De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestelijke worsteling om de kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijke worsteling om de kerk

Regionale Ambtsdragersvergaderingen Gereformeerde Bond 1997

27 minuten leestijd

Op de vrijdagavonden van 5 en 12 september werden in totaal in 12 regio's de ambtsdragersvergaderingen van de Gereformeerde Bond gehouden over het thema 'Geestelijke worsteling om de kerk'. Voor deze vergaderingen bestond grote belangstelling, terwijl er in het algemeen sprake was van een goede gedachtewisseling. Alle lectores hebben in hun referaat dezelfde zaken aan de orde gesteld, waarbij ieder aan zijn verhaal uiteraard een eigen vorm gaf. Daarin komen uiteraard ook elementen voor, die al eerder aan de orde waren. Bijgaand treffen de lezers een samenvatting van de lezing, die door ondergetekende werd gehouden in St. Annaland en in Zwolle. v. d. G.

A. Inleiding

Het gekozen thema voor de ambtsdragersvergaderingen dit jaar behoeft nauwelijks nog toelichting. Het thema is bewust gekozen. Al jarenlang is er onrust in de Nederlandse Hervormde Kerk vanwege het Samen op Weg-proces. De kerk werd er door op het bot verdeeld. Intussen is de onrust ook overgeslagen op de hervormdgereformeerde kring. Ook daar tekenen zich nu verschillende lijnen af.

Verder is er de diep ingrijpende secularisatie, met als gevolg de neergang van het kerkelijk leven. Hoe bieden we daaraan het hoofd? Hoe ziet de kerk in de toekomst er uit?

De vraag is nu of we nog écht nadenken over de kerk als zodanig. Hebben we nog zicht op de kerk? En welke kerk bedoelen we dan? Ook in haar concrete gestalte. Dieper gevraagd: Hebben we nog geloof in de kerk? Eigenlijk is dit niet goed uitgedrukt. We geloven niet in de kerk, alsof de kerk op zich geloofwaardig zou zijn, maar wij geloven de kerk. Het apostolicum zegt: 'Ik geloof één heilige, algemene, christelijke kerk'. We geloven de God van de kerk. En zo geloven we de kerk van God.

De nadruk ligt nu op onze geestelijke worsteling om de kerk. Waarom geestelijke worsteling? Omdat de kerk een geloofsartikel is. Geloof wordt beleden en dan ook bestreden. We gaan dus niet direct naar de praktijk van het kerkelijk leven, met name in het Samen op Weg-proces. We steken de spade dieper: 'Houdt Christus Zijn kerk in stand, laat dan de hel vrij woeden'. Hoe belijden we de kerk? Hoe geloven we de kerk? Zijn we met de kerk geestelijk bezig? Vragen we samen naar de weg, ook om samen de weg te gaan?

B. De kerk geloven

Nederlandse Geloofs Belijdenis

Ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat het niet om het geloof in de kerk, maar om de kerk geloven. Artikel 27 van de N.G.B, belijdt:

'Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest.'

Hier wordt op een diep geestelijke wijze over de kerk beleden; en wel op een zodanige wijze, dat elk levend lidmaat zelf daar helemaal in betrokken is. Op hoge toon wordt beleden, dat de kerk een heilige vergadering van ware christgelovigen is, die zich gewassen weten in het bloed van Christus. Déze kerk, zo wordt gezegd, is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwige Koning, Die zonder onderdanen niet zijn kan. Deze kerk wordt door God bewaard en staande gehouden tegen het woeden der hele wereld in, al is ze soms klein en als tot niet gekomen in de ogen der mensen. Deze kerk is er vanaf Abraham tot de wederkomst des Heeren. Christus kan niet zonder onderdanen. Dat is Zijn eer te na.

De kerk is niet alleen kerk van alle tijden, maar ook kerk van alle plaatsen. Ze is, zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis, niet gelegen, gebonden, of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen, 'maar zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld'. Zo weten de geloven van alle tijden en van alle plaatsen zich ook samen verenigd 'met hart en wil in één zelfde Geest, door de kracht van het geloof'. Het geloof aangaande de kerk bindt samen, verenigt.

De vraag is of we deze kerk echt geloven: de wereldwijde kerk van alle tijden en van alle plaatsen. Denken we vaak niet te provinciaal, te nationaal en zelfs te plaatselijk over de kerk? De katholiciteit van de kerk is immers een machtig geloofsstuk!

