Een verwaarloosd element? (2)
Zoals ik een vorig keer schreef zijn er in ldt or het verleden wel preken gehouden die een maximum aan gericht lieten horen en een minimum aan genade. Over het gericht werd in de prediking veel gezegd, terwijl de genade vrijwel niet aan bod kwam.
Nu kan een gerichtsprediking wel eens noodzakelijk zijn - en zij mag ook in onze niet ontbreken - , toch mag de prediking nooit of te nimmer daarin opgaan. Wanneer de verkondiging eenzijdig gaat worden, spreekt men niet meer met twee woorden zoals de Schrift ons dit voorhoudt.
Daarom is een prediking die enkel en alleen uitgaat van 'de triomf der genade' van de hand te wijzen, doch niet minder een prediking waarin 'het gericht' centraal staat. Noch in de ene noch in de andere prediking wordt eerlijk met de jongeren en ouderen omgegaan. Ongetwijfeld zal het bloed dan ook van de handen geëist worden van allen die een eenzijdige prediking hebben laten uitgaan met als gevolg dat er mensen verloren zijn gegaan.
Nu komt men nog wel eens met het gezegde aandragen dat God met een kromme stok een rechte slag kan toebrengen. Ik twijfel daaraan geen moment! Wel zeg ik erbij dat de kromme stok maar niet gehanteerd moet worden door predikers als de Heere ze een rechte stok aanreikt vanuit Zijn Woord.
Achter de kromme stok kan heel wat eenzijdigheid steken, terwijl men soms beter weet. Er moet maar geen lippendienst bewezen worden.
Wat zeker is: Wij mogen geestelijk met het Woord omgaan, maar de Heere beware ons voor overgeestelijkheid. Dit laatste staat ongetwijfeld een juist zicht op de Schrift in de weg, maar stagneert bovendien het geloofsleven van de gemeente én van eenieder daarin afzonderlijk.
Verlegging van het accent
Nog altijd ben ik bezig met het opsporen, waarom er soms in de prediking nog maar weinig aandacht wordt geschonken aan het gericht.
Naast de dingen die ik heb genoemd in het vorige artikel zou ik nu willen wijzen op het feit dat er grenzen zijn verlegd. In de prediking zijn de accenten anders komen te liggen. Er wordt soms meer gesproken over óns en ónze omstandigheden dan over God. Ook gebeurt het wel dat de mens en zijn situatie zo centraal staan dat God en Zijn rechten uit het gezichtsveld verdwijnen. Van de prediking kan men dan zeggen dat zij meer antropocentrisch (de mens in het middelpunt) is dan theocentrisch (God en Zijn werken centraal).
Het zal duidelijk zijn dat als dit het geval is de Heere niet meer aan het Woord komt. De omstandigheid van ons kan dan zo overheerstend in de prediking zijn dat ook een facet als het gericht niet meer aan de orde komt.
Men moet er maar op letten dat een prediking waarin de mens centraal staat altijd een beschrijvende prediking is, maar met verkondiging in de zin van 'Alzo spreekt de Heere' heeft het weinig of niets te maken.
Laat het gezegd zijn: De prediking behoort niet antropocentrisch, doch theocentrisch te zijn. Dat zijn theocentrische prediking de mens niet buitensluit zal juist zijn, maar zij zal ook helder laten doorklinken dat de mens er is om God en niet omgekeerd: God om de mens Die men - met eerbied gesproken - voor iedere kar kan spannen.
Relevantie
Naast verlegging van de accenten die men ongeacht de modaliteit overal in de kerk aantreft, is er ook de vraag naar de relevantie van het Evangelie voor het leven van iedere dag.
De vraag: Hoe krijg ik een genadig God? is veelal veranderd in de vraag: Wat heb ik er vandaag aan? Heeft het Evangelie enig nut op mijn werk, op mijn plaats in de samenleving?
Het gevolg van de vraag naar de relevantie is dat de hemel uit het vizier raakt. Men spreekt dan wel over een gesloten wereldbeeld dat iemand heeft. Het Evangelie heeft alleen betekenis voor het hier en nu. Laten wij niet denken dat deze gedachte in een bepaalde sector in de kerk wordt gevonden. Ook onder ons wordt zij aangetroffen.
Hoe vaak horen catecheten niet de vraag door jongeren stellen: Wat heb ik eraan en wat doe ik ermee, heel praktisch? Maar niet alleen jongeren stellen deze vraag, doch ook ouderen zijn ermee bezig. Ik denk dat iedere ambtsdrager op huisbezoek wel eens met deze vragen is geconfronteerd. Want hoe gesloten een gemeente wellicht mag zijn, maar de vraag naar de relevantie van het Evangelie wordt door velen gesteld.
Laat ik er dit van zeggen: Het Evangelie is zeer zeker relevant voor de tijd waarin wij leven. Het geef duidelijk lijnen aan, hoe wij als man en vrouw, als vader en moeder met de kinderen hebben om te gaan. Het laat ons ook horen welke plaats wij in de samenleving hebben in te nemen als wel hoe wij als christen daarin hebben te staan. Ook heeft het Evangelie relevantie voor allerlei relaties die er in groter of kleiner verband kunnen bestaan. Kortom: het Evangelie bestrijkt ons gehele leven. Terecht heeft A. Kuiper de opmerking gemaakt dat Christus het voor het zeggen heeft over ons gehele leven. Hij ontleende dit gezegde aan A. Comrie. En beiden ontleenden dit aan de Schrift.
