De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Geloof en liefde

In De Reformatie (weekblad dat verschijnt binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt) is al enkele weken een gesprek aan de gang over de vragen van homofilie en homoseksualiteit. Binnen genoemde kerken is veel aandacht voor deze zaak en dan vooral naar zijn pastorale kant. Onder ons lijkt het gesprek helemaal vastgelopen te zijn, zeer tot schade overigens van onze homofiele gemeenteleden. Dat zal wel te maken hebben met onze ook in ethisch opzicht belaagde positie in de Hervormde Kerk. Recent zijn er heftige botsingen geweest rond uitspraken en besluiten van onze synode over de homoseksualiteit. Dat heeft ertoe geleid dat er daarom kennelijk geen rustige en weloverwogen bezinning meer mogelijk lijkt. Als het wel gebeurt, staat het direct in zo'n antithetisch kader dat we over het hoofd dreigen te zien dat we hier toch ook met een pastoraal probleem te maken hebben. Onze homofiele gemeenteleden houden zich veelal krampachtig schuil, wat hen de nodige spanningen geeft om niet te zeggen leed en eenzaamheid. Daarom doet de pastorale aandacht in vrijgemaakte kring weldadig aan. In De Reformatie van 7 juni 1997 levert Ria Borkent ook een bijdrage aan het gesprek onder het opschrift En Hij zal ons beminnen leren. Ze is bekend als dichteres en publiceerde onlangs een gedichtenbundel ('Gaatjes in mijn oren', Kampen 1994). Ze vraagt aandacht voor Willem de Mérode en voor de biografie die Hans Werkman over hem schreef ('De wereld van Willem de Mérode', Amsterdam 1983). De Mérode (1887-1939) was dichter, hij was homofiel en hij was gelovig. Zijn gedichten, aldus Ria Borkent, spreken van de botsing tussen geloof en liefde omdat hij de homoseksuele beleving van de liefde afwees. We citeren het artikel in z'n geheel:

'Toch is hij eens tever gegaan in een contact, waarvoor hij is veroordeeld en gevangen heeft gezeten. In de gevangenis schreef hij de kleine bundel De Rozenhof, korte vierregelige verzen, evenzovele hartekreten.

Mijn God, ik ben zo lusteloos en moe.
Ik weet niet wat ik in dit leven doe.
Ge ontneemt mij liefde, ontfutselt mij vertrouwen.
Toch zegt Gij: leef! mijn God, mijn God, waartoe?

De dichter was een gereformeerde onderwijzer in een Gronings dorp, hij hield van jongens, genoot van hun verhalen en belevenissen, wilde voor ze zorgen, hij bemoederde en bemopperde hen.

Tegelijk droeg hij een masker om zijn homofiele gerichtheid te verbergen. Hij wist dat een verdergaande relatie niet kon; dat wilde hij, zeker na 1924, zelf niet.

In de biografie zijn authentieke briefjes opgenomen die Willem vanuit de gevangenis schreef, boeteklachten van zonde en berouw, en antwoordbrieven, zeer pastoraal van toon, van pater Jos. van Wely.

Schuldbelijdenis
Willem Keuning (De Mérode was zijn pseudoniem) heeft schuldbelijdenis afgelegd, maar hij moest voor de kerkenraad ook bekennen dat hij niet van jongens mocht houden en dat kon hij niet. Mocht hij een jongen niet mooi vinden?

Gij glimlacht, wijl 'k mij in Uw schoon verheugde?
Was God ten zesden dage niet vol vreugde
Om 's menschen heiligen volmaakten bouw?
Mag ik niet drinken wat Hij blijde teugde?

Een breuk met de gereformeerde kerk was het gevolg. Toen hij veroordeeld werd kwam trouwens aan de vriendschap met verschillende jongens een einde, wat hij als schrijnend leed ervaarde. Maar daarnaast is zijn naam door kerkmensen belasterd en door het slijk gehaald.

Heer, liefde hebt Gij van mij weggenomen.
Maar ook 't gehuichel van de schijnbaar vromen.
Zij dringen ver van zondaars zich tezaam.
't Is goed, laat mij maar eenzaam tot U komen.

Eenzaam

Een eenzaam man werd hij, iemand die zich geheel gaf aan zijn dichterschap. Zijn latere werk is meer sober van toon, er zijn rake typeringen van mensen en situaties bij, gedichten over bijbelse figuren, over steden en kunst, psalmbewerkingen, natuurverzen.

Veel gedichten van hem vinden wij nu ouderwets van taal, geen wonder, er is driekwart eeuw overheen gegaan. Maar vele andere hebben tot op de dag van vandaag hun zeggingskracht behouden, tijd en taal veranderen, maar de mens die God zoekt blijft door alle tijden heen dezelfde.