Heidelberger

Zo belijdt ook de Heidelbergse Catechismus de kerk.

'Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk? ' Het antwoord is, dat de Zoon van God Zich uit het gehele menselijke geslacht een gemeente, die tot het eeuwige leven verkoren is, door Geest en Woord bijeen vergadert. En dan wordt ook weer gezegd: 'in enigheid van het ware geloof, van het begin van de wereld tot aan het einde'. Ook de Heidelberger spreekt geestelijk over de kerk, als een verkoren gemeente, bijeengebracht door Christus, door Zijn Woord en door Zijn Geest. En ook de Heidelberger belijdt een kerk, die er is vanaf het begin van de wereld en er tot het einde zijn zal.

De Heidelberger gebruikt dan drie trefwoorden. Christus vergadert, beschermt en onderhoudt Zijn kerk.

Christus vergadert Zijn kerk. Dat staat tegenover verstrooiing. Verstrooien doet de duivel en daarvoor gebruikt hij mensen. Maar Christus vergadert.

Christus beschermt Zijn kerk. Dat staat tegenover bedreiging.

Christus bewaart en beschermt Zijn kerk tegen het woeden van de hele wereld in, zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Zo belijdt ook de Heidelbergse Catechismus. En Christus onderhoudt Zijn kerk. Onderhouding staat tegenover verwaarlozing.

Dan wordt echter ook hier weer de belijdenis aangaande de kerk heel persoonlijk toegespitst. We geloven, dat we van de kerk een levend lidmaat zijn en zullen het dan eeuwig blijven.

De kerk is dus kenbaar in haar levende leden.

De conclusie moet dan ook zijn, .dat zowel in de Nederlandse Geloofsbelijdenis als in de Heidelbergse Catechismus geestelijk over de kerk wordt gesproken, waarbij het persoonlijke leven helemaal inbegrepen is.

C. Kerk in verval

De kerk echter in haar concrete gestalte is de eeuwen door kerk in verval geweest. Er was de strijd tussen het slangenzaad en het vrouwenzaad, de eeuwen door. Dat wordt ook al vroeg zichtbaar in de kerk: de strijd tussen Kaïn en Abel, tussen Jacob en Esau. De profeten namen zelfs vaak een eenzame positie in in de kerk; in de tijd, dat kerk en volk nog samenvielen. Daarom zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat de kerk soms klein en als niet gekomen is in de ogen der mensen. Nochtans bewaarde God in de tijd van Elia de zevenduizend, die de knie voor Baal niet gebogen hadden. Maar wel wordt gesproken over 'de gevaarlijke tijd van Elia'. Kerk in verval!

In het Nieuwe Testament gaat het verval zo diep, dat Gods eigen verbondsvolk de Christus, Die beloofd was, uitwierp. Dat is in het verval van de kerk het diepste.

De kerk is nooit een zuivere kerk geweest, altijd onzuiver. Alle pogingen om de kerk tot een zuivere kerk te maken zijn de eeuwen door mislukt. De apostel Paulus zegt overigens zelfs: Het is nodig, dat er ketterijen onder ons zijn, opdat degenen, die oprecht zijn openbaar worden' (1 Kor. 11 : 19). Calvijn zegt ervan, dat dit onvermijdelijk is gebleken in de geschiedenis van de kerk. Wie de brieven van Paulus leest ziet, dat de gemeente van Christus al spoedig een gemeente in verval is. Daarin komt voor ontucht, tweestrijd, ketterij en partijschap.

De Schrift

De vraag is dan wel hoe we principieel moeten omgaan met kerkelijk verval. Wat zegt de Schrift daarover?

Allereerst moet worden opgemerkt, dat de profeten midden onder het volk bleven staan en het volk opriepen tot bekering. Daarbij appelleerden ze op het verbond van God, waarin het niet alleen ging om de trouw van God, maar ook om de gehoorzaamheid, die God van Zijn volk vraagt.

