Een verwaarloosd element? (7)
Een vorige keer schreef ik dat het gericht door onze ziel gaat als wij beseffen wat het is zondaar voor God te zijn.
De mate, waarin het gericht beseft wordt, kan heel verschillend zijn. De maat wordt door de Heere Zelf bepaald. Wij móeten Hem niet gaan voorschrijven, wat de omvang moet zijn.
Het behoort tot Zijn vrijmacht om de één van het gericht méér te laten zien dan de ander. Voor allen geldt: 'O God, wees mij, de zondaar, genadig'. Daarop volgt altijd vrijspraak zoals wij lezen van de tollenaar achter in de tempel. Hij ging gerechtvaardigd naar huis!
Met dit alles wil ik zeggen dat wij geen meetstok moeten aanleggen. Helaas komt dit wel eens voor in de prediking én in het pastoraat. Het gevolg is dat mensen daardoor in het nauw gebracht worden en soms jarenlang lopen te tobben over de vraag óf hun besef van de zonde wel diep genoeg is alsmede óf ook het gericht wel voldoende door hen ondervonden wordt.
Trouwens, niet alleen de prediking en het pastoraat behoeven de oorzaak te zijn. Het gebeurt wel dat in een gemeente een man óf vrouw er diep onderdoor is gegaan alvorens die wonderlijke vrijspraak hun deel werd. In zo'n geval komt het wel voor dat de man of de vrouw als een voorbeeld wordt gehouden voor eenieder. Als men niet precies hetzelfde meemaakt is het niet écht én niet waar. Laten wij voorzichtig zijn. Van wat iemand vanuit het Woord door de Geest heeft ondervonden - ook inzake het gericht - doe ik niets af, toch zeg ik: de Heere gaat met eenieder een weg. Hij heeft duizend en meer wegen tot Zijn beschikking. De lengte, omvang en diepte bepaalt Hij! De Heere heeft voor dit alles geen mens nodig.
Ontsloten en toegesloten
In de prediking wordt het hemelrijk geopend en gesloten, zoals de Heidelberger ons in zondag 31 voorhoudt. Het valt op dat de Heidelberger positief begint. Zij noemt als eerste dat het hemelrijk ontsloten wordt. De deur gaat open zo dikwijls als de gelovigen de beloften van het Evangelie met een waar geloof aannemen.
De beloften van het Evangelie houden veel in, maar toch wel in het bijzonder de vergeving van zonden.
Calvijn houdt ons terecht voor dat het bloed van het Lam tijdens de prediking drupt op schuldverslagen harten. De Heilige Geest doet in het geloof ondervinden dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, ons reinigt van alle zonden! Het zal duidelijk zijn dat dit een blijde boodschap is. Terecht zegt een lied: 'Heugelijke tijding; Bron van hartverblijding; Evangeliewoord'.
Aan allen en eenieder mag deze blijde boodschap worden verkondigd. Nooit mag er gedacht worden: die of die mag het Evangeliewoord niet horen. Ook al heeft iemand zijn vader óf moeder om het leven gebracht en zit men jarenlang in een ge vangenis, dan mag ook hem of haar het Woord der verzoening worden gehouden. Ook tot hem of haar moet gezegd worden: 'Wie zijn zonden belijdt en laat, die zal barmhartigheid verkrijgen'.
Allen, heel de gemeente, moeten op zondag in de dienst des Woords het horen dat de Heere geen lust heeft in de dood van de goddeloze, maar daarin heeft Hij lust dat de goddeloze zich bekere en leve.
Maar ook een ieder afzonderlijk moet het horen dat de Heere groot van goedertierenheid is en dat Jezus Christus niet in de wereld is gekomen om der mensenzielen te verderven doch om die te behouden.
De Goede Herder had tijdens Zijn omwandeling op aarde oog voor de gehele kudde, maar niet minder voor eenieder afzonderlijk. Ik denk aan Levi in het tolhuis, maar ook kan ik noemen: de Samaritaanse vrouw.
Ik meen niet dat het verkeerd is om te stellen dat de Heere Jezus via Zijn ambtsdragers de lammeren en schapen óók afzonderlijk laat opzoeken.
Er wordt door middel van de prediking toegang gegeven tot het hemelrijk. Voor wie? Voor de gelovigen!
Echter... het hemelrijk blijft ook dicht. Voor wie? Voor onde gelovigen! Hierbij moet niet zozeer gedacht worden aan de mensen die met God en Zijn dienst niet te maken willen hebben. Meestentijds wordt dan gedacht aan mensen buiten de kerk.
Veeleer moet hier gedacht worden aan mensen die op zondag twee keer naar de kerk gaan. Uiterlijk is er op hen niets aan te merken. Zij lezen trouw hun Bijbel. Zij bidden en zij danken. Zij lezen 'de Waarheidsvriend' of een andere kerkelijke periodiek. Kortom: meelevende gemeenteleden.
Eén ding ontbreekt hen helaas. Zij gehoorzamen het Woord niet. Zij willen zich niet van harte bekeren.
Voorheen werd onder ons wel gezegd: de hemel verkwikt niet en de hel verschrikt niet. Zo is het bij de ongelovigen die op zondag twee keer in de kerk zitten. Zij schrikken zelfs niet als ze wordt voorgehouden dat de eeuwige verdoemenis en de toorn Gods op hen rust. De toegang tot het hemelrijk is voor hen gesloten. Er gaat geen deur open. Niet zozeer om hun zonden als wel om het ongeloof. Juist dit laatste wordt hen kwalijk genomen.
