Globaal bekeken
Bij uitgeverij Sun te Nijmegen verscheen een vertaling van het verslag, dat Willem Lodewycksz in 1595 schreef tijdens 'de eerste scheepvaart naar Oost-lndië'. Hier volgt een passage over de ontmoeting met de bevolking aan 'De Kaap'.
'Op 9 augustus werden we aan land opgewacht door de inwoners. Ze wezen dat ze veel vee mee gebracht hadden. We kochten voor een slechte houwdegen een mooie os. Voor een oude kuipers dissel gaven zij hetzelfde. Toen wij voor een nieuw dissel twee ossen vroegen, maar zijn slechts één grote os wilden geven, staakten we de onderhandelingen. De volgende dag voeren we heel vroeg weer aan land, waar de inwoners al op ons wachten. Ze wilden onze ruilgoederen zien die we in ee zak bij ons hadden. Daarna was de één nog begeriger dan de ander om zaken met ons te doen. We kochten voor een ijzeren staaf van 70 pond, in vijven gebroken, twee mooie ossen en drie schapen. Nog drie ossen en vijf schapen kregen we voor een krom mes, een bijl, een schop, een korte ijzeren bout, nog een mes en wat stukjes ijzer, wat in Nederland bij elkaar hoogstens vier gulden waard was. Hadden we meer ijzer gehad, dan hadden we nog veel meer vee kunnen krijgen want we zagen grote kuddes ossen en schapen op het hoge land lopen. We gebaarden naar de inwoners dat we de volgende dag weer zouden komen.
De inwoners zijn wat kleiner van stuk dan de mensen in Nederland. Ze zijn rossig bruin van kleur en de één is wat donkerder dat de ander Ze lopen naakt en dragen een ossenhuid als mantel. De vacht dragen ze aan de binnenkant tegen hun lichaam aan. Om hun middel hebben ze een brede riem van ossenhuid waarvan het ene eind voor hu geslacht hangt. In plaats van schoenen dragen ze plankjes onder de voeten. Hun sieraden zijn armbanden van ivoor, rood koper en geslepen schelpen, gouden neusringetjes, en kralenkettingen van been en hout, en zij verfraaien hun lichaam met krassen die in de huid gebrand worden. De inwoners die wij spraken stonken altijd enorm doordat zij zich met vet en reuzel insmeerden. We hebben hun hutten niet kunnen vinden, laat staan een vrouwspersoon. Regelmatig zagen we hoe ze snel en vaardig vuur kunnen maken door twee houtjes tegen elkaar te wrijven. Zij brengen vaak de nach door op een beschutte plek bij een klein vuur Zulk vuurtjes zagen we iedere nacht op talloze plaatse branden. Toen we een paar ossen hadden geslacht, vroegen zij ons om de ingewanden. Ze ate die rauw nadat ze de ergste vuiligheid eruit geschud hadden. Ook spanden ze een stuk van de huid met vier stokjes boven een vuur en maakten daarin iets van de pens warm, zoals men dat met spek en warmoes doet. Verder hebben we nog ge merkt dat hun spraak erg belemmerd is, net als bij de inwoners uit de omgeving van het Beierse Kempten en de Julische Alpen, die door de hard heid van het sneeuwwater van die kroppen krijgen. Ook dragen ze stukjes gedroogd vlees en beentje om hun hals.'
In Lannoo's reisgids over Noorwegen troffen we een veelzeggende passage aan over ontwikkeling van de visvangst bij de Lofoten, beginnend bij 1951: '(...) Alle 130 boten zijn terug, de 400 mannen hebben samen naar schatting 200.000 kilo dors gevangen. De vrouwen maken koffie, maar de vissers, hondsmoe, moeten nog enkele uren doorwerken. Ze nemen de vissen uit: kop eraf en rechts op de hoop, lever in de linker- en kuit in de rechterton. De vis gooit men in een waterbekken. Bijna alles wordt verwerkt, zelfs ruggengraat en kop. Dat wordt vismeel. Alleen de onbruikbare inwendige organen en ingewanden worden terug in het water gegooid. Voer voor de meeuwen die mij in deze weken elke morgen wekken. Alleen op zondag niet, want dan moeten de altijd hongerige vogels de zee op...
Tegenwoordig klinken zulke vangstcijfers - 200.00 kilo op één dag op één visplaats - als meldingen uit verre tijden. Het is werkelijk onvoorstelbaar dat in 1951 bijvoorbeeld 22.000 vissers naar de Lofoten kwamen en 115.000 ton vis vingen. In 1978 waren het nog slechts 4000 vissers die in deze harde wintermaanden hun basisinkomen probeerden te tverdienen, maar het lukte hen toch 57.000 ton te vangen (dus met een vijfde van het "personeel" de helft van de hoeveelheid van 1951; dat in deze tijd bijna elke kotter een echolood heeft om scholen vis te lokaliseren, is zo vanzelfsprekend dat niemand meer let op het verschil ten opzichte van 1951). Dit is dan ook de oorzaak voor de voortdurende daling van de hoeveelheid gevangen vis: met steeds minder man-power wordt steeds meer afgevist, totdat vandaag de dag nog maar 700 boten met 2000 vissers vóór de Lofotenbank kunnen werken en niet meer dan 17.000 ton vis vangen.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's