In kerkmensen teleurgesteld ("Zij zeggen: wij vergeven, maar ga heen"), bleef hij op God zien, en vond verzoening in Christus' bloed ("want bloed wordt slechts verlost door Bloed").

Comfortabel

Ook tot ons, die het zo graag prettig en comfortabel hebben in de kerk, heeft deze poëzie iets te zeggen, want christen-zijn brengt strijd mee, daar heeft de Here Jezus ons al op voorbereid toen Hij zei, allereerst met betrekking tot zichzelf, maar ten diepste eveneens tot ons: "als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort". Er moet dus gestorven worden (aan de zonde) in dit leven en dat is een pijnlijke zaak. Er is lijden om Christus' wil in allerlei vormen.

De zin van het lijden heeft Willem de Mérode in vele beelden onder woorden gebracht: de roos moet gesnoeid worden om tot bloei te komen, een steen wordt onder grote druk tot robijn, een opengestoken schelp laat pas de parel zien, een uit de schil geschopte kastanje toont zijn glans, druiven worden gekneusd tot wijn. Steeds nieuwe beelden voor die ene zaak: de zelfverloochening van een christen. "Groen hout moet breken, (...) dat zijn voor mij maar niet mooie beelden of beweringen, het is letterlijk waar (...) maar je krijgt wel een knauw", schreef Willem in een brief.

Hij had den hamer in Zijn hand genomen.
Ik zag den slag, en kromp in angstig schromen.
God! sla de wanden van mijn hart niet in!
Hij zei: hoe zou Ik anders binnenkomen ?

Zo is ons een rijk innerlijk leven in zijn poëzie {Verzamelde Gedichten) nagelaten. Deze gedichten vertellen van strijd en lijden, van liefde en verdriet. Schuld, berouw en vergeving zijn centrale elementen in zijn werk, en daarin ligt een universele betekenis, zijn woorden vinden weerklank in ons eigen hart. Het einde van een avondmaalsgedicht citeer ik voor u tot slot:

God had de boeken dicht gedaan.
En zou het grote vonnis spreken.
Toen dorst hun stem de stilte breken:
O Heere Jezus, neem ons aan!

En 't bonzend hart dat ze in zich vonden
Was vlekkeloos en zonder zonden.

Geloof en mens

e? In Theologia Reformata (driemaandelijks tijdschrift waarin ook voor het theologisch geïnteresseerde gemeentelid veel lezenswaardigs te vinden is) staat elke aflevering ook de rubriek Reflexen. Eén van de redactieleden wordt telkens verzocht zijn medewerking daaraan te verlenen. Dit keer (maart 1997, jrg. 40 no. 1) is het 'in de beurt van zijn dagorde' prof dr. A. de Reuver die zijn bijdrage levert, de eerste keer sinds hem het 'hoogheilig ambt van hoogleraar in de godgeleerdheid' is toegevallen. Verschillende thema's worden door hem aangeroerd, de meeste door de actualiteit aangereikt. Eén ervan is de dood van de zakenman Frans Swarttouw. Deze had zijn aanstaande dood in eigen regie genomen, het actualiteitenprogramma NOVA zond het uit. In het Nederlands Dagblad wijdden Roel Sikkema en Reina Wiskerke er een beschouwing aan. Swarttouw maakte de opmerking dat hij voor de dood zelf niet bang was, al vond hij het wel erg omdat hij van het leven hield.

'Dit laatste bleef bij me haken. Opgevoed met Hellenbroek herinner je je dan dat catechisatiezinnetje, waarin de Godsontkenning meer een wensen dan een dadelijk (daadwerkelijk) geloven (wij zouden zeggen: wéten) wordt genoemd. En Hellenbroek was niet de eerste en evenmin de laatste die het zo zag. Maar eerlijk gezegd bekruipt je in deze godloze eeuw wel eens de gedachte: zouden Swarttouw en al degenen voor wie hij model staat, het niet alleen zéggen maar misschien ook in alle oprechtheid menen? Kan het Godsbesef zó weggeslepen raken, het geweten zó uitgesleten of toegeschroeid en het transcendentieverlies zó algeheel, dat onze gereformeerde ontkenning daarvan meer op wensen berust dan op dadelijk weten? Wie zal het zeggen? Ik kan niet verder in iemands hart zien dan hij toestaat. God alleen kijkt dieper, ook zónder permissie.'

Prof. De Reuver gaat op dit laatste verder. Hoever strekt zich die nabijheid tot onze naaste? Hij verwijst naar 1 Korinthe 9 waar de solidariteit van de apostel staat beleden ('de joden een jood en de Grieken een Griek... opdat ik er enigen gewinnen zou'). Hoe vul je dat in naar de moderne rationalist? De Reuver meldt de weg die Michael Green (Oxford) onlangs Utrechtse theologiestudenten voorhield: we moeten de moderne rationalist een rationalist worden en de postmoderne zoeker een zoeker. Christelijk geloof is zo gek nog niet, houden we de moderne twijfelaar voor. De kwestie van het 'aanknopingspunt' komt aan de orde. Is er een 'oogje' in de ziel van de mens waarin het 'haakje' van het Evangelie past?

