Kerk of afscheiding (3)
Ware kerk
Als de onzichtbare kerk de ware kerk is, dan moet ze toch op de één of andere wijze waarneembaar zijn in de zichtbare kerk. De uiteriijke kentekenen van de ware kerk ontvouwt Luther zelfs in een zevental:1. Het Woord van God - 2. De Doop - 3. Het Avondmaal - 4. De sleutels - 5. Het predikambt - 6. Het gebed en de openbare lofprijzing - 7. Kruis en lijden.
Welnu, 'wie met de oude kerk hetzelfde gelooft en gelijke tred houdt, die is van de oude kerk'.
Immers, wij worden omwille van het Woord vervolgd 'en het gaat met ons net als met de oude kerk... zodat we wel mogen zeggen, dat we de oude ware kerk zijn...want wij stichten haar niet opnieuw... ja, wij zijn (zoals ook diezelfde oude kerk) de Heere Christus gelijk, zelfs aan het kruis.'
En daarmee gelooft Luther te hebben bewezen 'dat wij de ware oude kerk zijn, met de ganse heilige christelijke kerk één lichaam en één gemeenschap der heiligen te zijn.'
Luther verwerpt de continuïteit van de kerk dus geenszins, maar hij verstaat haar kritisch. Het gaat hem veeleer en veel meer om de continue gelijkvormigheid (Konformitat) met Christus en met de oude kerk.
En dan gaat het er Luther vooral om wie de naam van die kerk met recht draagt!
Maar heel vaak beperkt Luther zich tot slechts twee kenmerken van de ware kerk:1. De rechte bediening van het Woord van God, en 2. De zuivere bediening van de sacramenten.
Niet minder voor Calvijn is de vraag, waar de ware kerk zelf tot openbaring komt en op welke wijze dit geschiedt, de centrale ecclesiologische vraag (vraag betreffende de kerkleer).
Waar de rechte bediening van het Woord en van de sacramenten gevonden wordt, daar vinden wij 'een kerk van God'. Wél brengt Calvijn dan naast het prediken van het Woord tegelijk ook het 'horen' ervan ter sprake, waaruit blijkt dat ook dit laatste deel uitmaakt van de 'gedaante' van de kerk, maar vergeleken met de prediking van het Woord staat dit toch op de tweede plaats.
Dit alles stemt wezenlijk overeen met de kerkleer van Augustinus, waar de ware kerk als instrument van de Heilige Geest de mensen in levende gemeenschap met God en met elkaar brengt.
In tegenstelling tot onze Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 29 noemt Calvijn bij de kentekenen van de ware kerk niet de tucht! Dit betekent absoluut niet dat Calvijn de tucht van minder belang achtte, maar hij nam haar niet op in de wezensbepaling van de kerk. En wel om reden van de Dopers, die met hun overtrokken aandacht voor de heiliging tekort deden aan de rechtvaardiging door het geloof alleen.
Dopers van toen en nu
Dopers van toen en nu De Dopers of Wederdopers vonden dat de Reformatoren lang niet ver genoeg waren gegaan, met name ten aanzien van de sacramenten en de heiliging van de kerk via handhaving van de tucht. Ze praktiseerden de geloofsdoop en beriepen zich op het 'innerlijke licht' bij het persoonlijk lezen van de Bijbel.
De kerk zagen de Dopers als iets 'uitwendigs', die men net zo goed of eigenlijk beter kon missen. Ze schreven haar af en trokken zich terug in een individualistisch, eenzijdig 'geestelijk' isolement.
Toen de strijd met Rome zich in zekere zin geconsolideerd had, kreeg Calvijn steeds meer te maken met de Dopers, wat tot gevolg had, dat hij steeds groter betekenis ging hechten aan de zichtbare gestalte van de kerk.
In zijn strijd met de Dopers valt Calvijn terug op dezelfde grondgedachte als die van de kerk van Rome: 'Buiten de kerk geen zaligheid'. Maar dan gaat het daarbij wél om Calvijns verstaan van de kerk!
Het is van buitengewoon belang er op te letten, dat én Calvijn én de Dopers het 'sola scriptura'-beginsel (alleen door de Schrift) hanteerden.
Maar dan wél met een hemelsbreed verschil!
De Dopers stelden dat iedere gelovige individueel in staat was zich te beroepen op het Woord. Men had daarvoor de traditie niet nodig, in de zin van 'samen met al de heiligen', laat staan het ambt. Oncontroleerbare geestdrijverij was het gevolg!
Calvijn daarentegen had het 'sola scriptura'-beginsel strikt verbonden met en gebonden aan het ambt. En aldus had hij het Woord verticaal verbonden met God en horizontaal met de traditie van de Kerk der eeuwen. De gelovige kon zo nooit 'oncontroleerbaar' z'n gang gaan. Ten dieptste kreeg zó bijgevolg de vervulling van de Wet haar gestalte en gehalte in het raam van het Evangelie, waardoor 'overwoekering' van de rechtvaardiging door de heiliging onmogelijk werd.