Zo hebben ook de apostelen telkens vermaand om de dwalingen uit te zuiveren, zonder dat ze zelf tot afscheiding hebben opgeroepen. Profeten en apostelen hadden diep besef van schuld en toonden solidariteit in de schuld met het volk, met de kerk in verval: 'Wij en onze vaderen hebben gezondigd.' Ds. W. L. Tukker zei zelfs - we moeten dit woord goed begrijpen - , dat we de kerk zelfs in haar zonden en gebreken moeten liefhebben. Dat betekent niet: de zonden van de kerk liefhebben. Maar wie verval van de kerk leert mijnen, zal dit ook zo belijden'. En wijlen ds. J. H. Cirkel placht te zeggen, dat hij bereid was met de kerk, met de concrete Nederlandse Hervormde Kerk door de modder te gaan: 'Want ik heb deel aan haar nood en aan haar schuld'.

Paulus gebruikt in Galaten 3 scherpe woorden over de gemeente van Galatië. 'O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn. Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met de Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees? ' Maar intussen sluit ook Paulus dit hoofdstuk af met de belofte aan Abraham en zijn zaad, die niet te niet gedaan wordt. Dan eindigt hij ook bij de Middelaar van het verbond.

In Christus ligt de kerk verankerd, ook alle dwalingen ten spijt en alle verval ten spijt. De continuïteit van de kerk ligt dan ook in Christus. Dat heeft dr. C. A. van der Sluijs ook heel duidelijk gesteld in zijn artikelen over Kerk of Afscheiding deze weken in De Waarheidsvriend.

Reformatie

Reformatie De Reformatie heeft nooit afscheiding bedoeld. Calvijn verwierp het beginsel van afscheiding met zoveel woorden en daarom aarzelfde hij zelfs de kerk van Rome valse kerk te noemen, omdat er onder de pausgezinden, zei hij: 'sporen zijn welke de Heere uit de verbrokkeling onder hen heeft willen doen overblijven'.

Ten diepste zijn Luther en Calvijn in hun dagen uit de kerk uit-geworpen. Ze hebben niet de uit-tocht ondernomen. Maar intussen is de kerk van Christus wereldwijd wel gekenmerkt door scheidingen en scheuringen. Daarom is het lichaam van Christus zo verdeeld. Dat geldt niet het minst de kerk van de Reformatie. Ds. H. G. Abma zei ooit, dat de vloek van de scheidingen is, dat die telkens nieuwe scheidingen baren.

De belijdenis

En hoe belijdt de gereformeerde belijdenis aangaande de kerk? Allereerst wordt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de artikelen 27 t/m 29 ook de gereformeerde kerk duidelijk geplaatst in het kader van de kerk der eeuwen. Maar direct ook wordt hier het geestelijke aspect benadrukt. In artikel 28 wordt gezegd, dat de kerk is 'een verzameling van degenen, die zalig worden'. Daarom is er buiten de kerk geen zaligheid. Ieder moet zich bij haar voegen, onderhoudende de enigheid der kerk. De hals dient gebogen te worden onder het juk van Christus. En in de kerk zal de opbouw van de broeders worden gediend.

Wat betekent het dan als wordt gezegd, dat men zich moet afscheiden van degenen, die niet van de kerk zijn? Dit moet worden gezien in het licht van de uitspraak, dat ieder verplicht is zich bij haar te voegen. Afscheiding is afscheiding van de wereld en afscheiding is afscheiding van de sekten. Uitdrukkelijk wordt gezegd: 'Wij geloven, dat men wel naarstig en met goede voorzichtigheid, uit het woord Gods, behoort te onderscheiden, welke de ware Kerk zij; aangezien dat alle sekten, die heden ten dage in de wereld zijn, zich met de naam der Kerk bedekken'.

Afscheiden betekent niet, dat men zich af moet scheiden van de hypocrieten. Letterlijk wordt gezegd: 'Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, en intussen van de Kerk niet zijn, hoewel ze naar het lichaam in haar zijn.' Hypocrieten: wel in de kerk maar niet van de kerk! Maar, zo wordt dan herhaald: 'wij zeggen, dat men het lichaam en de gemeenschap der ware kerk onderscheiden zal van alle sekten, welke zeggen dat zij Kerk zijn'. De belijdenis stelt dan ook heel duidelijk, dat we ons niet mogen afscheiden van degenen, die van de kerk zijn, de hypocrieten in haar ten spijt.

Ds. W. L. Tukker zegt in zijn boek over de Nederlandse Geloofsbelijdenis Geloof en verwachting, dat waar het geloof begint, men zich afscheidt van de wereld en men zich dan voegt tot de kerk, en merkt dan op, dat hier 'op generlei wijze geleerd wordt, dat men zich van de kerk moet afscheiden' .

