De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een man van het harmoniemodel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een man van het harmoniemodel

D. Dekker (70) en de hervormde gemeente van Nunspeet

12 minuten leestijd

Van tijd tot tijd willen we in ons blad een vraaggesprek publiceren met iemand die gedurende een langere periode van betekenis mocht zijn voor een hervormd-gereformeerde gemeente. Het motief hierbij is niet een mens centraal te stellen, maar het werk van God,zoals dat gestalte krijgt in het dagelijkse leven van de gemeente, te belichten. Vandaag deel 2: na Aartje Boon uit Molenaarsgraaf de heer D. Dekker uit Nunspeet.

Ruim veertig jaar is D. Dekker al betrokken bij het kerkelijke leven in Nunspeet, waarvan bijna dertig jaar als ouderling. 'Het is net als met een inktvis, zo breidt het werk zich steeds meer uit'. Bij het ouder worden tilt de Nunspeter meer en meer aan een goed evenwicht tussen het ambt en het gezin. Een gesprek over het gesloten karakter van de Veluwnaar maar ook over het werk van God, dat niet verborgen blijven kan.

Dirk Dekker en zijn vrouw groeiden op in Ermelo. Vier jaar na hun huwelijk in 1951 verhuisde het echtpaar naar Nunspeet. Het Ermelo van voor en kort na de oorlog typeert Dekker als gemoedelijk. 'Als je per dag een paar auto's over de Zuiderzeestraatweg zag komen, hield het op. Het was de tijd dat de gemeente gediend werd door ds. J. J. Timmer, de secretaris van de Geref. Bond, die in de oorlogsjaren naar Harderwijk ging, en door ds. J. Ch. W. Kruyshoop'. Bij ds. H. A. Labrie ging de jonge Dirk naar de catechisatie. 'Ik herinner me nog goed dat hij van een sterfgeval vandaan kwam. Er was een jongen in de kracht van zijn leven verongelukt. Hij was lopend op weg naar huis en ik ontmoette hem. Ik moest naar het dorp en diep onder de indruk van het gebeurde liepen we samen al pratende op.

Na de oorlog kwam ds. Th. G. Vollebregt en later ook ds. G. Spilt. In die tijd is er voor mij een soort isolement weggevallen. Ik kwam op de jeugdclub, werd tweede voorzitter van de jeugdvereniging, kwam in de jeugdraad.

Ik keek ook wel eens buiten de eigen gemeente, ging naar ds. L. Kievit en ds. G. Boer in Putten of naar Harderwijk. Ik ben in bevindelijke kring grootgebracht; mijn moeder was een godvrezende vrouw, bij wie voor de oorlog nog wel eens boekverkopers langs de deur kwamen. Zij kocht dan preken, van ds. Middel, van ds. Detmar uit Ede, van ds. Fransen. Dat genre heeft toentertijd een stempel op me gezet, wat na de puberteitsjaren wat weggeëbd is. Ik was er eerst vatbaar voor.

In Ermelo gingen we één keer per zondag naar de kerk. Dat was vroeger gewoonte, traditie. De vrouw moest 's ochtends op de kinderen passen, eten koken en kippenvoeren. Er was immers geen kinderoppas. Op de agrarische bedrijven kon het niet anders, 's Morgens gingen de mannen en jongeren en 's middags of 's avonds de vrouwen met de kinderen. Later, toen de Nieuwe Kerk gebouwd was, gingen we twee keer.'

Jonge ouderlingen

'Ik moest vanwege mijn werk naar Nunspeet verhuizen. Na twee jaar, in 1957, werd ik al gekandideerd voor ouderling. Ik was pas dertig jaar, maar heb me er niet aan kunnen onttrekken. De meeste broeders waren ouder. Sommige gemeenteleden vonden die jonge ouderlingen maar niks. Nu ik zelf ouder ben, voel ik dat wat aan. Het moet voor jonge mensen niet gemakkelijk zijn om bij ouderen op bezoek te gaan.

