Boekbespreking
Dr. N. A. Schuman, mr. T. M. Schalken, drs. J. F. Abma, dr. J. A. Montsma, Verdiend loon, opstellen over het recht op vergelding, VU-segmenten deel 3, Uitgeverij Meinema, Zoetermeer 1997, 56 blz., ƒ 18, 90.
N. A. Schuman knoopt in zijn bijdrage aan bij zijn boek Gelijk om gelijk dat als ondertitel heeft Verslag en balans van een discussie over de goddelijke vergelding in het Oude Testament (1993). Hij is van mening dat teksten als 'oog om oog en tand om tand' en de voorstelling van God als 'de God der wrake' niet kunnen worden afgedaan als typisch oudtestamentisch en daarom voor ons niet meer van toepassing zijn. Het gaat hier volgens hem om een fundamenteel principe van universele aard (12). Mensen ervaren het zo. Wie goed doet, goed ontmoet. Maar ook: wie wind zaait zal storm oogsten. Het is een thema in de Griekse oudheid. We denken dan aan de tragediespelen van Aeschylus en Euripides. Maar we treffen dit motief ook aan bij Shakespeare en in de moderne literatuur bij een auteur als Willem Elsschot(16v).
In de Psalmen neemt de roep om wraak een grote plaats in. Zij moeten in de geloofsliederen van de kerk niet als 'onstichtelijk' worden weggelaten. Ze zijn bedoeld als een schreeuw om recht. Vaak wordt ook in deze teksten de samenhang tussen daad en lot zichtbaar gemaakt. 'Op het niveau van het lied, het gebed, het gebod, de profetie of het visioen, is het dan al zover, zijn de bewerkers van onheil en gruwel er eenvoudig niet meer, en wandelen de rechtvaardigen al in het licht' (24).
Niet alleen in het Nieuwe maar ook in het Oude Testament doorbreken verzoening en vergeving de persoonlijke of collectieve onheilsketens (21). Schuman ziet zelfs in de motivatie van het tweede gebod ('Die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen') een betuiging van Gods vergevingsgezindheid (22). Dit laatste gaat mij te ver. Zeker, de aankondiging van het oordeel draagt bij de profeten vaak een conditioneel karakter. Dan is het een laatste appèl. Maar daarmee wordt de tweezijdigheid van het verbond niet opgeheven: op gehoorzaamheid rust zegen, op ongehoorzaamheid de vloek.
Schalken biedt in zijn bijdrage een overzicht van de verschillende visies op het begrip vergelding in het moderne strafrecht. Zelf ziet hij voor het strafrecht vier functies: de normbevestigende, de normsturende, de normontwikkelende en de normreducerende functie. Dat de normen door het strafrecht bevestigd (moeten) worden is duidelijk. Voorbeelden van de normsturende functie zijn bijvoorbeeld de handhaving van de visquota en de marktordening. Wanneer de politiek de normering van bijvoorbeeld de euthanasie overlaat aan de rechtsspraak krijgt het strafrecht ook een normerende functie. Het gedoogbeleid inzake softdrugs is een typisch Nederlands verschijnsel. In dit geval krijgt het strafrecht een normreducerende functie. 'Bij dit soort strafrechtelijke beleid speelt vergelding al helemaal geen rol meer' (31).
De vraag die mij intrigeert is of het reduceren van een norm aangemerkt kan en mag worden als een functie van het strafrecht. Vervaagt dan niet de scheiding der machten (de trias politica): de wetgevende, de uitvoerende en de wettelijke macht? De wetgevende macht ligt op het terrein van de politiek. De volksvertegenwoordiging kan ministers die normen wijzigen, bijvoorbeeld ten aanzien van het euthanasiebeleid, ter verantwoording roepen. Maar rechters zijn onafhankelijk. Zij kunnen niet ter verantwoording worden geroepen. Men kan in hoger beroep gaan wanneer men een vonnis onrechtmatig vindt. Dan wordt de rechtsgang getoetst, maar ook de strafnorm? De politiek mag haar verantwoordelijkheid niet uit handen geven. Ze zou zichzelf buiten spel zetten en de burger monddood maken. J. F. Abma wijst in zijn artikel de doodstraf als vergelding af. Dat is 'geen goed recht'. Er gaat ook geen preventieve werking van uit. Dat bewijzen de statistieken. In Canada is de doodstraf afgeschaft en daalde het aantal zware misdrijven. In de Verenigde Staten wordt de doodstraf steeds meer toegepast en stijgt de criminaliteit. Zijn voornaamste argument is dat de menselijke gerechtigheid wel een verlengstuk moet zijn van Gods gerechtigheid maar dat het beëindigen van mensenlevens daar toch weer buitenvalt. 'Daarvoor is de mens een paar maten te klein. Wij zijn God niet. En om dat in de moraal uit te drukken hebben we het recht op leven' (29).
Hiermee is m.i. over deze vooral met het oog op de praktijk zo moeilijke materie nog niet het laatste woord gezegd. Moet de aantasting van het beeld van Gód niet zwaarder wegen dan het recht van de mens op leven? Kan de mens dat recht niet verspelen?
J. A. Montsma tenslotte gaat in de op de verhouding tussen vergelden, vergeven en verzoenen in de rechtspraktijk. Hij constateert dat de roep om vergelding in de samenleving steeds sterker wordt. Dat is vanwege de toenemende criminaliteit en het gevoel van onveiligheid bij de burgers ook goed te begrijpen. Het rechtsgevoel vraagt om vergelding. In dat opzicht zitten wij met ons strafrecht op de goede weg. Maar daarmee zijn de slachtoffers nog niet geholpen evenmin als de daders. Hoe kunnen zij tot elkaar gebracht worden om zo een breuk in de samenleving te herstellen? Beide partijen moeten met elkaar verzoend worden. Dat vraagt van de een erkenning van schuld en van de ander de bereidheid om te vergeven. Maar er zijn grenzen. Dan mag de vraag om te vergeving niet eens gesteld worden uit solidariteit met de slachtoffers.
Het gaat bij Gods gerechtigheid om heil maar de weg naar dat doel kan niet om de straf heen. Dat wordt nog eens extra onderstreept door wat de Bijbel zegt over het laatste gericht. Wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus geopenbaard worden en krijgen naar wat gedaan hebben, hetzij goed, hetzij kwaad. Het verdiende loon dus (54). De schrijver kan niet de gedachte van een eeuwige straf zonder uitzicht accepteren. Toch zal God het kwaad recht zetten. In die zin spreekt de Bijbel over het (laatste) gericht met zijn vergelding (55).
Wat dit laatste punt betreft verschillen wij diepgaand van mening. Terecht zegt Montsma dat wij (mensen) niet mogen moraliseren met hel en verdoemenis. Mogen wij dat dan wel als het over Gód gaat en over Zijn liefde? Hij is Licht en in Hem is gans geen duisternis.
Aan deze aflevering van VU-segmenten hebben wij relatief veel aandacht besteed omdat hier het bijbels thema van de vergelding dat vaak onderbelicht blijft in zijn betekenis voor het hedendaagse leven nadrukkelijk aan de orde wordt gesteld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's