Boekbespreking
Ds. C. Sonnevelt, Gods weg met Israël. Uitg. Den Hertog, Houten 1997, 180 pag., f 29, 50.
Reeds enkele jaren is er binnen de Gereformeerde Gemeenten (syn.) bezinning op gang gekomen ten aanzien van de (blijvende) plaats van Israël in Gods heilsplan. Deze bezinning heeft er onder andere toe geleid dat in 1996 het deputaatschap voor Israël, evangelieverkondiging en diaconale hulp werd opgericht.
Een andere vrucht van de doordenking van de positie van Israël is de verschijning van dit boek van ds. Sonnevelt, predikant te Veenendaal. In zestien bijbelstudies, voorzien van elke keer tien vragen, schenkt hij aandacht aan de hoofdstukken 9 t/m 11 uit de brief van Paulus aan de Romeinen. De schrijver doet dit 'vanuit het verlangen om het licht van Gods Woord te laten schijnen over Gods weg met Israël'.
Het belang van dit boek schuilt mijns inziens vooral hierin dat op het niveau van de gemeente afstand wordt genomen van de gedachte dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Ds. Sonnevelt laat zien dat het zonde is wanneer heidenchristenen zich afzetten tegen Gods eerstgeborene. Hij zegt het de apostel na: God heeft Zijn volk niet verstoten.
Verder vertelt de schrijver dat deze drie hoofdstukken uit Paulus' bekendste brief in de uitleg bijeen gehouden moeten worden om eenzijdigheid te voorkomen. Wie alle nadruk legt op Gods vrijmacht (hoofdstuk 9) komt aan het elfde hoofdstuk niet meer toe. Wie echter alleen hoofdstuk 11 in het oog houdt (de toekomst van Israël) loopt het risico - zoals Sonnevelt dat in onze dagen ziet gebeuren - voorbij te gaan aan het welbehagen van God.
Na lezing van het boek blijven er een aantal vragen en opmerkingen over, waarvan ik er hier enkele noem. Allereerst met betrekking tot de 'gerechtigheid/rechtvaardigheid Gods' een centraal begrip uit de brief aan de Romeinen. Sonnevelt omschrijft deze als 'die gerechtigheid die de dood eist van de schuldige maar die in Christus geopenbaard is tot zaligheid van een verloren zondaar' (p. 50). Ik vraag me af of deze omschrijving niet te smal is. De gerechtigheid van God is in O.T. en N.T. ook een aanduiding voor het wezen van God en het wezenlijke van het Evangehe.
Op bladzijde 119 wordt de visie van Luther op de joden besproken en een omslag gesignaleerd tussen zijn boek over de joden in 1523 en zijn geschrift in 1543. H. A. Oberman heeft in verschillende publicaties overtuigend aangetoond dat er bij Luther van meer continuïteit sprake is in zijn visie op de joden dan op het eerste gezicht lijkt.
Op pagina 158 wordt en passant iets gezegd over het verband tussen de verwerping van Christus en het lijden dat Israël heeft ervaren. Vraagt zo'n geladen thema niet om een uitvoeriger en tegelijk terughoudender benadering?
De belangrijkste vraag die ik overhoud is fundamenteler. Het is bijzonder te waarderen dat de schrijver aandacht vraagt voor Gods weg met Israël. Echter hoe belangrijk is Israël nu werkelijk voor de christelijke gemeente? Zonder het boek onrecht te willen doen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het in deze bijbelstudie vooral gaat om de roeping die de christelijke kerk heeft ten aanzien van het joodse volk. 'Een roeping om Israël bij te staan en hun het Evangelie te verkondigen' (p. 26). Maar vanuit die benadering wordt Israël slechts het object van de roeping van de kerk. Er is dan weinig of geen sprake van wederkerigheid in de verhouding.
Hoewel ds. Sonnevelt er op wijst dat het heil uit de joden is en het O.T. van Israël ontvangen werd (p. 138), is de kerk in zijn boek toch vooral de gevende partij. Wat het bijvoorbeeld voor de kerk betekent dat aan Israël de woorden Gods zijn toevertrouwd (Rom. 9 : 1-5) wordt in de betieffende bijbelstudie alleen onder woorden gebracht in verband met Israels verharding. Een volk dat zó bevoorrecht is gaat nochtans aan Christus voorbij. Een ander voorbeeld: wanneer het gaat over de joodse ijver tot God (Rom. 10 : 1-4) wordt weliswaar gezegd dat 'vele joden ernstig bezig waren met hun godsdienst' maar tegelijk wordt de godsdienst van Israël als een brok legalisme voorgesteld. Is dit niet een ongenuanceerde voorstelling van zaken als we de ijver voor God zoals die in het O.T. voorkomt erbij betrekken? En verder: zou hier ook niet de vraag gesteld moeten worden in hoeverre de christelijke gemeente zelf de ijver voor God in praktijk brengt?
Hiermee samenhangend wil ik nog wijzen op het punt van zending c.q. evangelieverkondiging onder Israël. Het is terecht dat ds. Sonnevelt teksten aanhaalt die spreken over de opdracht om aan jood en heiden te betuigen dat Jezus de Christus is, maar de manier waarop hij de posities van tegenstanders van zending of evangelieverkondiging schetst (p. 120-121 en 124) is wel erg mager. Ik vraag me af of de schrijver voldoende rekening houdt met de voetangels en klemmen rond dit onderwerp met inbegrip van de in hervormde kring gevoerde discussie over zending of gesprek. Het gaat immers niet 'om de verkondiging van de waarheid aan de buitenstaanders, maar het geding om de waarheid binnen het ene huisgezin' (S. Gerssen).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's