Er wordt verder opnieuw de nadruk gelegd op de ware gelovigen. En dan volgt, dat men degenen, die van de kerk zijn, kan kennen uit de merktekenen der christenen; te weten uit het geloof, en wanneer zij, 'aangenomen hebbende de enige Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet afwijken, noch ter rechter-, noch ter linkerhand, en hun vlees kruisigen met zijn werken'.

De ware kerk is met name te herkennen in de rechte prediking en in de ware gelovigen. Daarom moet men wel weten wat men zegt, wanneer men een kerk voor vals verklaart. De ware en de valse kerk hebben de eeuwen door, juist ook in de gebrokenheid en de gescheurdheid van het lichaam van Christus, dooréén vermengd gelegen. Calvijn stelt, dat de ware kerk verscholen is onder 'een hoop kaf'.

In de kerk komt valse prediking voor en zijn er de hypocrieten. Een kerk, die ooit als zuiver bedoeld was en zich als ware kerk presenteerde, kan in toenemende mate elementen van de valse kerk gaan bevatten. Dat blijkt uit de kerkgeschiedenis, ook in ons eigen vaderland. En een kerk, die voor vals werd verklaard, kan weer tot herstel komen en weer de kenmerken van de ware kerk gaan vertonen; of de elementen van ware kerk kunnen worden hersteld. Is dat niet de praktijk in de Nederlandse Hervormde Kerk geweest, waar zoveel gemeenten en zelfs hele regio's terug mochten keren, vanuit de vrijzinnigheid zelfs, tot de leer der Schriften?

De ware kerk is geen zuivere kerk, zoals ook de ware gelovigen geen zuivere gelovigen zijn. Artikel 28 zegt, dat grote zwakheden in de gelovigen zijn overgebleven. 'Maar zij strijden daartegen door de Geest al de dagen van hun leven, nemende gestadiglijk de toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus, in welke zij vergeving hunner zonden hebben door het geloof in Hem.'

Zo werden en worden in kerken, die tot valse kerken werden verklaard, toch mensen tot nieuw leven gewekt, werden ware gelovigen geboren: 'Deze en die is in Sion geboren'.

Zeker, de valse kerk heeft óók haar kenmerken. Ze schrijft zichzelf en haar ordinanties meer macht en autoriteit toe dan het Woord van God, en wil zich niet aan het juk van Christus onderwerpen; zij bedient de sacramenten niet zoals Christus in Zijn Woord verordend heeft. Ze oefent niet de rechte tucht voor Gods Aangezicht. Maar dan nog kunnen vals en waar in één kerk dooreen vermengd liggen.

D. Lijden aan de kerk

De vraag is of we ook lijden aan de kerk. Ook hier moeten we allereerst zeggen: de kerk, dat zijn we zelf. Wanneer de kerk is 'een heilige vergadering van ware Christgelovigen', rijst de vraag of we lijden aan eigen schuld, onvolkomenheid, onzekerheid, zonden, karakterzonden, geesteloosheid. De vraag aangaande de kerk begint bij de vraag aangaande onszelf.

Verder moeten we ons afvragen of we lijden aan de kerk vanwege tekorten in de ambtelijke dienst. Het ambt brengt een eigen lijden aan de kerk met zich mee. Wie omziet naar eigen ambtelijke dienst, zal dat hopelijk mogen doen in verwondering om Gods trouw en genade, maar ook in belijdenis van eigen schuld en tekortkoming.

Lijden aan de kerk is dan verder ook lijden aan concreet verval in de gemeenten. Ik noem puntsgewijs: de vruchteloosheid, de geesteloosheid, de onverschilligheid, de liefdeloosheid, de polarisatie; dit laatste gegeven met de moderne mondigheid in onze tijd. Hebben we als hervormd-gereformeerden in eigen gemeenten te roemen? Moeten we ook niet eerlijk de crisis in het gemeentelijke leven van rechts tot links onderkennen, en de vraag stellen of de waarheid in liefde wordt betracht, en of de gemeente leeft op de hoogte van de heilsfeiten?

En dan is er verder de kerkelijke strijd. Deze strijd is onder ons als hervormd-gereformeerden vaak naar buiten gevoerd, vanwege de ontrouw van de kerk aan Schrift en belijdenis. Hebben we onszelf daar soms ook bij over het hoofd gezien? Ik citeer ook hier nog eens wat ds. R. H. Kieskamp op de laatste jaarvergadering van de Gereformeerde Bond heeft gezegd in zijn lezing over verootmoediging.

