Godsbesef bepaalt het levensbesef
Een reisleider vertelde me eens dat gezelschappen, die onder zijn leiding de grens overgingen, bij het zien van de Limburgse heuvels al begonnen te zingen 'Op bergen en in dalen, ja overal is God'. Terwijl er van bergen nog geen sprake was. Feit is, dat de mens bij het zien van machtige bergmassieven of wilde waterstromen een gevoel van nietigheid en afhankelijkheid krijgt. Zo vergaat het velen weer in vakantietijd. Het lijkt alsof God (even) dichter bij is dan thuis. De stem des Heeren is in het natuurgebeuren, in het natuurgeweld ook. Dat is nog bijbels ook. In de 29e psalm wordt gezegd, dat de stem des Heeren op de wateren is, dat de God der ere dondert. 'De stem, des Heeren verbreekt de cederen... de stem des Heeren doet de woestijn beven.' Achter het majestueuze van de schepping ligt de majesteit van de Schepper. En daarom kan de natuur, in het schone en ook ruige, dat zij biedt, nodigen tot overdenking aangaande God als Schepper.
Als zodanig is het goed als vakantie mensen dichter bij de natuur brengt. Ooit schreef ds. J. T. Doornenbal in zijn wekelijkse impressies in het Veluws Kerkblad op meeslepende wijze over de natuur maar ook over de vergankelijkheid van het leven. Ds. M. A. Groenenberg, toen predikant in Amsterdam, reageerde een keer in zijn gemeenteberichten op wéér een uitgebreid in-memoriam van de Oener pastor. 'Het lijkt wel alsof daar op de Veluwe er alleen de dood is.' 'U woont zeker drie hoog in Amsterdam, ver van de natuur en het stervende leven, waar leven en sterven elkaar afwisselen? ' reageerde Doornenbal. Wie echt zicht heeft op de natuur heeft ook zicht op de Schepper. Maar de natuur schenkt ons de zaligheid niet. Klaarder en volkomener leren we God kennen uit Zijn Woord, zegt de Nederlandse Geloofs Belijdenis. Peinzen over God in de natuur is dan ook iets anders dan wanneer de psalmist zegt 'Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken'. (Ps. 63 : 7). Daarachter ligt de belijdenis 'O God, Gij zijt mijn God... voorwaar ik heb U in het heiligdom aanschouwd'. Wie God mag kennen vanuit het heiligdom verwondert zich over Zijn werken in de schepping.
Maar of men nu over God denkt aangaande Zijn majesteit in de schepping of aangaande Zijn heerlijkheid in het heiligdom, Hij is een groot God. Daarvan is de Schrift vol. Wie is een God als Gij? 'O Heere, mijn God, gij zijt zeer groot' (Psalm 104 : 1).
Levensbesef
Het is echter maar de vraag of de grootheid en de majesteit van God zo nog wel een plaats hebben in het levensbesef van de moderne mens. Wie zich te binnen brengt hoe plat over God gesproken werd tijdens de laatste boekenweek, onder het thema 'Mijn God', weet beter. Maar het is de vraag of die grootheid van God ook in het christelijke levensbesef vandaag nog wel een plaats heeft. Is daarin ook niet een verschuiving opgetreden? Enige jaren geleden zei me een inmiddels overleden theoloog van gereformeerden huize, dat hij het geloof in de grote God van zijn vader had ingeruild voor het geloof in 'een kleine, kwetsbare God', een God, die zelf ook geen raad meer weet met alles wat er in deze wereld gebeurt en daarom niet anders kan doen dan met lijdende mensen mee-lijden. Ik kreeg bij het horen van die woorden het plotselinge gevoel, dat hier theologische heiligschennis plaats vond. Toegegeven, het leven is vol raadselen, ook het Godsbestuur is vol raadselen, maar ook bij het zien van de raadselen van het leven hebben profeten, psalmisten en apostelen nochtans de grootheid en de majesteit van God beleden, met menselijke maatstaven niet na te rekenen, zelfs als ze in hun klacht naar de hemel God als het ware ter verantwoording riepen.
Alsof het in de macht van ons mensen ligt een grote God in te wisselen voor een kleine God! God is zoals Hij Zich heeft geopenbaard. God vertoonde Zich in de geschiedenis van de mensheid ooit klein, dat wel. In het komen van Zijn Zoon heeft Hij Zich tot een klein mensje gemaakt. 'Kleine Jezus, grote God', zo luiden de beginregels vaneen vers!
Achtergrond
Wanneer we erover nadenken hoe het toch komt, dat mensen zich zo'n ander beeld van God gaan maken, dat Hij niet meer de gans Andere, de hoge en Verhevene is, moet men zich afvragen hoe over de mens wordt gedacht.
