De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een verwaarloosd element (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een verwaarloosd element (3)

9 minuten leestijd

Een vorig keer gaf ik aan dat er in de Schrift meer dan eens wordt gesproken over het feit dat de Heere de schuldige geenszins onschuldig zal houden.

Er komt een dag dat Hij met al Zijn tegenstanders zal afrekenen. Diezelfde dag zal een dag van grote vreugde zijn voor allen die de Heere hebben liefgehad. Zij zullen de eeuwige vreugde ingaan om de Vader, de Zoon en de Heilige Geest volkomen de lof en de eer te geven waartoe zij in de tijd niet in staat waren. In het hier en nu blijft de lof op God immers ten dele, maar als er geen tijd meer zal zijn en God alles in allen zal zijn, zal de lof op God voor de volle honderd procent klinken.

Het zal voor alle kinderen Gods een dag van verwondering en vreugde zijn als hun Heere en Heiland ze thuishaalt.

De reformatoren

Wanneer men de werken van Calvijn en Luther leest, krijgt men de indruk dat zij met een brandend hart de toekomst des Heeren hebben verwacht. Zij hebben inderdaad met heel hun hart ernaar uitgezien. Alles in hun leven was betrokken op het grote einddoel: Jezus komt! Hij komt om te oordelen de levenden en de doden. Dat ook anderen in die tijd het grote einddoel in het oog hielden blijkt duidelijk uit ons doopformulier.

Het formulier dat wij kennen is een verkorte versie van een veel langer doopformulier aan de hand van Petrus Datheen. Maar zowel in het verkorte als in het langere formulier lezen wij: 'Opdat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om Uwentwil getroost verlaten en ten laatste voor de rechterstoel van Christus, Uw Zoon, zonder verschrikken mogen verschijnen.'

De reformatoren voelden goed aan dat er een heilige oorlog tussen Christus en de Satan in het hier en nu wordt gevoerd. Als soldaten van Christus waren zij in die heilige oorlog volledig betrokken. Als soldaten van Christus stonden zij maar niet aan de zijlijn toe te kijken. Neen, in die strijd deden zij volledig mee. De strijd van Christus was hun strijd.

Temidden van vervolging en discriminatie zagen zij met opgeheven hoofd uit naar de grote dag van Jezus Christus. Eenvoudig gezegd: zij verlangden dat die dag weldra zou aanbreken, omdat zij aan Jezus Christus Zijn eer en volledige verheerlijking zo gunden. Met brandend hart zagen zij uit naar de laatste trap van Jezus' verheerlijking: de wederkomst.

Om die reden sprak Luther graag over 'de lieve jongste dag'. Calvijn zei het iets anders, doch niet minder uitbundig. Zowel in zijn preken als in zijn andere geschriften was hij gewoon te spreken over 'de dag van onze verlossing' of van 'de dag van onze zalige opstanding.'

Jezus' terugkeer op de wolken des hemels maakte een wezenlijk onderdeel van het geloof bij de reformatoren uit. Zij waren om zo te zeggen echte Maranatha-christenen. Het 'kom Heere Jezus, kom' was bij hen niet zozeer een zaak die alleen maar over hun lippen kwam, doch vooral een zaak van het hart.

Geen leer over de laatste dingen

Wanneer er zó uitbundig wordt gesproken over de dag van Jezus' komst: Wie Hij zal zijn voor Zijn Kerk en dat Hij als Rechter zal optreden, dan zou men denken dat er wel een leer over de laatste dingen zal zijn opgesteld.

Wie de Institutie van Calvijn doorbladert zal echter tevergeefs naar een hoofdstuk zoeken dat tot titel draagt: 'Van de leer der laatste dingen'. Wel schreef hij hierover vaak in zijn commentaren en preken.

Martin Schulze verklaart dat voor Calvijn het aardse leven een voortdurende meditatie was. Voortdurend was hij betrokken op het toekomstige leven. Volgens Schulze zou dit in zo'n sterke mate voor Calvijn het geval zijn geweest dat er bij hem van een totale verachting van het aardse leven gesproken moet worden. Dat van dit laatste totaal geen sprake is, is een en andermaal te lezen in de Institutie. Maar ook de preken van Calvijn laten ons zien dat hij dit leven niet veracht heeft. Van het goede dat er op deze aarde - ondanks de val van ons mensen - nog altijd is, heeft ook Calvijn genoten. Dat hij dit ingetogen deed heeft veeleer met zijn aard te maken dan dat hij dit leven verachtte. Bepaalde gedachten van Seneca waren Calvijn niet vreemd, maar hij was geen levensverachter zoals Seneca.

Schulze is te ver gegaan in de beoordeling van onder andere Calvijn, evenals een theoloog als Karl Barth. Laatstgenoemde is van mening dat de theologie van de reformatoren sterk heeft gestaan onder de raadsbesluiten Gods van eeuwigheid. Hun theologie zou te zeer zijn beheerst door Gods eeuwige decreten. Het gevolg daarvan zou zijn geweest dat eschatologie, de hoop, de bestemming van het menselijk leven door het komende koninkrijk van God te kort kwam. In zijn K.D. II I blz. 712 gaat Barth uitvoerig op dit alles in.

