Kerk of afscheiding (1)
De beoogde vereniging van kerken in het 'Samen op Weg'-proces heeft al heel wat gedachten losgemaakt en mensen in beweging gebracht. Vele vragen zijn er gerezen, waarvan sommige al tendeerden of tenderen in de richting van een antwoord.
Wél beschouwd zijn ze alle te herleiden tot de vraag of de Nederlandse Hervormde Kerk zal blijven voortbestaan, en het zal afhangen van de beantwoording van deze wezenlijke vraag welke principiële beslissingen er zullen worden genomen.
In wezen is dit de vraag naar het voortbestaan van de ene heilige algemene (katholieke) christelijke kerk hier te lande.
Althans, wanneer men er van uitgaat dat de Hervormde Kerk de gestalte daarvan is in Nederland. En dit laatste is toch de dragende gedachte van ons 'hervormd'-zijn! Dan zal het er nu en in de toekomst om gaan of dit voortbestaan dan wel de continuering van deze ene katholieke kerk der eeuwen gewaarborgd is.
Het zal ons dus vooral gaan om de onderbouwing van dit zogenaamde 'continuïteitsprincipe' dan wel hoe er in de traditie van de kerk, en dan met name in de gereformeerde traditie, over de kerk is gedacht.
Continuïteit
Tijdens de Reformatie in de 16de eeuw kreeg de visie op de kerk een ongekende actualiteit. In de strijd met Rome keerde Luther terug tot de geestelijke opvatting van de kerk.
Het kostte Luther zware strijd om met de Roomse kerk en haar kerkbegrip te breken. Een vooropgezet program van reformatie had hij daarbij niet. Het was hem er eerst en alleen om te doen om de misbruiken in deze kerk tegen te gaan. Maar daarbij vond en behield hij tenslotte zijn vastheid in de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof alleen en kwam van daaruit veel verder, dan hij oorspronkelijk gedacht of bedoeld had.
Dit beginsel leidde hem ook tot een andere opvatting van de kerk, nl. tot die, welke hij vond in de Heilige Schrift.
Daarmee vond Luther de heiligheid van de kerk dus in het Woord van God en in het rechte geloof.
Dit leidde tot een ootmoedig geloofsverstaan van de kerk. De ganse kerk bidt tot aan het einde toe: 'Vergeef ons onze schulden'. Christus reinigt Zijn kerk dagelijks van dwaling en zonde. Daarbij blijft ze een onderdanige zondares voor God tot aan de jongste Dag en is alleen heilig in Christus, haar Heiland, door genade en door vergeving der zonden. Waar dit geloofsartikel weg is, daar is ook de kerk weg, want buiten dit geloofsartikel wil de Heilige Geest niet bij ons zijn, stelt Luther nadrukkelijk.
Vanuit het gehele geloofsverstaan van de Heilige Schrift stelt hij vervolgens, dat dit geloofsartikel 'nochtans gebleven is en het moet blijven'; en of nu de wereld dol en dwaas daarover wordt, zo moet zij het toch laten staan. Want de kerk duurt voort tot aan het einde der wereld 'opdat er altijd op aarde een christelijk heilig volk in leven zij, in wie Christus leeft, werkt en regeert én in welke daarom ook de Heilige Geest leeft door levendmaking en heiliging'. En daarmee belijdt Luther dat uiteindelijk Christus de continuïteit van de kerk uitwijst dan wel haar bevestigt.
Zelfs in tijden van toorn behoudt God zich een 'rest' in de kerk (Jes.l : 8). En zó zijn de gelovigen de 'verborgen wegen' (viae absconditae) en de 'onbekende sporen'(vestigia incognita) van God. Daarbij in aanmerking genomen dat God achter de geschiedenis staat en de Zijnen behoudt waar geen 'uitweg' is. Luther wijst er dan op dat er reeds in het Oude Testament 'twee kerken' zijn, die sindsdien tot aan het einde der wereld zullen bestaan. Zoals in Adams huis Kaïn en Abel bij elkaar waren en in Abrahams huis Ismaël en Izaak en in Izaaks huis Ezau en Jakob. De gehele wereld, en daarom ook de gehele kerk, is samengesteld uit kinderen van God en kinderen van de duivel. Daarbij citeert hij Augustinus, die deze gedachte lanceerde. Welnu, zó is het voortbestaan of de continuïteit van de kerk waarachtig een werk van de goddelijke onderhouding, dan wel, om precies te zeggen waar het om gaat en waar het op staat: 'een continue bewaring van de ondergang'! Geenszins ontspringt de continuïteit van de kerk aan een immanente (inwonende)kracht van de kerkgeschiedenis. De geschiedenissen van het Oude en Nieuwe Testament maken veeleer duidelijk dat er altijd een tendens is geweest, die gericht was op verval en ondergang. Veelzeggend tekent Luther hierbij aan, dat, historisch gezien, het voortbestaan of de continuïteit van de kerk altijd een paradox is en zal zijn!
Immers, moet de trouw van God door de zondvloed of door de onvruchtbaarheid van Sara of door de verwoesting van de tempel of door de Babylonische ballingschap betwijfeld worden? Nee, de continuïteit van de kerk wordt niet gefundeerd door de werkelijkheid, zoals deze zich aan ons voordoet.
