Wat biedt ons de moderne literatuur? (2)*
Wat is 'moderne' literatuur?
Het begrip 'modern' is erg rekbaar. Het is te verdedigen om de moderne literatuur te laten beginnen in het begin van de Romantiek, dus ± 1775. De Romantiek poneert namelijk voor het eerst in de literatuurgeschiedenis - als reactie op de imitatio van Renaissance en het Frans-Classicisme (globaal:17e en 18 eeuw)-nadrukkelijk elementen als oorspronkelijkheid, individualisme en creatieve vrijheid. De Duitse filosoof Kant (1724-1804) poneerde reeds in 1790 in zijn Kritik der Urteilskraft dat het bij een kunstwerk niet gaat om een direct belang of praktisch nut, maar om een 'uninteressiertes Wohlgefallen', een belangeloos genieten.
Omdat de Tachtigers deze elementen opnieuw sterk hebben geaccentueerd - onder meer blijkens de leuze Tart pour l'art': kunst heeft alleen als doel kunst te zijn en verder niets - en er andere aan hebben toegevoegd - bijvoorbeeld in het naturalistisch proza een genadeloze observatie van de realiteit - , kunnen we 'modern' ook opvatten als: betrekking hebbend op de laatste 100 a 120 jaar.
De meesten zullen het begrip 'moderne' literatuur echter als vanzelf inperken tot de literatuur van de laatste halve eeuw, zeg maar de naoorlogse periode, of zelfs van de laatste decennia. Daar is niets op tegen, mits men maar beseft dat er allerlei lijnen - men denke aan de hiervoor genoemde kunstopvattingen - zijn te trekken van het verleden naar het heden.
Het heden - ook dat van de kunst - komt niet uit de lucht vallen. In wat hierna volgt zal ik het begrip in de zojuist beschreven beperkende betekenis gebruiken.
Naoorlogse literatuur
De literatuur van de laatste halve eeuw is niet gemakkelijk in kaart te brengen: de afstand in tijd is te klein. Het mes der geschiedenis heeft nog te weinig weggesneden. Hoe dichter men bij de eigen tijd komt, hoe moeilijker het wordt om van een kunstwerk te zeggen of het al dan niet 'waardevast' is.
Niettemin zijn er wel een aantal tendensen en invloeden te noemen die de naoorlogse literatuur in sterke mate bepalen.
Allereerst de Tweede Wereldoorlog. Hoewel ook de Eerste Wereldoorlog zijn sporen heeft nagelaten in het interbellum, is het wat ons land betreft vooral de Tweede Wereldoorlog die sterk bepalend is geweest voor het denkklimaat, de levens-en wereldbeschouwing van de naoorlogse kunstenaar. Veel naoorlogse auteurs hebben de oorlog bewust meegemaakt en die ervaring heeft hen voor een belangrijk deel gevormd. Veel naoorlogse literatuur speelt in een oorlogssituatie. In de oorlog zijn krachten naar boven gekomen - de mens is de mens een wolf, de verwoestende werking van de techniek, blijkens de vernietigingswapens, als uiting van het menselijk intellect, enzovoorts - die aan de basis liggen van een diepverankerd pessimisme ten aanzien van mens en maatschappij, kortom van het aardse leven als geheel. Het ontluisterend realisme - een brede stroom, ook in de recente literatuur - in veel naoorlogse romans staat hier niet los van. Een schrijver als Hermans was ervan overtuigd dat er geen principieel verschil is tussen oorlog en vrede - in beide beheerst chaos het leven - , maar dat chaos en zinloosheid in een oorlogssituatie explicieter zijn, dat het beest in de mens in zo'n situatie duidelijker zichtbaar wordt.