Met evenveel recht en reden kan worden gesteld, dat het Calvijn er om ging 'de rechtvaardiging van de goddeloze' te handhaven tegenover 'de rechtvaardiging van de vrome' bij de Dopers, welke opvatting hij terecht duidde als een terugbuiging naar Rome!
Dit 'dopers' element komt terug bij de Labadisten hier te lande in de 17e eeuw, die een zuivere kerk wensten te formeren van alleen wedergeborenen. De onzichtbare kerk werd 'losgepeld' uit de zichtbare kerk, dan wel van haar gescheiden of afgescheiden.
In wezen valt ditzelfde streven waar te nemen bij A. Kuyper, die in de 19e eeuw een zuivere gereformeerde kerk wilde vormen door de Hervormde Kerk 'los te laten' en te verlaten.
Helaas moet hetzelfde worden geconstateerd voor de Afscheiding van 1834.
Voor Afscheiding en Doleantie was de Hervormde Kerk een valse kerk geworden, dus géén kerk meer.
Vanuit de Reformatie moet echter de vraag worden gesteld of niet in wezen minstens de tendens van het omgekeerde in werking was getreden.
Waar de Reformatie stelde: 'waar het Woord is, daar is de kerk', daar stelden Afscheiding en Doleantie in feite: 'waar de (ware) kerk is, daar is het Woord'.
Het is goed te bedenken, dat de zaken hier bijbels-theologisch en kerkhistorisch niet marginaal, maar diametraal tegenover elkaar staan. Niet om het 'inter-kerkelijk' gesprek te blokkeren, maar juist te stimuleren!
De Donatisten
De 'doperse' positie-bepaling heeft 'oude papieren', aangezien één van haar wortels terug gaat naar de tijd van Augustinus in de 4e eeuw.
Onder keizer Diocletianus (284-305) waren vervolgingen losgebarsten tegen de christenen. In een edict van het jaar 303 werd onder meer bepaald dat de gewijde boeken van de christenen ingeleverd moesten worden bij de overheid.
Christenen, die dit bevel gehoorzaamden omdat men dit van ondergeschikt belang achtte, werden door hen, die dit bevel niet opvolgden, onmiddellijk 'traditores' (uitleveraars) genoemd.
Zo ontstond in Afrika 'een tweede kerk', met Donatus (+ 316) als 'tegenbisschop'. Daarna stonden in bijna elke plaats voortaan twee bisschoppen tegenover elkaar, te weten een katholieke en een donatistische bisschop.
De donatistische afkeer van Rome had ook betrekking op de sinds keizer Constantijn plaatsgevonden versmelting van kerk en staat. Allen, die de staatskerk afwezen, stelden: 'De ware kerk is die, die vervolging lijdt, niet die, die vervolgt'. Deze Donatisten beschouwden zich in de tijd van Augustinus als de ware kerk en de katholieke kerk bestond volgens hen alleen maar uit afvalligen. En de kerk moest toch een gemeenschap van heiligen zijn, waarin voor zondaren beslist geen plaats was. Anders dan de kerkvader Cyprianus wilden de Donatisten niet erkennen, dat er in de kerk vele schijnchristenen zijn, maar dat men zich daarom van haar nog niet mag afscheiden.
De scheuring voltrok zich dwars door de kerk en dwars door de gemeenten en dwars door de gezinnen. En ook in zekere zin dwars door de ziel van de katholiek denkende Augustinus!
En hij heeft gedaan wat in zijn vermogen was om dit verschrikkelijk schisma te helen. Meer dan 20 jaar gaf hij zijn beste krachten aan de bestrijding van deze scheuring in de Afrikaanse kerk. Naast zijn strijd tegen het pelagianisme om de ware genade-en geloofsleer, streed hij tegen het donatisme om de ware kerkleer. Augustinus verstond als geen ander, dat er altijd een subtiele onderlinge verbondenheid is tussen de kerkleer en de genade-en geloofsleer. In het katholieke denken van de kerk der eeuwen is dit altijd een verwevenheid en feitelijke en eigenlijke eenheid geweest. Wél orthodoxie, géén orthodoxisme!
Juist in deze polemiek tegen de Donatisten legt Augustinus alle nadruk op de liefde. De liefde is immers lankmoedig en zij verdraagt alle dingen en hoopt alle dingen, in ieder geval waar het gaat om 'tweederangs zaken'.
En waar het niet meer primair gaat om de originele en de directe navolging van Christus, daar worden 'gestolde' zaken in die navolging kennelijk van primair belang. En dan voltrekt zich reeds de verschuiving van de rechtvaardiging van de goddeloze alleen door genade en alleen door geloof naar de rechtvaardiging van de vrome.
Augustinus was van mening, dat de Donatisten wel 'het ware geloof, maar niet de ware liefde kenden!
En volgens 1 Kor. 13 houdt dit dan een vernietigend oordeel in, van Godswege. Het moet niet minder dan van levensbelang worden genoemd, lering te trekken uit de geschiedenis van de kerk der eeuwen tot op vandaag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's