Het moet gezegd worden dat niet alleen Calvijn doch ook andere reformatoren hier en daar tekort zijn geschoten als het ging om een dogmatische (leerstellige) bezinning over de Schriftgegevens die handelen over de leer der laatste dingen. Echter... het gaat te ver als men zegt dat zij zich daar helemaal niet óf maar weinig mee hebben beziggehouden. Het is nu eenmaal de eenzijdigheid van de soldaat, die midden in de worsteling op leven en dood voor de uiteindelijke vrijheid van land en volk, enkel en alleen maar denkt aan de dag van de overwinning.

Bovendien moet niet vergeten worden dat Luther zijn handen vol had met de vraag naar de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof. Naast deze vraag besteedde Calvijn veel tijd aan de heiliging met daarin als centrale punt: hoe komt God aan Zijn eer?

Beiden hebben hun handen vol gehad aan wat op hun weg werd geplaatst toen de Heere Zijn kerk uit het diensthuis leidde. Toch houdt dit niet in dat de eschatologie geen aandacht heeft gehad. Weliswaar niet in een uitgewerkt hoofdstuk in de dogmatiek. Maar dat zij in allerlei geschriften aan de orde is gekomen, zal toch niemand kunnen ontkennen.

Een uitstapje!

Hoewel ik in een ander artikel nog wel zal schrijven dat men in de prediking evenwichtig moet zijn en het gericht daarin een bepaalde plaats mag/moet hebben, wil ik in dit verband nog op iets anders wijzen.

Het gericht in de prediking kan iemand de schrik op het lijf jagen. Dat wil zeggen dat men door grote angst wordt bevangen, maar dat verder toch geen enkele uitwerking heeft. Nog nooit is er iemand zalig geworden door alleen maar angst!

Maar hetzelfde geldt als men in de prediking de dubbele predestinatie breed gaat uitmeten.

Onder de dubbele predestinatie moet verstaan worden dat de Heere sommigen van eeuwigheid heeft verkoren en anderen niet. Inzake de dubbele predestinatie is naar verschillende Schriftgedeelten te wijzen o.a. Romeinen 9. Ook in de Dordtse Leerregels staat hierover het een en ander, terwijl Calvijn er eveneens over geschreven heeft.

De mensen die verloren gaan worden door Calvijn geschaard onder het 'decretum horribele'. Dit laatste wil zoveel zeggen als: een besluit van God waarover met grote voorzichtigheid gesproken moet worden. Letterlijk vertaald betekent 'decretum horribele': een huiveringwekkend besluit.

Waarom wordt dit alles door mij even aangekaart? Met geen andere bedoeling dan dat wij de dubbele predestinatie laten staan zoals zij ons wordt meegedeeld, maar niet dat zij in de prediking alle accent zal krijgen, evenmin als het gericht.

Om het eenvoudig te zeggen: als dienaren van het Woord prediken wij niet de predestinatie, maar prediken wij dat God ons roept. Ons allen roept! Welmenend roept! Dat mag, dat moet, omdat de verkiezing zijn bedding vindt in het Verbond dat de Heere met ons in de doop heeft gesloten (L Kievit).

De predestinatie heeft plaatsgevonden in de eeuwigheid. A. A. van Ruler hield ons in de jaren zestig voor dat de predestinatie heeft plaatsgevonden in de 'keuken' van God. Daar is de maaltijd bereid. En bij het bereiden zijn wij niet aanwezig geweest. Ook hebben wij in het heden geen blik in de keuken te werpen. Wij moeten - zo zei hij - in de verkondiging uitgaan van het welmenend aanbod der genade. Onvoorwaardelijk mag er gepreekt worden dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken.

Waarom dit alles met nadruk nog eens naar voren gehaald? Omdat ik niet alleen in andere kerken, maar ook in eigen kring wel jongeren en ouderen ontmoet, die tegen de dubbele predestinatie oplopen. Soms zijn het hele aardige mensen, geen scherpslijpers of mensen die zich er met een Jantje van Leiden van afmaken, die zeggen: 'Het ligt toch van eeuwigheid vast; moet ik er komen, zo kom ik er, maar is dit niet het geval dan kom ik er niet.'

Wie Gods Woord goed leest en onderzoekt, zal er achterkomen dat het niet het geval is zoals men dit zegt. Krachtig en machtig legt de Heere nadruk op de roeping. Aan de voeten van eenieder die geroepen wordt, wordt de Heere Jezus welmenend neergelegd. Tot eenieder wordt in de prediking gezegd: Als u of jij de Heere Jezus tot uw óf jouw Zaligmaker wilt ontvangen, u of jij kunt Hem van de Heere ontvangen. Zelfs als u of jij geen armen des geloofs zou bezitten om Hem te omhelzen, dan kunt u ze door de Heilige Geest ontvangen.

Ik wil met dit alles maar zeggen, dat men zich nooit mag laten afschrikken door de dubbele predestinatie. De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God, maar de geopenbaarde voor ons en onze kinderen! Dat wij ons daaraan houden. Dat is Bijbels. Dat is gereformeerd.

En wij?

Luther sprak over de dag van Jezus' komst als over 'de lieve jongste dag'. Zeggen wij het hem na of zitten wij zo vast aan deze aarde dat wij de hemel zijn kwijtgeraakt en een gesloten wereldbeeld bezitten? De reformatoren waren kinderen Gods in de strijd, christenen die in de vuurlinie stonden. Zijn wij wellicht meer salonchristenen die weliswaar bestreden worden, maar geen vijand zien? Een vraag die noopt tot zelfonderzoek, maar dan wel met het Woord erbij. En niet te vergeten: het gebed! (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1997

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een verwaarloosd element (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1997

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's