Daarmee is dan tegelijk gezegd, dat 'geringheid' en 'onaanzienlijkheid' en 'minderheid' zich nauwelijks van het rechte verstaan van de continuïteit van de kerk der eeuwen laten afscheiden. Blijkbaar behoren zij zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin wezenlijk bij haar, en begeleiden de kerk op haar spoor de eeuwen door. Daarmee is Luthers continuïteitsvisie in wezen een 'continuïteitsgelóóf, of om het nog nauwkeuriger te formuleren: een geloof in de goddelijke continuïteitsbelóften! God zou immers met Zijn kerk zijn tot aan het einde der dagen.
Treffend zegt Luther dan: 'Het gaat niet om ónze zaak, men mag zich getroost op God verlaten'. Het bestaan van de kerk wordt niet door menselijk doen gewaarborgd en voor de toekomst veilig gesteld, maar kan slechts door gelovig zich verlaten op God worden verstaan.
De continuïteit van de kerk is geen zelfstandige binnenwereldse grootheid, nee God zélf garandeert haar met Zijn Godzijn, omdat God zélf continuïteit heeft, daarom wordt ook de continuïteit van de kerk mogelijk gemaakt.
De kerk bleef voor Luther primair geloofsobject dan wel voorwerp van het geloof. Waar het Woord is, daar is de kerk! En dan denkt Luther aan de rechte prediking. Bij Calvijn is het continuïteitsbegrip van de kerk der eeuwen in wezen navenant. Alle nadruk ligt enerzijds op de ene heilige algemene christelijke kerk en anderzijds op de plaatselijke kerk. Zijn denken beweegt zich continu tussen deze twee 'polen', die in principe en in wezen voor elkaar bepalend zijn. En hij denkt er niet aan het spanningsveld tussen beiden op te heffen.
Het tot valse kerk geworden zijn van de kerk van Rome kon deze continuïteit niet opheffen, aangezien deze voortzetting van goddelijke oorsprong is. In de Apostolische Geloofsbelijdenis komt de kerk immers belijdend ter sprake in het hart van het heil zelf!
Calvijn legt dan vooral de nadruk op de onzichtbaarheid van deze kerk, die uiteraard katholiek is, in tegenstelling tot de kerk van Rome, die alle nadruk legde (en nog altijd legt) op de zichtbaarheid van de kerk.
Dat de kerk van Rome de toets van het continuïteitsbegrip van de Reformatie niet kon doorstaan, bleek voor haar daaruit, dat als men het Woord onverkort preekte, er dan in deze kerk daarvoor geen plaats meer bleek te zijn, en men dienovereenkomstig uitgeworpen werd.
Het continuïteitsbegrip van de Reformatie kristalliseerde zich uit op Luther's excommunicatie! En realiseerde zich in de doorbraak van Gods gratie.
Actualiteit
Uiteraard was dit continuïteitsbegrip wezenlijk in het geding bij de Afscheidingsbewegingen in de vorige eeuw en daarna. Dezen poneerden het voortzetten of het continueren van de ene heilige algemene christelijke kerk op een wijze, die de toets van het continuïteitsbegrip van de Reformatie evenmin kon doorstaan. Daarbij ging het opnieuw om 'schijn' of 'zijn'.
Getoetst aan het criterium van de Reformatie had de Hervormde Kerk de 'schijn' tegen, maar het 'zijn' mee!
Dr. J. W. de Wilde (1925) verwoordt dit aldus: 'De Hervormde Kerk - niet te verwarren met het Hervormd Kerkgenootschap - is een goddelijk instituut met een onzuivere onschriftuurlijke bestuursinrichting; de Gereformeerde Kerken zijn menselijke instituten met een zuivere bestuurlijke bestuursinrichting'.
Daarop geeft Dr. J. G. Woelderink het volgende commentaar: 'Deze woorden spreken voor zichzelf; er mogen in de Hervormde Kerk onzuivere toestanden worden gevonden, zij kan zich in ieder geval tegenover de andere kerken beroepen op haar goddelijke instituut (instelling); d.w.z. haar kerkelijk instituut is van goddelijke oorsprong, is van God zelf gegeven, terwijl de instituten der andere kerken slechts mensenwerk zijn'.
Nooit en nergens was het toen verboden het Woord te prediken naar Gods eer en geweten! Zelfs de vaders der Afscheiding hebben erkend, dat de strijd niet ging om het Evangelie maar om de regering van de kerk. Op de afgescheiden synode van 1843 verwoordde de afgescheiden predikant Van Velzen dit als volgt: 'Wij werden niet gedwongen de leugen te preken, ook niet om de waarheid of een gedeelte van de waarheid in de prediking achter te laten; wij mochten de volle raad Gods op de preekstoel en in de huizen verkondigen, maar wij moesten daarbij onderworpenheid betonen aan reglementen, die tot ontstichting der godzaligen en tot verwoesting der gemeente dienden'.
De gestalte van de Kerk der eeuwen was sindsdien een schuldige gebroken gestalte, waarbij datgene wat afbreekt langzaam maar zeker moet afsterven. Tenzij de breuk bijtijds geheeld wordt! Want men kan niet ongestraft zondigen tegen het continuïteitsprincipe van de Reformatie van de kerk der eeuwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's