'Zijn er niet overal allerlei vormen van onbijbelse hoogmoed ingeslopen waardoor we ons beter vinden dan anderen? Beter in het aantal kerkgangers dat we nog hebben, beter in het meeleven van de jeugd, beter in het vasthouden aan de belijdenis, beter in de opvatting van ons kerkbegrip, beter in ons verstaan van de zondagsheiliging, beter in het kennen van bijbelse bevinding, beter in het rechtzinnig belijden, beter in etc... etc... Beter..., beter... beter... Het is alles beter wat de klok slaat... Doch waar is de goddeloze die zichzelf op de borst slaat en op de heup klopt en uitroept: wee mij dat ik zo gezondigd heb? Waar is de goddeloze die zich niet verheft boven wie ook maar, doch als de tollenaar in de bekende gelijkenis tot God roept en vraagt: O God wees mij de zondaar genadig? Waar is de goddeloze die zich tot op het bot toe uitgekleed weet als oude mens en daarom geen stap meer verder kan zonder bekleed te worden door de gerechtigheid van Christus.'

Inmiddels gaan we zelf door een geestelijke crisis, die gemeenschapsontbindend werk en de overdracht aan de jongere generatie ook belemmert. Dr. Ph. J. Hoedemaker heeft gezegd: 'Geve de Heere de genade van de ootmoed, en de kerk is gered'. Zouden we deze these niet allereerst op onszelf toepassen?

E. Lijden aan de concrete kerk

Lijden aan de kerk betekent ook lijden aan de concrete kerk, waartoe we behoren. In dit geval de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze kerk is weliswaar de kerk van de Reformatie en als zodanig van oorsprong belijdende kerk. Maar ze is ook de kerk van de Nadere Reformatie. Al spoedig in haar geschiedenis was het nodig, om de nadruk erop te leggen, dat leer en leven bijeen horen. De Nadere Reformatie werd geboren uit het verval der kerk inzake leer en leven.

De Nederlandse Hervormde Kerk is ook de kerk van 1816, toen ze onder de bevoogding kwam van de reglementenbundel van Koning Willem I.

De Hervormde Kerk is ook de kerk van 1834 en 1886, toen ze enorm bloedverlies onderging en ze in feite door velen werd afgeschreven, ondanks de velen, die ook in haar bleven en hoopten op haar herstel.

De Hervormde Kerk is helaas ook de kerk, die ontzonk aan haar eigen belijden. Ze is ook de kerk van 1951, die wel herstel bracht, maar geen echte terugkeer tot de gereformeerde belijdenis. De uitdrukking 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' heeft haar confessionele grondslag ondermijnd. De kerk kreeg haar gereformeerde grondslag in 1951 niet terug.

De Hervormde Kerk is al zo lang kerk in verval. Hebben we haar schuld beleefd? Hebben we ook onze verantwoordelijkheid voor de hele kerk verstaan, ook in haar ambtelijke vergaderingen? Realiseren we ons, dat de ambtelijke vegaderingen, ónze ambtelijke vergaderingen zijn, de ambtelijke vergaderingen van ónze kerk? En over welke Hervormde Kerk spreken we dan? Is het dan de Hervormde Kerk van Delfzijl tot aan Terneuzen? Heb 'ik' wat met de hervormde gemeente van Naarden. Een vrijzinnige gemeente op 6 km afstand van het rechtzinnige Huizen?

Ging het ons om het herstel van de hele kerk? Of zijn we tevreden geweest en zijn we nog tevreden met een plaats, die we hebben gekregen, met reservaten, waarin we worden gedoogd of waarin we onszelf verschuilen of die we koesteren? De vraag is, welke kerk we bedoelen als we de Nederlandse Hervormde Kerk willen behouden. Bedoelen we de Hervormde Kerk zoals die er nu is of de Hervormde Kerk zoals we zouden willen dat die er is?

Zijn we soms toch een ecclesiola in ecclesia, een kerkje in de kerk geworden?

