Het gebed van een boetvaardige
En neem Uw Heilige Geest niet van mij. Psalm 51 : 13b
Nu David zover gekomen, liever gezegd gebracht is, bidt hij niet uit berekening: 'en neem Uw Heilige Geest niet van mij', maar uit de verbrijzeling.
Een boeteling redeneert niet. In de zelfveroordeling rest hem - o, wonder van genade! - het pleiten op genade.
Wie geen verstand van kermen heeft, beweert in dit geval, kil en koel: 'makkelijk praten, dat doet maar raak'.
Het lijkt wel of je met God een loopje kunt nemen. Je zou op die manier gemakkelijk een conclusie kunnen trekken uit het feit dat de Heilige Geest David niet verlaten had, ook niet toen hij driedubbel overgehaald zondigde.
Nee zegt David, zo bedoel ik dat niet. Dat zeg ik ook niet.
De zaak waarom ik bid is voor mij allerminst vanzelfsprekend. Dat is en wordt genade immers nooit.
David staat arm en naakt in de levende omgang met God. Hij is één en al verwondering dat de Heilige Geest niet uit zijn hart vertrokken is. Niet gezegd heeft: omdat jij, David, Mij zo diep gekrenkt hebt, Mij zoveel smart hebt aangedaan. Mij zo intens bedroefd hebt, ga Ik er vandoor. Ik trek de deur achter Mij dicht en laat jou met de rommel zitten. Zoek het maar uit! Zelf wilde je niet anders.
Maar waar haalt David dan de moed vandaan, om te bidden: neem Uw Heilige Geest niet van mij? Dat valt mijns inziens moeilijk te beredeneren, zonder de zaak waar het om gaat dood te praten. Als u het mij vraagt geeft de Heilige Geest zelf blijk van Zijn aanwezigheid in het hart van een mens, voor wie de verberging van Gods aangezicht hem bitterder is dan de dood. David was zo'n man. En Petrus, die bijna hellediep gevallen was. Wiens tranen en bitter berouw het klare bewijs afgaven van de waarheid van Jezus' woorden: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.
Wil ik daarmee zeggen dat Davids gebed om de Geest ten diepste uit de Geest zelf was? Genade was? Ik zou het anders niet weten hoe het moest... hoe het kon.
Als toch niet de Geest zelf zou blijven bidden, met onuitsprekelijke zuchtingen, dan konden we het allemaal vergeten.
Neem Uw Heilige Geest niet van mij. Wanneer kan ik dat zeggen, wanneer mag ik dat zeggen? Let op David, In hem leeft het diepe besef: ik ben niet waardig langer Uw kind te heten. Ik heb niets anders in te brengen dan lege briefjes als U mij, o God, aan mijn zelfgekozen lot zou overlaten. David voorziet de bange mogelijkheid dat de Heere hem niet langer bij Zich wil hebben. Als een mens zich verootmoedigt voor God, wat doet God dan? Wat wil God daarmee? Wil God dan een mens op de punt van een schoen nemen en hem de verlorenheid inwerpen? Wil God zich van een zondaar ónt-doen? Hem laten vallen, zoals wij elkaar laten vallen? Nee, Hij stuurt naar die mens Zijn Woord. Om hem te maken tot een smekeling. Zó, in die gestalte, wil God een mens hebben, in de gestalte van een smekeling. Dat is in de gestalte waarin wij het laatst willen zijn, maar waarin God ons het eerst wil hebben. Als een zondaar die de voeten des Heeren kust. Dat kun je alleen maar als je met je knieën in het stof ligt en geen sterveling je op je tenen kan trappen.
Neem Uw Heilige Geest niet van mij. Het is de roep uit de diepte, waar menselijk gezien alles ten einde is gekomen, waar wij de dood, dat diepe, geestelijk aan-eeneind-zijn, in ons leven smaken. Op de grens van de afgrond verkeren. Nog maar één zetje en je ligt erin. Hier houden we God niet voor verplicht Zijn belofte na te komen, maar geeft de Heilige Geest wonderbaarlijke vrijmoedigheid om de Heere Zijn Woord voor te houden. Dat noemt de Bijbel nu geloof.