Ik kon en kan moeilijk nee zeggen. Het is nooit zo geweest dat ik klaar en duidelijk zag welke beslissing ik nemen moest. Toch was er een innerlijke drang om het ambt aan te nemen. Ik vond het niet altijd een vreugde om in de dienst des Heeren bezig te zijn, maar de eerste tijd wel. Er waren ook bezoeken waar ik tegen opzag. Je brengt dat in het gebed en verschillende keren ervaar je dan vanuit een bijbeltekst kracht te ontvangen. Het doel van het huisbezoek was en is allereerst te vragen naar de kerkelijke betrokkenheid, naar de kerkgang: Is die traditioneel of zit het dieper? Ook de huiselijke en gezinsomstandigheden kwamen ter sprake. Ik heb altijd naar het Woord willen wijzen.

Er was veertig jaar geleden minder openheid. Vooral onder jongeren is dat nu wel anders. Tien jaar heb ik sinds 1957 niet in het ambt gestaan, van 1978 tot 1988. Toen ik terugkeerde, was het opener, dat wel, maar er was minder respect ook voor het ambt. Je had eerst een gemakkelijker entree. Mensen zeggen nu eerder wat ze denken.

Ik heb tijdens pastorale bezoeken nooit recht op de man af gevraagd: "Hoe is het nu met jezelf? " Dat vind ik te ver gaan. Ik wil daar omzichtiger naar toewerken, niet bruusk vragen. Dat ligt mij niet. Ik weet niet of met een directe vraag je die persoon een dienst bewijst. Natuurlijk, het moet wel gevraagd worden hoe het staat tussen God en een mens. Iemand gaat sterven. "Kun je sterven, man? Weet je door genade dat je zonden vergeven zijn? " Die vraag kun je stellen. En als hij dan zegt: "Nee, dat weet ik niet" - "Wordt het dan niet de hoogste tijd om erachter te komen? " vraag je dan. Dat kan. Als je nu verschillende bezoeken gebracht hebt, ken je elkaar. Als die man werkelijk indringend met de vragen bezig geweest is, merk je dat aan de wijze van spreken over de dingen hoe het ervoor staat. Dat is mijn conclusie.'

Compromis

'Het huisbezoek was voor mij het hart van het ambtelijke werk. Je krijgt vooral met zieken een vertrouwensrelatie, als je hen regelmatig bezoekt. Het huisbezoek is van essetitieel belang, al is het jammer dat je de gezinnen zo weinig compleet hebt. zijn de jongeren erbij, dan moet je daarmee rekenen en hun problemen aansnijden.

Ik heb ook veel vergaderwerk gedaan, totdat het niet meer samenging. Ik had een eigen wijk en, toen ik in 1960 scriba werd, veel vergaderwerk. Ds. W. G. G. Beerenkamp, die bijna 25 jaar in Nunspeet heeft gestaan, vond met zijn kerkenraad dat er een bonder mocht komen toen de gemeente groter werd. Ds. J. de Lange kwam toen naar Nunspeet. In een al jaren bestaande evangelisatie werden diensten belegd, maar toen ds. De Lange kwam, werd die opgeheven. Er is toen een compromis gesloten: in de kerkenraden en in de organen van bijstand zitten evenveel vertegenwoordigers van de Gereformeerde Bond als van de Confessionele Vereniging.

In de loop van de jaren zestig wilde Nunspeet al van twee naar vier predikanten (thans zijn er zes). Toen ik ook scriba van de centrale kerkenraad werd, ben ik met het bezoekwerk gestopt. Het ene werk bracht het andere voort. Als er een ambtsdrager gekozen is, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat je van twee avonden bezig zijn in de week uit moet gaan. Het is net als met een inktvis, zo breidt het werk zich steeds meer uit. Doordat wij een verstandelijk gehandicapte dochter hebben, was ik betrokken bij de vereniging Philadelphia, terwijl ik 27 jaar penningmeester van de school voor speciaal onderwijs was. Dat gaat wel eens ten koste van het gezin. Achteraf zie je dat de kinderen daar de dupe van werden. Daar til ik bij het ouder worden wel zwaar aan. Er moet een evenwicht tussen ambt en gezin zijn. Het kost ook een vrouw veel als je een ambt bekleedt. Ik kon nergens afstand van doen. Als ik ergens aan begin, kan ik moeilijk stoppen. Je wilt ook dienstbaar zijn, dat had ik van jongs af aan.'