We hebben de tijden, de jaren door beleden niet te mogen afscheiden, maar hebben we misschien toch min of meer afgescheiden geleefd? Separatisme kan dieper in onze botten zitten dan we denken of geneigd zijn toe te geven. Ooit zei dr. S. Gersen op een vergadering van de hervormde synode, toen de Raad voor de Zaken van Overheid en Samenleving (ROS) uitriep 'Elke vorm van anti-semitisme is ons vreemd': 'Dan kent u uw eigen hart niet.' Zo zou ik ook willen vragen: als we van overtuiging zijn, dat elke vorm van separatisme ons vreemd is, kennen we dan ons eigen hart?

Ik ga nog een stap verder. Zien we vanuit de kerk ook het volk? Hebben we bewogenheid om het volk? Dr. Ph. J. Hoedemaker sprak ooit het bekende woord: 'heel de kerk en heel het volk', dit vanwege het verbond, met daarin tweeërlei kinderen van het verbond. Er zijn ook afgedwaalde verbondskinderen.

In concreto zijn ook alle hervormd-gereformeerde gemeenten volkskerkgemeenten. In die gemeenten komen we de hele Nederlandse Hervormde Kerk tegen. Ds. I. Kievit heeft in het Gereformeerd Weekblad in 1948 waarderende artikelen geschreven over de volkskerkgedachte bij Ph. J. Hoedemaker: 'als dat maar niet ten koste van de tucht zou gaan'. Letterlijk zegt hij: 'De Hervormde Kerk was, trots haar organisatie en niettegenstaande haar diepe val, een kerke Christi gebleven en het ging Hoedemaker om vrijmaking van het synodale juk'. Letterlijk zegt hij ook:

'Zij, (d.i. de Nederlandse Hervormde Kerk, v.d.G.) blijft voor Hoedemaker de openbaring van het lichaam van Christus in en voor dezen lande... Wel zou ik bij het ouder worden, willen opmerken, dat afscheiding ons steeds minder aantrekkelijk en wat meer zegt: onschriftuurlijk voorkomt, want door voortgaande scheiding en scheuring wordt de toestand steeds hopelozer, en iedere kerkformatié zoekt een grond voor zijn gescheiden-zijn. Dat doen de Gereformeerde Gemeenten, de Christelijke Gereformeerde Kerk, enz.'

De vraag is hoe ons zicht is op de eigen gemeente is. Daarin ligt een test voor ons zicht op de hele kerk. Ik herhaal wat ds. D. J. Budding zei in zijn artikel in De Waarheidsvriend van enkele maanden geleden:

'Laten wij het kruis niet ontlopen door knus in een clubje van gelijkgezinden te gaan zitten. Wij hebben nog ten bloede toe niet gestreden. Wij zijn medeschuldig aan het diepe verval van de kerk. Laten wij daar zijn en blijven waar Jezus wilde zijn. Temidden van Farizeeën en Sadduceeën, te midden van de schare. En laten we met innerlijke ontferming bewogen, zaaien zolang het ons vergund wordt, in het spoor en de gezindheid van de Meester. En waar Hij Zijn voetstap zet, zullen we het kruis niet ontkomen, zal het aan wonderen - niet ontbreken en zal eenmaal de kroon ons wachten.'

F. De actuele stituatie

Tenslotte dan nog enige woorden over de actuele situatie in verband met het Samen op Weg-proces. We hebben ons als hervormde gereformeerden de jaren door scherp verzet tegen het Samen op Wegproces. Is dat verzet tevergeefs geweest? De kerk ging immers dóór? Maar toch: het getuigenis is gegeven; het getuigenis aangaande de kerk, die een belijdende, Schriftgetrouwe dient te zijn. Tenslotte hebben we in een gebedssamenkomst in Katwijk aan Zee de kerk uit handen gegeven. Hebben we dat écht gedaan? De kerk ging door op een weg, die wij niet willen, ook na die gebedssamenkomst in Katwijk. Hervormd-gereformeerden mochten nog een keer zeggen hoe ze erover dachten. De kerk ging echter voort.

Moeten we ons dan nu van onze altijd ingenomen positie, van onze visie op de kerk laten afvoeren en ons laten leiden op een weg die we nooit hebben gewild?

We zijn gebleven na 1816, ondanks het feit, dat de kerk toen slechts twee aangenomen formulieren kende. En dan moet nog gevraagd worden: hoe? 'Belijden in geest en hoofdzaak.'