God heeft de mens bijna goddelijk gemaakt, zegt psalm 8. Maar God is Hij niet en wordt hij nooit. God is altijd groter dan mensen en wat zij bedenken. De mens heeft uit de geschapen werkelijkheid de meest ongedachte dingen tevoorschijn mogen halen, maar altijd is God Zelf nog groter. De grote ontdekkingen in de natuurwetenschap waren ontdekkingen van datgene wat God zelf in Zijn schepping heeft gelegd. Ze bepalen ons juist te meer bij Gods grootheid en almacht en majesteit. De mens mag best kunnen verklaren hoe de bliksem ontstaat, en hoe allerlei andere natuurverschijnselen tot stand komen. Maar dat doet niets af aan de belijdenis van de stem des Heeren, die in de donder is, en van het feit dat Hij het ijs heenwerpt als stukken. God was er eerder dan de bliksem en de donder. Hij kende al lang de afgrondelijke geheimenissen, die de mens in de geschapen werkelijkheid mocht ontdekken. 'Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde'.
Al bij de torenbouw van Babel zei echter de mens in zijn overmoed: 'Komaan, laat ons een toren bouwen waarvan het opperste tot in de hemel reikt'. En het is de eeuwen door altijd weer hetzelfde, oude liedje geweest. De mens waande zich God. En zo heeft het menselijk kennen en kunnen ook vandaag, nu wetenschap en techniek zo'n hoge vlucht hebben genomen, het levensbesef van de mens diepgaand beïnvloed. Hij redt zichzelf. Totdat er overigens niets meer te redden valt. Maar wie nadenkt, echt nadenkt, moet toch op de vraag stuiten hoe het alles op zo'n wonderbaarlijke wijze gemaakt is? Die zou juist bij de grootheid van God moeten uitkomen. God is altijd weer oneindig veel groter dan de mens, tot hoe grote hoogte deze ook in zijn wetenschappelijke of technische prestaties vermag te komen. Dat belijden ook vandaag nog wetenschappers, die van overtuiging zijn, dat er meer is tussen hemel en aarde dan wat voor ogen is en ook wat de mens zichtbaar weet te maken. Ik denk aan de geschriften van wijlen dr. Francis Schaeffer. C. S. Lewis schreef zijn machtige boek 'Wonderen'. Prof. dr. A. van de Beukel schreef 'De dingen hebben hun geheim'.
Hij is groot, altijd groter, en ik ben klein. We moeten de rollen niet omkeren. Bij elke nieuwe ontdekking wordt Hij voor het oog van het geloof nog groter.
Naarmate de mens echter groter wordt in eigen oog, wordt God kleiner, totdat Hij tenslotte geheel verdwijnt uit het bewustzijn. Van Darwin, de grondlegger van de evolutietheorie, is bekend dat, naarmate hij meer geloof ging hechten aan wat hij meende te hebben ontdekt, hij eerst het geloof in de Schrift verloor en uiteindelijk moest zeggen 'En tenslotte verliet het geloof in God me geheel'.
Maar wie uit de verwondering leeft, beleeft de grootheid van God des te sterker naarmate meer van en uit Zijn werken wordt onthuld.
Bedelaar
Wie zo over God nadenkt, in de grootheid van Zijn schepping, vanuit Zijn heerlijkheid in het heiligdom, weet zich klein en komt niet verder dan de bedelaarsgestalte. Daarin gaat het om de bede en de lofzegging.
Het Godsbesef van een mens bepaalt tevens zijn gebedsgestalte. Recent werd aan de Kamper hoogleraar dr. C. J. den Heyer, prominent in het nieuws vanwege zijn verwerping van de klassiek-bijbelse leer der verzoening, gevraagd of hij (nog) bad. Als bidden zoiets is als mediteren wél, was zijn antwoord. Maar hij bad bijvoorbeeld niet (meer) om Gods bescherming als hij op reis ging. Welk Godsbesef zit hier achter?
Toch niet meer een God die in Zijn almacht en heerlijkheid het leven van mens en wereld leidt! Men geeft heel wat prijs wanneer men de persoonlijke afhankelijkheid jegens God voor het hele leven niet meer belijdt.
Wie echter belijdt, dat God groot en majesteitelijk is en dat Hij ook vandaag Zijn schepping leidt en bestuurt, dwars door alle raadselen heen, kent de gebedsgestalte om in afhankelijkheid alles aan Hem toe te vertrouwen. 'God is groot, erkent dat Hij hoger is dan alle goön'.
En uiteindelijk: daar is ook een diep persoonlijke bemoediging in het geloof in een groot God. Hij heeft Zich laten kennen in Zijn Woord. Hij heeft Zich klein gemaakt in de komst van Zijn Zoon. Zo, dat Hij niet ongenaakbaar is maar te benaderen valt. Zo is Hij ook groot in Zijn genade.
'Want indien ons hart ons veroordeelt. God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen'. (1 Joh. 3 : 21). Hij gaat zelfs de stormen en de vragen van het hart te Boven.
God is altijd groter. Groter dan welke machten, krachten, twijfels, systemen of welke tijdgeest ook. Groter dan de wetenschap en de kennis. Want God zag al wat Hij gemaakt had en het was zeer goed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's