De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat biedt ons de moderne literatuur? (1)*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat biedt ons de moderne literatuur? (1)*

10 minuten leestijd

Tweesporigheid

Er zijn van die zinnen in literaire teksten die bij je blijven haken, uitspraken die je nooit meer vergeet. 'Domweg gelukkig, in de Dapperstraat' van J. C. Bloem is er zo een, en ook 'Lees maar, er staat niet wat er staat' van Martinus Nijhoff.

De moderne literatuur levert ons ook uitspraken op die datzelfde effect hebben, maar tegelijk schokkend zijn. Zoals deze: 'Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen'. En een andere: 'God is een woord dat niets betekent'. Beide komen we tegen in literaire teksten van de laatste halve eeuw. Ze zijn schokkend omdat ze ons raken in de kern van onze christelijke levensovertuiging. De eerste is van Frans Kellendonk, die in 1991 op vrij jonge leeftijd - hij werd slechts 40 jaar - overleed, maar wiens werk toch reeds klassiek is te noemen. De tweede is te vinden in de roman Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans, die tientallen jaren onbetwist behoorde tot de topvijf van de Nederlandse prozaliteratuur. Twee uitspraken die beide iets zeggen over het bestaan van God - met het accent op ontkenning daarvan - , maar toch op een totaal verschillende wijze. Het is ten diepste een verschil in intentie. De eerste verraadt een zoekend en tastend schrijver, een zoeker naar zingeving van het menselijk bestaan. De tweede, die uit Hermans' pen, komt niet verder dan ontluistering. En hiermee stuiten we op een bepaalde tweesporigheid in de moderne literatuur die ik hier centraal wil stellen.

Misschien meent u dat u dit soort teksten en uitspraken verre van u kunt houden. Ik denk dat u zich vergist. In de laatste kwart eeuw heeft zich op het gebied van de moderne communicatiemiddelen en het leesgedrag een aardverschuiving voorgedaan. Een veel en veel breder publiek dan voorheen komt met literatuur in aanraking. De tv bindt miljoenen. De boekenweek, de toekenning van literaire prijzen zoals de AKO-literatuurprijs - dit jaar Hugo Claus - en de P. C. Hooft-prijs - dit jaar Judith Herzberg - komen via de pers, de radio en de tv de huiskamers binnen. Bepaalde literaire pocketboeken en paperbacks kenden de laatste kwart eeuw ongekende oplagen. Juist het literaire boek vormt de ruggengraat van menige uitgeverij en boekhandel en hun pr-activiteiten zijn daarop afgestemd. De meeste dagbladen hebben elke week een aparte boekenbijlage. En, last but not least is er ook nog de democratisering van het onderwijs - voortgezet onderwijs in principe voor iedereen - , die heeft geleid tot een situatie waarbij veel meer jongeren dan vroeger, ook uit overtuigd christelijke gezinnen, met literatuur in aanraking komen.

Heel duidelijk gesteld: ik kan me in deze tijd geen predikant meer voorstellen die een gemeente heeft en catechisanten waarin déze jongeren niet voorkomen! Dient hij dan niet enigermate weet te hebben van wat onder hen leeft en van de dingen waarmee zij worden geconfronteerd tijdens hun opleiding? Hiermee heb ik al een eerste reden genoemd waarom een predikant die niet wereldvreemd in zijn gemeente wil verkeren, althans iets van de moderne literatuur gelezen dient te hebben.

Aan de vraag 'Wat biedt ons de moderne literatuur? ' gaan noodzakelijk twee andere vragen vooraf: (1) Wat is literatuur'? en (2): Wat is moderne literatuur? Het is niet de bedoeling deze in extenso te behandelen, maar om helder te krijgen waar we het over hebben moeten ze wel kort worden aangestipt.