Hoorcommissie

Heel wat keren maakte Dekker deel uit van een hoorcommissie. 'Als je verslaggever was, moest je de preek noteren en het gesprek dat aan de pastorie plaatsvond, in je hoofd houden. In de auto praatte je na: 'Wat denken jullie ervan? ' Soms wist je: dit is niet een dominee voor Nunspeet. Soms behoefden sommige dingen nader gesprek en soms wist je direct: Dit is goed.

Je kende de gemeente, wist wat voor predikant je zocht. Ik kan wel zeggen dat Nunspeet een predikant uit de middengroep van de Gereformeerde Bond zocht, als het om een vacature van de GB-modaliteit ging. Je wilt een Schriftuurlijke, Christocentrische prediking met de elementen ellende-verlossing-dankbaarheid, zonder dat het één zeer sterk benaderd werd ten koste van het ander. Ook niet dat de tekst een kapstok werd, waaraan allerlei bevindelijke gedachten opgehangen werden. Als lid van een hoorcommissie zit je anders onder de prediking dan een gewoon gemeentelid. Je bent voor de gemeente bezig. De prediking moet voor alle tijden en plaatsen hetzelfde zijn, maar voor een bepaalde plaats kunnen sommige accenten wel eens extra nodig zijn. Ik heb er altijd voor gezorgd vooraf goed geïnformeerd te zijn. Niets is vervelender dan een predikant die zijn best deed, te moeten zeggen: Het spijt ons wel, maar...'

Hebt u het compromis tussen confessionelen en gereformeerde bonders als iets moois ervaren ?

'Ja. Het is een goede zaak, wanneer twee modaliteiten die in grote lijnen kort bij elkaar liggen, niet gescheiden op hoeven te trekken. Dat is in Nunspeet een groot goed. Ik hoop dat het jaren zo blijven mag, al is inherent aan het woord 'compromis' dat je moet geven en nemen. Wij hebben een plaatselijke regeling waarin verwoord is dat we elkaar binnen de contouren van Schrift en belijdenis aanvaarden. De kerkenraadsleden herkennen elkaar als broeders die samenwonen, zegt de regeling met een verwijzing naar Psalm 133. Binnen de grenzen van Schrift en belijdenis! Want er is hier helaas ook een deelgemeente die tot de midden-orthodoxie behoort.

Dat geven en nemen betreft vooral de liturgische aangelegenheden. In confessionele diensten worden gezangen gezongen. In het begin zongen enkele Gereformeerde Bonds-kerkenraadsleden de gezangen in de confessionele diensten niet mee, maar dat is geleidelijk aan weggeëbd. Er zijn ook dingen waar de bonders meer moeite mee hebben. Je moet elkaar wat ruimte geven, anders gaat het niet. Dat betekent dat er een beperking is in de keuze van ambtsdragers. Als iemand zich hierin nogal strak en steil opstelt, komen er botsingen.

Betrof het verschil ook de prediking? 'In de hoofdlijnen toch niet. Bij de confessionelen hoor je wel meer over het geloof, in de Gereformeerde Bond hoor je meer over de bekering en wordt meer de weg van ellende, verlossing en dankbaarheid uitgelegd. Het gaat bij de confessionelen meer over de praktijk van alledag: Hoe kun je als christen in deze tijd in de wereld zijn en aan het christelijk geloof gestalte geven? Ik vind het reëel te vragen of er dan niet te automatisch vanuit gegaan wordt dat je christen bent. Van de confessionele predikanten die wij gehad hebben (en nog hebben), geldt dit niet. Ik ben altijd de man van het harmoniemodel geweest en houd niet van het conflictmodel, wat niet inhoudt dat er geen grenzen zijn. In Nunspeet zijn altijd gezangen gezongen. Weet je wie hier gestaan heeft? Ds. IJ. Doornveld, over wie pas een boek verschenen is, een zeer bevindelijk, confessioneel predikant. In Harderwijk had je vroeger ds. Buenk, voor wie hetzelfde geldt. Onder zijn preek is mijn moeder tot ruimte gekomen. Nu moet ik toegeven dat in het algemeen de confessionelen vroeger dichter bij ons stonden dan tegenwoordig en dat de situatie in Nunspeet ook weer uitzonderlijk is'.