We zijn gebleven in 1834, met een beroep op Gods verbond, met een beroep op het feit, dat de kerk bestaat uit tweeërlei kinderen des verbonds.

We zijn gebleven na 1886 toen Kuyper de kerk prijs gaf aan Jan Rapen z'n maat.

1951
We zijn ook gebleven na 1951 toen gemeenschap met de belijdenis niet betekende binding aan de belijdenis en de kerk haar eigen grondslag niet terugkreeg. Wat dit laatste betreft, zei prof. dr. J. Severijn op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond in 1951, na het aannemen van de kerkorde:

'Wij staan alzo per 1 mei onder een kerkorde, die door ons als onaanvaardbaar werd afgewezen. Wat zal dat betekenen voor de positie van de Gereformeerde Bond? Wij willen in geen enkel opzicht vooruitlopen door een conclusie te trekken uit sommige uitingen van de zijde der voorstanders, die ingegeven schijnen te zijn door de gedachte: conformeren of heengaan. Het is volstrekt niet de bedoeling om hete hoofden en koude harten te maken. Wat wij wensen is kalme bezinning, en het is uit dien hoofde, dat het hoofdbestuur toch geen wilde consequenties heeft geadviseerd. (...)

Thans mag ik volstaan met de mededeling, dat ik, ziende op de ontwikkeling der dingen, geen reden kan vinden om aan te nemen, dat de positie van de Gereformeerden onder de nieuwe kerkorde een veelbelovende kan zijn. Integendeel, er is alle reden tot pessimisme. Ik kan het niet anders zien, of het karakter van de Hervormde Kerk is grondig veranderd en dat zal, als de heersende geest blijft zegevieren, steeds duidelijker openbaar worden. Men behoeft slechts te denken aan de tegemoetkomende houding jegens de vrijzinnigheid en de machtspositie door het samengaan van confessionelen en vrijzinnigen.

Er blijft slechts één ding over: geloof. Niet lichtvaardig zullen wij daarvan spreken, doch de Heere is machtig. Zijn goedertierenheid zij over ons en geve getrouwheid om staande te blijven temidden der tegenheden, opdat van Hem onze verwachting zij.'

Afscheiden?

Onder ons gingen het laatste jaar stemmen klinken, die zeiden 'We gaan niet mee', ondanks het feit, dat het woord afscheiding werd afgewezen. Zo kwam er ook de aandrang op het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond om te gaan zeggen: We ' gaan niet mee. Wat zal de consequentie daarvan dan wezen? We blijven zeggen, zo was ons antwoord, we kunnen ten principale niet mee, maar we kunnen zeker ook niet weg.

Mag ik datgene, wat in Amersfoort werd verwoord daarom nog eens samenvatten?

1. Als de Hervormde Kerk écht verdwijnt, en we belijden deze kerk als planting Gods, zouden we dan dit als een oordeel Gods moeten beleven? Zoals Jeremia sprak tot Baruch, zijn secretaris: 'Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land'. Maar mag men dan onder het oordeel vandaan lopen? Of is er ook onder het oordeel nochtans de belofte? Jeremia zegt: 'Zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoekt ze niet: want zie. Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de Heere; maar ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henentrekken' (Jer. 45).

2. Moeten we dan ook niet in schuldbelijdenis, in geestelijke worsteling om de kerk op onze post blijven? 'Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed van Uw knecht, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis hebben gezondigd. En het zaad Israels scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en van de ongerechtigheden van hun vaderen' (Nehemia 9 : 2, 3).

3. We hebben gezegd, dat we ons geroepen weten 'op onze post te blijven', om te strijden, te blijven strijden voor het recht van de hervormde gezindheid, dat is de gereformeerde belijdenis. Deze strijd was in de Hervormde Kerk een strijd op hoop tegen hoop! Zal ze anders worden? Maar zal Christus ten diepste niet onze Hoop zijn?

Ds. W. L. Tukker heeft in het genoemde boek over de Nederlandse Geloofsbelijdenis gezegd, dat men diegenen, 'die niet van de kerk zijn', in de kaart speelt wanneer men hen de kerk in handen laat. Hij wees op Elia, die op zijn post bleef, maar wel afweek van Achab en diens profeten.

Geworteld?