Allereerst: Wat is literatuurl Literatuur, een literaire tekst in proza-, poëzie-of toneelvorm, wordt primair gekenmerkt door een bepaalde vormgeving. Het materiaal - de taal - wordt zo gebruikt dat kunst ontstaat. Het gaat om woordkeus, zinsbouw, rangschikking van woorden en zinnen, beeldspraak, en de totale compositie of structuur van het kunstwerk. Evenzeer gaat het om psychologische diepgang, scherpe analyse van het beschreven object, rake typering, verrassende invalshoeken. Zeer bruikbaar lijkt me in dit verband de term 'artistieke zorgvuldigheid' (zie J. J. A. de Mooij, Idee en verbeelding. Assen 1981). Het taalgebruik, de wijze van presentatie (typografie) en de totale compositie vertonen allerlei elementen van intensiteit - het uitbuiten van alle taalmogelijkheden om een zo sterk mogelijk effect te bereiken - , complexiteit en coherentie die in het gewone taalgebruik en in zakelijke teksten ontbreken. De literator trekt registers open die elders - met name in teksten die we veelal 'lectuur' noemen: streekromans, doktersromans, kasteelromans, enz. - dicht blijven.

Laat ik een paar concrete voorbeelden geven. Medio augustus overleed de hoogbejaarde dichteres Ida Gerhardt. Toen zij reeds de 80-jarige leeftijd naderde, verscheen van haar de dichtbundel De zomen van het licht. Het is een prachtige en veelzeggende titel. We spreken in het dagelijks leven van de zoom van een kleed of de zoom van het bos. Een zoom is een rand. Zó zag Ida Gerhardt de dood: overgaan van de duisternis naar het licht, van onvolkomenheid naar volkomenheid. Ouder worden betekende dus voor haar: opschuiven naar de rand, de zoom van het Licht. Het is dezelfde gedachte die ze onverhuld heeft uitgesproken in haar vaak geciteerde gedicht 'Genesis', dat ook over oud worden handelt:

Het is, allengs, een onomstotelijk weten
dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen
wanneer men van u schrijven zal: 'ontslapen'.
Wanneer uw naam op aarde is vergeten.

Nog enkele andere voorbeelden. We kennen allen wel iemand die aan zijn werk verslaafd is. Het woord 'workaholic' is   helemaal ingeburgerd. In een moderne roman las ik echter ter typering van zo'n werkslaaf de verrassende zin: 'Zijn ora is labora'. Ieder herkent hier een creatieve toepassing van de bekende zinspreuk 'Ora et labora'. Een ander voorbeeld. Er zijn in onze taal legio uitdrukkingen - sommige zeer platvloers - die je kunt bezigen om je afkeer te uiten van de wereld waarin we leven: de wereld stinkt, de wereld is vies, enzovoorts. In een roman die ik onlangs las kwam ik tegen: 'De wereld ruikt naar maagzuur'. Misschien geen opwekkend beeld, maar wel trefzeker. In een andere roman waarin een vrouw voorkomt die ten dode is opgeschreven - bloedkanker - , legt de schrijver de huisarts, die zeker weet wat er aan de hand is, deze woorden in de mond: 'Weten is beseffen dat moeders bloed volgende week een dode rivier is'. Bloed dat ziek is, wordt een dode rivier: een schitterende typering.

Vormkracht, taalkracht: dat is een eerste vereiste om van echte literatuur te kunnen spreken. Zonder die vormkracht geen literatuur, hoe goed en waardevol de boodschap ook mag zijn. Wie daar oog voor heeft, kan genieten van taaivondsten, het creatief omgaan met taal. Dit lijkt me een aspect dat zeker predikanten zeer ter harte dient te gaan. Ik doel niet op holle kanselretoriek. Ik doel wel op een taalgebruik dat verrassend is in plaats van clichématig, vernieuwend en wakker schuddend in plaats van afgesleten. Het gaat om de oude boodschap, echter niet in de 17e-eeuwse taal maar in de taal van nu. Wie zijn taalgebruik wil ontdoen van het clichématige, kan zich laten scholen en omscholen bij de - al of niet moderne - literatuur. Dit zou ik de tweede reden willen noemen waarom het nuttig is dat een predikant eigentijdse literatuur leest, literatuur die prikkels geeft voor zijn eigen taalgebruik. Ook onze kring kent gelukkig diverse predikanten die dat creatieve taalgebruik, dat spelen met taal in hun vingers hebben of hadden. Wat het verleden betreft, noem ik hier slechts de namen van ds. L. Kievit en ds. G. Spilt voor het gesproken woord en die van ds. H. Abma en ds. J. T. Doornenbal voor het geschreven woord.