Toch wil ik wel hierop wijzen dat zondag 31 deze ongelovigen niet aan de kant schuift alsof er niets meer met hen zou kunnen gebeuren. Wanneer er gesproken is over de toorn van God en de eeuwige verdoemenis die op hen ligt, wordt er gezegd dat dit zolang het geval is als zij zich niet bekeren.
Het is nog niet onherroepelijk. Het is nog niet te laat. Zolang er leven is, is er niet alleen hoop, maar vooral is er genade! Daarom moeten wij maar nooit één mens uit-of afschrijven. In iedere dienst van het Woord worden ook de ongelovigen geroepen om zich uit te leveren aan Hem die zondaren zaligt. Wie het bloed van het Lam nodig heeft tot vergeving van alle zonden kan het krijgen. Zelfs als er móet worden beleden dat er geen groter zondaar op de gehele wereld is.
Let wel: de zondaar wordt de toegang tot het hemelrijk niet onthouden, maar de ongelovige. Ook de zonde houdt de deur niet dicht. Hoe zwaar onze overtredingen kunnen zijn en hoevele misdrijven wij begaan mogen hebben, maar dit is waar en dit móet altijd gepredikt worden dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, ons reinigt van alle zonden.
Onderstreept maar: van alle zonden. En ook: 'Er zijn geen grenzen aan Jezus' macht, voor elk die wonderen van Hem verwacht'.
Ernst
De bediening der verzoening moet aan allerlei voorwaarden voldoen. Ook mogen zaken als liefde, gunning, en mededeelzaamheid daarin niet ontbreken.
De prediking behoort bovendien een bepaalde ernst te hebben. Ernstig mag de gemeente worden voorgehouden dat de zonden vergeven zijn van wie gelooft, maar niet vergeven van wie niet gelooft.
Als dit laatste niet de inhoud van de prediking is, kan men zich afvragen of de preek wel aan zijn doel beantwoordt.
Ik ben er diep van overtuigd dat niet alleen aan jongeren en ouderen voorgehouden moet worden dat er bij de Heere volkomen heil is te ontvangen, maar dat het ook van belang is dat men in de prediking aangeeft, hóe dit heil is te verkrijgen. Vanzelfsprekend bedoel ik daarmee niet te zeggen dat alles in schema's moet worden duidelijke gemaakt. De dogmatiek schematiseert - daarmee niets ten nadele van de dogmatiek - , maar de prediking doet dit niet.
De verkondiging laat eenieder duidelijk horen de weg naar de eeuwige zaligheid of rampzaligheid. Terecht zegt H. Veldkamp: 'De heerlijkheid der zaligheid en de schrikkelijkheid der zaligheid moet elke preek welsprekend maken'.
G. Boer was nog stelliger. Hij merkte op: ledere preek brengt een hoorder dichterbij de zaligheid óf bij de rampzaligheid. Om die reden was de prediking hem op het hart gebonden. Hij gevoelde diep aan wat er van een rechte prediking afhing.
Laten wij daarom voorzichtig zijn met na een dienst te zeggen: Wat heeft dominee het vanmorgen toch mooi gezegd. Toen een gemeentelid ooit eens tegen zijn dominee vertelde dat hij die zondagmorgen zo aangenaam onder de prediking had gezeten en hij die preek zo mooi vond, was het antwoord van die dominee heel ad rem: 'De duivel zei ook al dat ik zo mooi gepreekt had'.
Mooie preken zijn er niet. Let wel: van een kerkhof met prachtige bloempaden zeggen wij toch ook niet dat het mooi is. Het gaat erom wat de preek uitwerkt: dichter naar de Heere toe óf verder bij Hem vandaan.
Ik citeer nog een keer H. Veldkamp. In het tweede deel van 'Zondagskinderen' schrijft hij op pag. 110: 'Men moet van elke prediking naar huis gaan óf in het versterkte en heerlijke besef, dat alle zonden vergeven zijn, óf met de vreselijke wetenschap: de toorn Gods rust op mij, en ik moet mij heden bekeren'.
Het zal een ieder van ons duidelijk zijn dat de ernst aan de prediking niet mag ontbreken. Van ieder mens die men als ambtsdrager aan zijn handen toevertrouwd krijgt, zal men eens rekenschap moeten afleggen. De Woordverkondiging mag niet in 'gebabbel en prietpraat' opgaan, maar ook niet het pastorale werk. Het is mij niet onbekend, hoe moeilijk het is om een goed huisbezoek af te leggen waarin men als predikant of ouderling met het Woord, met het Woord alleen komt. Toch geldt ook van het huisbezoek dat daarin in alle omstandigheden het Woord het voor het zeggen heeft. Wij leven in een tijd van 'babbelcultuur'. En nu kan babbelen heus wel eens gezellig zijn, maar toch... de tijd van het huis-of ziekenbezoek moet noch mag daarin opgaan. Het Woord hebben wij te laten spreken.
Ticlit
Wanneer de tucht gehandhaafd wordt, is dit in bepaalde zin gericht oefenen. Het woordt 'tucht' moet men goed verstaan. Het is afgeleid van een oud woord 'tiegen'. De betekenis daarvan is: trekken. Nader aangeduid: trekken naar het goede! (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's