'Leek de religieuze behoefte die in de mens huist, eeuwenlang de vanzelfsprekendste zaak van de wereld, dan moet men toch zeggen dat onze wereld die vanzelfsprekendheid geducht onder druk heeft gezet. Bevredigt het Evangelie wel de menselijke dorst naar heelheid en geluk? Het antwoord kan voluit positief zijn, zolang daarmee bedoeld is dat God de rusteloze religieuze dwaaltocht van de heiden doorbreekt, door Zichzelf bij verrassing te laten vinden en hem tot rust te brengen aan het hart van Christus. Dan is zijn honger gestild. Met een beetje goede wil kan men beweren dat God daarin aanknoopt bij de (overigens verkeerd gerichte) behoefte van de mens. Maar hoe ligt dit nu bij die twintigste-eeuwer die aan dat zoekstadium finaal voorbij is? Ik kwam weer op deze kwestie door de bestudering van de dissertatie over J. H. Bavinck die recent in Utrecht is verdedigd door dr(s). P. J. Visser. Een boeiend boek, waaruit blijkt van hoeveel waarde Bavincks ideeën nog altijd zijn voor de bezinning op de missionaire situatie waarin we ons bevinden.

Met name in de Westerse cultuur is die situatie spanningsvol: terwijl enerzijds een hernieuwde, diffuse religiositeit ontluikt, lijkt anderzijds het proces van godsdienstige afsterving bijna voltooid. Van dit laatste heeft Bavinck geweten. De verdringing van de algemene openbaring kan naar zijn oordeel immers zó ver reiken, dat mensen bij het woord "God" zich simpelweg niets meer kunnen denken. Niettemin is hij van overtuiging dat het religieuze besef de onopgeefbare voorwaarde is voor een vruchtbare missionaire communicatie. Het spannende is dat hij de ongehoorde en afgrondelijke aard van de moderne secularisatie grondig weet te peilen. Hij valt de Engelse dichter T. S. Eliot bij, wanneer deze schrijft: "Men have left God not for other Gods, but for no God! and this has never happened before". En nu komt het. In zo'n geval zegt Bavinck iedere communicatie "volslagen onmogelijk" te achten. Toch is dit niet zijn laatste woord. Er zit - als ik hem correct interpreteer - zoveel spanwijdte in zijn conceptie, dat hij elders de gedachte vruchtbaar maakt dat de Heilige Geest ook een nihilist kan herscheppen, bij wie dus zelfs het negatieve aanknopingspunt van angst en onvrede absent is, of althans zó diep verscholen ligt, dat de Heilige Geest Zelf de ontvankelijkheid puur moet creëren. Wellicht is de conclusie gewettigd dat Bavinck (mede door H. Kraemer beïnvloed) steeds meer tot het besef kwam, dat de christengetuige in het religieuze vacuüm van het nihilisme wordt teruggeworpen op de laatste krachtbronnen die voorhanden zijn: de vreemde verkondiging van de Gekruiste en het gebed om de doorwerking van Gods wederbarende Geest. Hoe het ook zij, ik geloof dat de Christusboodschap bestand is tegen alle mogelijke hindernissen en berekend op alle fasen van de geschiedenis, ook de meest weerbarstige. Dat schept ruimte voor een getuigenis - in ontmoeting en onder ootmoedig gebed verricht - ook aan nihilisten. Het geloofseffect ervan komt om zo te zeggen ex nihilo tot stand, door het creatieve Woord van de Geest. God blijft Schepper, zou Luther (misschien ook in dit verband) zeggen.'

Een buitengewoon boeiend en spanningsvol veld aan vragen opent zich hier, juist voor een theoloog van gereformeerd behjden. We grijpen de gelegenheid aan om onze broeder prof. dr. A. de Reuver en zijn vrouw nog van harte te feliciteren met het op 14 juni herdachte ambtsjubileum. We wensen hem gedurig wijsheid en inzicht toe om bezig te mogen zijn onder de studenten en hen te onderwijzen in de godgeleerdheid in gereformeerde zin. Laat onze voorbede hem en allen die in de wetenschap bezig zijn en juist daarin op de fronten staan van deze tijd, vergezellen.

(P.S. Adres voor (proef)abonnement op Theologia Reformata is Drukkerij Oosterbaan & Le Cointre, Postbus 25, 4460 AA Goes, tel. 0113-227555.)

Vert. citaat T. S. Eliot: De mensen hebben God verlaten, niet in ruil voor andere goden, maar voor helemaal geen God! en dat is nog nooit eerder gebeurd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's