Het Evangelie houdt zich bezig met mens en samenleving. Ook moeten wij niet vergeten dat de heiliging van het dagelijks leven in het Evangelie een grote plaats inneemt. Onze Zaligmaker wijst erop, maar ook de apostelen schrijven voortdurend: Weest heilig, want de Heere is heilig.
Nu sluit ik het niet helemaal uit dat men weleer in de prediking wel eens te weinig accent heeft gelegd op de relevantie van het Evangelie voor alle terreinen des levens. Alle accent werd gelegd op de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof. Maar wat ziet men nu in onze tijd? Dat men van de weeromstuit het spreken met twee woorden kwijtraakt. Alle accent wordt gelegd op de heiliging zonder dat er nog wordt gesproken over de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof om niet. Blijkbaar kan er van alles en nog wat gedaan worden zonder dat men verzoend is met God. Helaas... dat is een misvatting! Het Evangelie krijgt voor ons alleen relevantie, wanneer wij weten dat wij van Boven zijn geboren, wederomgeboren. Alleen als de wortel der zaak, het geloof in Jezus Christus, in ons wordt gevonden, krijgt het Evangelie die echte en rechte relevantie in alle geledingen van het leven, die zij daarin behoort te hebben.
Daarbij is nog een opmerking te maken. Velen vragen: Wat heb ik aan het Evangelie, wat doe ik ermee? Wie de Heere kent in zijn leven zal veeleer deze vragen omkeren en zich afvragen: Wat wil het Evangelie dat ik doe en hoe komt God aan Zijn eer door de plaats die ik in deze wereld inneem.
Hoewel onderscheiden kunnen wij nooit of te nimmer de rechtvaardigmaking losmaken van de heiliging van het leven. Bij A. Feenstra las ik dat het een tweeling is die tegelijk wordt geboren. Hij wilde zeggen dat de heiligmaking onlosmakelijk verbonden is met de rechtvaardigmaking. Hoe meer groei er is in het geloof - en ik bedoel het geloof van zondag 7 - des te meer zal ondervonden worden wat de Zaligmaker zegt: 'Uw vrucht wordt uit Mij gevonden'. Dat geldt ook voor ons 'gaan en staan' in deze wereld.
Kort samengevat: Het Evangelie is relevant voor ons in het hier en nu. Maar dit alles vindt wel zijn grond en oorzaak in de verzoening met God.
Wat zeker is: als het zó in ons leven is dat de Heere ons alles gaat worden, dan zal niet zozeer de vraag beslag op ons leggen: Wat heb ik eraan, maar dan zal het veeleer gaan om de vraag: Hoe komt God aan Zijn eer?
Het zal juist zijn als iemand mij voorhoudt, dat in een tijd van individualisme vooral de vraag 'wat heb ik eraan? ' belangrijk is, doch bekering en geloof leert ons dat er door het 'ik' steeds opnieuw een dikke streep wordt gehaald en het in ons leven niet is: ik, ik en nog eens ik, doch Hij, Hij en nog eens Hij. Wat dit laatste betreft denk ik in het bijzonder aan het boek der Psalmen. Wij zien er de kinderen Gods in het hart. Om die reden moeten wij er maar eens opletten als wij de Psalmen lezen, hoe vaak het bij hen is: Gij, Gij, alleen Gij. Zij zingen de hoogste lof op God. De Heere geve dat wij niet voor hen onderdoen. Dan zal zeker het individualisme ons niet in de ban houden of ons betoveren. Want waar God de eer ontvangt vanuit een herstelde relatie met Hem, krijgen wij ook oog voor onze naaste en voor een wereld die in grote nood verkeert.
Het Evangelie heeft relevantie voor onze tijd, maar het wil niet zeggen dat het in het hier en nu alleen maar opgaat. Er zijn nog andere dimensies die wij, zoals hierboven aangetoond, niet uit het oog mogen verliezen.
De dimensie van het gericht zal niet alleen in de prediking aan de orde moeten komen, maar ook zal eenieder moeten beseffen dat alles wat hij in dit leven gedaan of niet gedaan heeft in het gericht gebracht zal worden.
De laatste dag
Hoe men de Schrift ook leest: men zal niet kunnen ontkennen dat er een laatste dag komt. Aan heel deze wereld komt een einde. Het tijdstip van die laatste dag is door de Heere bepaald. Velen hebben geprobeerd om die dag te berekenen, doch al deze berekeningen hebben gefaald. Ook door de meest recente berekeningen is een streep gehaald.
Wij moeten naar die laatste dag maar niet gissen. Wel moeten wij er rekening mee houden dat die dag aanstaande is. Daarbij dan maar aandacht schenkend aan de tekenen der tijden. Waken en bidden is het parool, want die dag zal komen als een dief in de nacht. Terecht heeft L. van Nieuwpoort in Pilaar en Kandelaar erop gewezen dat vooral gelet dient te worden op de loop van het Evangelie in deze wereld. Wij horen immers de Heiland zeggen dat het einde zal komen als het Evangelie in de gehele wereld is verkondigd. Allerlei tekenen mogen niet uit het oog verloren worden, maar in het bijzonder niet het teken van de verkondiging van het Evangelie. Dat deze laatste dag alles te maken heeft met het gericht is uit de Schrift af te lezen. Doch over dit alles een volgend keer meer (wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1997
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1997
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's