Geloofsleven

'Je kunt in een gemeente als de onze het onmogelijk ieder naar het zin maken. Dat hoeft en mag ook niet, want de vraag is hoe je het Woord van God laat spreken. De wat bijkomende zaken kunnen voor mensen toch zeer reëel zijn, zoals ritmisch zingen. We zijn er toe overgegaan, behalve in de Dorpskerk, terwijl het in de Sionskerk al langer zo is. In de confessionele diensten is de Nieuwe berijming ingevoerd, daar zijn we voorzichtig en met wijs beleid mee bezig. Je kunt in deze gemeente in de huidige constellatie niet alles bij het oude te laten. Dat red je niet. Wanneer je alleen de Gereformeerde Bond zou hebben en je hebt met de andere modaliteiten niets te maken, dan liggen die dingen anders.

Hoe omschrijft u het geloofsleven van de Nunspeter?

Nunspeter? 'Dan moeten we het over de autochtone Veluwnaar hebben. Die heeft wat geestelijke zaken betreft een gesloten karakter. Hij treedt er niet gauw mee naar buiten. Maar ik zeg ook: Gods werk kan niet verborgen blijven. Het is niet dat ze je zeggen moet: ik weet niet wat je aan de Veluwnaar hebt. Hij praat niet zo vanuit de volheid van het gemoed, hoewel, hoewel... ik denk nu aan een oud-ouderling, die sprak wel. Hij zei: 'Geloven gaat vanzelf of het gaat helemaal niet'. Ik denk nog aan onze oud-predikant ds. N. Kleermaker, die zei: 'Geloven is niet als een horloge, dat je zo uit je vestzakje haalt'. Dat zijn elementen die in het bevindelijke leven toch naar voren komen. Dan kun je wel zeggen: 'Je moet geloven', maar dan is er ook de kant dat het geloof een gave van God is.

Het is vaak moeilijk te omschrijven. Je kunt het wel in een systeem willen vertellen, maar dat valt niet mee, dat valt niet mee. Wat is léven? Wie verklaart het leven? Wie verklaart het geestelijke leven? Daarom zijn veel dingen middelen die God gebruikt om mensen klein te houden en in afhankelijkheid van Hem te doen leven. Zo is mijn ervaring.

Ik merk wel dat ook in Nunspeet de invloed van de evangelischen zich doet gelden, ook onder de jongeren. Opwekkingsliederen komen naar voren. Jongeren beleven het geloof toch op een andere wijze dan vroeger het geval was, denk ik. Of het betekent dat het ook in wezen verschil maakt, dat weet ik niet, dat weet ik niet. Er werd van ds. L. Kievit gezegd, toen hij in Schoonrewoerd kwam, waar naar ik meen jarenlang een godsdienstonderwijzer gewerkt had: 'Ja, hij zegt wel dezelfde dingen, maar op een andere wijze'. Is het dat nu bij de jongeren ook? Of gaat het toch te gemakkelijk? Herken je bij de jongeren de afhankelijkheid en de verwondering? Daar gaat het om. Ze hebben eigen uitdrukkingen: 'Ik kies voor Jezus, ik geef mijn hart aan Hem'. Dan denk ik: 'Wij kiezen van onszelf uit bezien zo vaak verkeerd. Door genade, om Christus wil, kiest God voor ons, dat is Zijn verkiezende liefde'. Ik weet niet of de jongeren dat erkennen, het kan een andere wijze van uitdrukken zijn. Ik merk wel dat jongeren gemakkelijker geloven. Toch is het ook voor hen nodig dat ze hun zonden leren kennen: Ik lag gekneld in banden van de dood. Van de mens uit is het onmogelijk om zalig te worden. Maar we moeten oppassen elkaar af te schrijven. Ellende, verlossing en dankbaarheid, alle die moeten en zullen in het geloofsleven naar voren komen.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een man van het harmoniemodel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's