De vraag is, hoe sterk we zelf geworteld zijn in de gereformeerde belijdenis en of de kerk op een levende wijze getuigenis van te geven. We hebben een poging tot inbreng in de concept-kerkorde gedaan in het boekje Voor de goede orde. We hebben gezegd: de concept-kerkorde is voor ons onaanvaardbaar. Niet anders dan prof. Severijn in 1951 zei. Maar dat betekent niet, dat we ons van onze post laten sturen. Wat zoeken we voor de kerk? In Jeremia 29 lezen we de brief, die de profeet zond aan de ballingen in Babel. De roeping, die de profeet aan het volk in de ballingschap voorhield, luidde: 'En zoekt de vrede van de stad, waarheen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren en bidt voor haar tot de Heere, want in haar vrede zult gij vrede hebben'.

Zullen we tenslotte de kerk ook niet vooral daar zoeken, waar ze écht is, namelijk in de gemeente? Daar klopt toch het hart van de kerk! Zullen we niet zuinig zijn op de gemeente, opdat zij voor scheuringen wordt bewaard? We mogen zorg hebben om onze jongeren bij de gemeente te houden. Zal scheuring niet de secularisatie verder bevorderen?

Werp het Woord er maar in en gij zult zegen hebben, zei Kohlbrugge!

Daar gaat het ten diepste om. Het gaat om de rechte prediking en het gaat om het rechte geloof. Dat zijn ten diepste de kenmerken van de ware kerk. En als wij ons verootmoedigen: 'Wie weet. God mocht Zich wenden'.

G. Appèl

En tenslotte, belijden is belijden in gemeenschap. Wanneer we vandaag, ondanks onze gemeenschappelijke gereformeerde belijdenis, uiteen zouden worden geslagen, dan breken we het belijden zelf. We zullen dan óók onze kracht breken in het getuigenis naar de kerk toe. Helaas zien we ook in hervormd-gereformeerde kring fragmentarisering, polarisering, polarisatie, circuits. Dit alles werkt verlammend! God geve dat we elkaar mogen vasthouden en in gemeenschappelijk besef van gemeenschappelijke schuld samen verder mogen gaan.

Betrachten we de waarheid in liefde? De kerk is een heilige vergadering van ware Christ-gelovigen. Gaat het onder ons heilig toe? En hoe is het met de stand van het geestelijke leven?

De prediking van het Woord Gods is gezegend in de Nederlandse Hervormde Kerk. Zou Gods arm dan nu verkort zijn? Zou in onze nulpunten Gods begin niet kunnen liggen? Een nieuw begin! Wij roepen de God van het Verbond aan. Ds. G. D. Kamphuis citeerde Wilhelmus a Brakel op de kerkenradendag in Amersfoort:

'Altijd zijn er kwaden onder 't koren, onkruid onder de tarwe. Beschouwt de kerk van Adam tot Christus, en gij zult bevinden, dat God in het merendeel geen behagen had (1 Kor. 10 : 5).

Deze zaken moeten ons tot waarschuwing dienen, om aan haar zonden geen deel te hebben. En ook leren ze ons, dat men om de onzuiverheid van de kerk niet moeten uitlopen, en een andere zui­ vere kerk trachten op te richten, met hoedanigen het te allen tijd, en ook in onze dagen slecht en tot ergernis, en met een teken van Gods toorn is afgelopen, gelijk wij zien in de Labadisten. Wat zullen wij van de kerk die zo verdorven is oordelen? Zullen wij zeggen, dat zij om haar verdorvenheid niet meer de kerk van Christus is? Zullen wij haar verachten, zullen wij eruit lopen? Neen, dat is de dwaasheid.'

Leven uit de rechtvaardiging van de goddeloze heeft consequenties voor het staan in de kerk, zowel in de verootmoediging, alsook in de strijd om de kerk te doen zijn en echt belijdende kerk.

Maar we beseffen ook, dat het artikel over de vergeving der zonden, ook van de kerelijke zonden, volgt op het artikel over de erk in het Apostolicum.

God geve ons een nieuwe opwekking. God geve, dat de doelstelling, die de Gereformeerde Bond bij de oprichting heeft gekozen, namelijk de kerk oprichten uit haar diep verval, door God Zelf in een nieuwe opwekking zal worden gerealiseerd.

In het verval zijn wij zelf mede betrokken. Nochtans, we hopen op God. 'Hoop op God, ik zal Hem nog loven. Hij is de menigvuldige verlossing van mijn aangezicht en mijn God.'


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Geestelijke worsteling om de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's