Literatuur heeft echter ook alles te maken met diepte. Er is een twee-eenheid van vorm én inhoud. Literatuur heeft altijd een boodschap, een thematiek. Een literaire tekst verraadt vrijwel altijd een levensvisie, een houding in tijd en wereld, een bepaalde kijk op leven en dood, op het nu en het hiernamaals. Die boodschap ligt er vrijwel nooit duimendik bovenop. Er wordt veel, zeker in de naoorlogse literatuur, aan de lezer overgelaten. Veel is impliciet. De moderne schrijver doseert. Hij verstrekt de noodzakelijke informatie op subtiele wijze. De moderne literatuur veronderstelt een actieve lezer, die verspreide gegevens combineert, die open plekken aanvult en zo komt tot een invulling van thema en idee. In Heren van de thee van Hella Haasse, waarop ik nog nader zal ingaan, blijkt er het hele boek door wrijving te bestaan tussen de hoofdpersoon en zijn familie. Waardoor komt dat? Het wordt nergens in de roman duidelijk uitgesproken.

Literatuur is nooit een oppervlakkig verhaaltje. Er is sprake van een diepteniveau onder het oppervlakteniveau. Wie de roman Nooit meer slapen van Hermans indringend leest, komt er uiteindelijk achter dat de titel drie betekenissen heeft: letterlijk slapen, figuurlijk slapen en gestorven zijn.

Ter illustratie van die diepte en gelaagdheid citeer ik hier een van de bekendste gedichten van Martinus Nijhoflf.

DE MOEDER DE VROUW

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij. Zijn hand zal u bewaren.

De kinderlijk eenvoudige mededelingen in de beginregels - met allerlei overbodig lijkende herhalingen: tweemaal 'zien', tweemaal 'de brug' - blijken minder simpel te zijn dan op het eerste gezicht lijkt. Als we echt doordringen in dit gedicht, dan blijkt onder de letterlijke betekenis van 'zien' en 'brug' een diepere schuil te gaan: het komen tot inzicht - een vorm van 'schouwen' - , de brug als verbinding tussen hemel en aarde. Het inzicht waartoe de dichter Nijhoff is gekomen houdt in dat hij niet meer de als chaotisch en angstaanjagend ervaren aarde ontvlucht, hemel en aarde niet meer als scherpe tegenstelling ziet. Er is een 'brug' tussen beide gekomen. De uitgebreide aandacht voor het landschap drukt de aanvaarding van de aarde uit. Op geraffineerde wijze is dit ook in de titel uitgedrukt. De moeder van Nijhoff is gestorven en heeft dus het aardse leven verlaten. Zij is naar zijn overtuiging naar de hemel, naar de 'overzijde'. De vrouw op het schip daarentegen bevindt zich op de aarde. Zo biedt de titel heel wat meer dan een simpele zinspeling op de bekende uitdrukking 'moeder de vrouw'. Het gaat om twee vrouwen in dit gedicht: de moeder én de vrouw. De vrouw op het schip (op aarde) roept het beeld van de moeder (de hemel) op: zo zijn ook hier, in een zo simpel lijkende titel, op knappe wijze aarde en hemel verbonden.

* Lezing gehouden op 21 augustus 1997 te Oudewater in het kader van de Studieweek voor theologiestudenten van de Gereformeerde Bond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wat biedt ons de moderne literatuur? (1)*

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's