, ambt en instituut. De kerk is: samen belijden, in gemeenschap met het voorgeslacht, met de kerk van alle tijden en alle plaatsen. Dat is 'oecumene der belijdenis'! Als echter belijden niet meer is het samen gaan op de weg van het belijden, samen zoekend ook hoe het lied der belijdenis zal worden gezongen in de baaierd van deze tijd, dan zullen harten, die gemeenschap zoeken, een uitweg zoeken in de genoemde oecumene van het hart, met verder functieverlies van de kerk.

We onderkennen wellicht nog onvoldoende, dat we hier in een diepgaand schiftingsproces zitten. Er is in de kerken een gemeenschapscrisis gaande. Wie met het hart gelooft en belijdt zoekt óók de gemeenschap in geloof en belijden met allen, die de verschijning van onze Heere Jezus Christus hebben lief gekregen. Maar hoeveel blokkades zijn en worden hiervoor niet opgeworpen, met name ook naar de jongeren? Hetzij doordat Christus niet in Zijn heerlijkheid zichtbaar wordt in de prediking, hetzij doordat Zijn lichaam zulke diepe wonden vertoont. Dan zoekt de nood een uitweg in moderne gezelschappelijkheid. Wanneer de belijdenis geen gemeenschap en onderlinge liefde schept, dan zullen nieuwe gezelschappen in brede bewegingen hun kansen krijgen.

Geeft de grote verdeeldheid en verbrokkeling van diegenen, die zich ook vandaag op de gereformeerde belijdenis, willen beroepen, ons eigenlijk nog wel het récht om ons op die belijdenis te beroepen? Waar de saamhorigheid met de mond wordt beleden staat ze praktisch vaak onder grote druk. Zou de oorzaak niet mede hierin liggen, dat veelal de belijdenis naar haar papieren zijde wordt getoond en niet naar haar geestelijke inhoud wordt beleefd en uitgestraald? We mogen weliswaar de religie van de belijdenis niet uitspelen tegen de inhoud van de belijdenis maar belijden is toch vooral geloven en geloven is beleven, tegen de klippen van eigentijdse nood en aanvechting ook op!

Wanneer zich onder ons een belijdenisbegrip zou gaan ontwikkelen, dat we vanuit hervormd gereformeerde kring in het verleden bij anderen hebben gekritiseerd - een meer juridische hantering, een formele omgang met de confessie - en de bevinding terugwijkt, zouden we dan nog geestelijk vruchtbaar kunnen zijn voor heel de kerk?

De belijdenissen der kerk zijn uit de nood geboren en waren in tijden van nood samenbindend. Ze hebben het vuur van de beproevingen doorstaan. Waarom konden ze het kwaad van de verdeeldheid niet weerstaan?

Hoop

In de Schrift wordt het woord 'belijdenis' vaak vooral gebezigd wanneer schuld moet worden beleden.

In Neh. 9 : 2, 3 lezen we dat de profeet zegt:

'Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed van Uw knecht, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis hebben gezondigd.

En het zaad Israels scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en van de ongerechtigheden van hun vaderen.'

Wanneer de Hebreeënbrief echter het woord belijdenis gebruikt gaat het om geloof.

'Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben. Die door de hemelen doorgegaan is, (namelijk) Jezus, de Zoon van God, zo Iaat ons deze belijdenis vasthouden.' (4 : 14).

En ook: Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden, want Die het beloofd heeft, is getrouw. (Hebr. 10 : 23). Belijden vandaag vraagt schuldbelijdenis mèt en vóór het hele volk, in solidariteit van schuld. Belijden betekent echter ook hoop hebben voor de hele kerk vanwege de Zaligmaker, die door Zijn Geest in de prediking de eeuwen door een ware kerk van ware Christgelovigen schept. Laten we ons dan ook allereerst zorgen maken over de vraag of en hóé in de prediking gereformeerde gemeenten het beeld van de ware kerk vertonen.

Is er nog Hoop? Is er nog hoop op een gereformeerde kerk? Die vraag ligt allereerst bij gereformeerde belijders zelf. Er valt van de gereformeerde kerk in dit land in haar verbrokkeling weinig goeds te zeggen.

Ds. G. Boer spreekt in zijn vermaarde lezing voor het Contact Orgaan van de Gereformeerde Gezindte, 'De Gereformeerde Gezindte nu en in de toekomst' over de verbroken eenheid en zegt dan:

'Dit is de grote verlegenheid, die met het woord en de zaak van de Gereformeerde Gezindheid meereist tot op deze dag. Deze verlegenheid neemt steeds toe, naarmate het verscheurings-en versectariseringsproces in de Gereformeerde Gezindte zijn gang gaat. Wij worden er zo verlegen mee, dat wij het woord niet zo gemakkelijk of bijna niet meer in de mond durven nemen, omdat niet alleen onze vrienden vraagtekens zetten, maar ook onze vijanden daarover het hunne zeggen. En dat waarlijk niet tot onze vertroosting. Hier ligt onze nood en onze schuld.'

In het grote geheel der kerken is de gereformeerde belijdenis vaak slapend bezit geweest, zegt Boer in datzelfde geschrift, omdat alles wat in de belijdenis voorhanden is vaak niet meer in de prediking functioneerde als 'de schat van het evangelie'. En slapend bezit wordt vergeten bezit en tenslotte geëlimineerd bezit.' Geen kerk of kring is er te goed voor.

In een beetje kreupel Nederlands wil ik aan de drieslag van ds. G. Boer echter toevoegen, dat de belijdenis in de Gereformeerde Gezindte vaak ge-streden bezit is geweest, meer kerkscheidend dan samenbindend. God beware er ons voor, dat zulks opnieuw zichtbaar wordt in onze worsteling om de kerk vandaag.

Broeders, de handen samen en samen de handen ineen, in diepe verootmoediging! En samen in gesprek! Dat geve God.

Hopelijk zijn er ook vandaag nog de stillen in den lande, waarover Von Zinzendorf sprak, die echt geestelijk met de belijdenis als accoord van gemeenschap in geloof, hoop en liefde bezig zijn. Daar kan meer gebeuren dan op grote samenkomsten en in kerkelijke debatten.

De belijdenis als stok? Jawel, maar niet om elkaar te slaan. De belijdenis ook als staf en als lied. Om te beleven wat de psalm zegt: Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.

Een belijdenis zonder troost, is toch geloof zonder hoop! De kerk is ten diepste toch van Pinksteren, van de Geest, die ook nu (uit)zuiverend en reinigend maar ook troostend, helend en bemoedigend bij zijn kerk wil zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Hoe samenbindend is de gereformeerde belijdenis in de kerkelijke praktijk?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's