Neem Uw Heilige Geest niet van mij. Weet u, uit het verbrijzelde hart schiet het nochtans des geloofs omhoog. Met dat we zo bidden, werpen we onze smekingen niet neer op onze gerechtigheden, die gene zijn, maar op Gods barmhartigheden, die vele zijn.
En dan niet twijfelen aan wat Christus gezegd heeft: De Trooster, de Heilige Geest zal bij u blijven en in u zijn.
Het is een wonder als een zondaar een kind van God mag worden. Gelet op jezelf is het een nog groter wonder dat je een kind van God mag blijven. Dat David de Heilige Geest niet kwijtgeraakt is. Wat moeten we zonder de Heilige Geest beginnen? Het ergste is te vrezen. Dan is geloven onmogelijk. Dan verlies ik het zicht op Gods genade. Ik blijf met mijn schuld zitten. Ik moet zelf een rekening vereffenen zonder een cent te hebben om te betalen. Ik houd het niet vol in moeiten, in zorgen, in verdriet. Ik sta er hopeloos alleen voor. Ik moet er niet aan denken.
Zonder de Heilige Geest is het een verloren zaak. Is het in één woord: hopeloos! Bent u hopeloos met uzelf en met uw zonden vastgelopen?
Zeg dan niet: Heere, ik zal het beter doen; Heere het zal mij niet meer overkomen; Heere geef me nog een kans, want er liggen geen kansen meer in mij.
Ik zie het mezelf niet doen, als Gij het niet aan mij doet.
Ik zie nog maar één mogelijkheid: Neem Uw Heilige Geest niet van mij.
Daarmee zegt David en zeg het hem na: Ik blijf zondaar, maar ik blijf aangewezen op de Geest, die met zijn troostrijk woord tot mijn hart spreekt: Kinderkens, indien wij gezondigd hebben, hetzij ik niet of wel van genade wist, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige, en... het bloed van Jezus reinigt van alle zonden.
Met dat onreine hart van mij zoek ik mijn zaligheid buiten mezelf in Christus. Neem Uw Heilige Geest niet van mij, die mij leert, mijn leven lang dankbaar gebruik te maken van mijn getrouwe Zaligmaker.
U hebt Hem laten vernietigen om mij voor eeuwig te behouden.
Geef me terug, wat ik door mijn eigen schuld kwijtraakte, de vreugde over Uw heil. Over Uw Jeschua, staat er. Een woord waarin ik de naam Jezus hoor. Vreugde uit Zijn smart. Leven uit Zijn dood.
Laat Uw Geest in mij blijven opdat ik mijn blik mag richten op Jezus. En in Hem de Vader zien, ja. Christus zien die Zich opmaakt om het verloren schaap in Zijn armen te nemen en terug te brengen in de rust en de blijdschap van Gods Vaderhart.
Wat zal ik dan met Gods gunsten overladen, die trouwe Heere voor Zijn gena vergelden? Ik zal aan de overtreders vertellen dat God barmhartig is en zeer genadig. Ofschoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig.
O ja, er zullen onder hen zijn die zeggen: moet David nog wat zeggen? Laat hij naar z'n eigen kijken. Dat heeft de Heilige Geest hem juist geleerd. Ook nog iets anders. Ook dit: Maar bij U is vergeving.
Dat betekent dat niet ons verleden ons rechtvaardigt, maar dat we een God hebben Die goddelozen rechtvaardigt. Wiens onbezweken trouw nooit onze val zal gedogen, maar aan wie, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg naar God terugkeren het vaderlijk aangezicht Gods opnieuw verschijnt. Dan zullen er ook zijn die als vrucht van Davids gebed en Gods verhoring moed scheppen uit zijn behoudenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1997
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1997
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's