Het verlies van zekerheden is een tweede tendens. Het betreft het loslaten van overgeleverde waarden en normen, hetzij godsdienstig, hetzij humanistisch, hetzij politiek gekleurd. Het diepst ingrijpend is ongetwijfeld de vergaande secularisatie, de principiële Godloosheid, het ontkennen van elk metafysisch perspectief. Leven is een 'Sein zum Tode', om Heidegger te citeren. We constateren bij de naoorlogse literatoren een ware uittocht uit de kerk en een massale vervreemding van het christelijk geloof: ik denk aan Vlaamse schrijvers als Marnix Gijsen, Hugo Claus en Ward Ruyslinck en aan Noord-Nederlandse auteurs als Jan Wolkers en Maarten 't Hart. En vele, vele anderen... Het citaat van Hermans: 'God is een woord dat niets betekent', vat dit alles heel cru en heel compact samen.
Overigens is dit postchristelijke, dit Godloze karakter geen nieuw verschijnsel in onze literatuur. Vóór de Tweede Wereldoorlog treffen we het principiële atheïsme volop aan bij gerenommeerde auteurs als Menno ter Braak en E. du Perron, die een buitengewoon grote invloed hebben uitgeoefend, ook op de generaties van na de oorlog. Een halve eeuw voor hen traden de Tachtigers op. Schreef Willem Kloos, de voomaamste woordvoerder, niet een sonnet met de beginregel: 'Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten'? En in het midden van de 19e eeuw schreef Multatuli het gedicht 'Het gebed van den onwetende' met regels die in geen enkel opzicht misverstaan kunnen worden:
Ik weet niet of we zyn geschapen met 'n doel
Of maar by toeval daar zyn. Ook niet of een God
Of... Goden, zich vermaken met ons leed, en schimpen
Op de onvolkomenheid van ons bestaan.
Nee, het postchristelijke karakter is niet nieuw. Nieuw is wel de massale omvang ervan.
Dit klimaat toont in een aantal opzichten een opmerkelijke verwantschap met bepaalde elementen in het existentialisme van Sartre en Camus. Het betreft aspecten als existentiële eenzaamheid, het in de wereld geworpen zijn - met negatie van een Schepper - , de leegte, het Niets, wanhoop, levensangst, de absurditeit van het leven, het 'Sein zum Tode'. Na het leven de dood, in het leven reeds de dood, en daarna niets meer. Je mag niet zeggen dat de existentiefïlosofie leidde tot een literatuur met de genoemde tendensen. Het is niet zo dat de literatoren er eens goed voor gingen zitten om die filosofie te bestuderen en te doorgronden. Zo werkt het niet in de literatuur. Er is veeleer sprake van verwantschap, van een klimaat waarin ideeën van het existentialisme de reeds bestaande eigen visie konden versterken.
Een laatste tendens die ik wil noemen is die van de principiële twijfel aan de kenbaarheid van de mens en de werkelijkheid. Het betreft een kritisch-intellectuele houding, zonder geloof in een hogere werkelijkheid en zonder geloof in 'waarheden' van welke aard dan ook. Deze levenshouding wordt veelal getypeerd met de term 'postmodernisme'. Ons kennen is slechts fragmentarisch, er is geen enkele samenhang, de werkelijkheid is onkenbaar en ongrijpbaar. Mens, leven en werkelijkheid kennen geen logica. Scepsis en een verregaand relativisme bestrijkt alle levensterreinen. Vooral auteurs uit de laatste decennia - onder wie Gerrit Krol, Willem Brakman en Louis Ferron - geven hieraan uiting. Postmodernisme is een erg glibberig woord, maar is als term niet meer weg te denken. Zo spreekt men van postmoderne literatuur, postmoderne wetenschap en postmodeme filosofie. Ook hier, meen ik, is het beter om te spreken van verwantschap dan van directe invloed van een bepaalde - in dit geval postmodeme - filosofie op de literatuur. Het gaat mijns inziens ook hier primair om een reeds bestaand klimaat. In zo'n klimaat kunnen, op basis van verwantschap, bepaalde denkbeelden van postmoderne filosofen - ik noem de Amerikaanse filosoof Richard Rorty, die nog onlangs in ons land enkele lezingen heeft gegeven - en evenzeer van andere wetenschappers - bijvoorbeeld de Nederlandse historicus F. R. Ankersmit - uiteraard wel reeds (ten dele) aanwezige visies verstevigen.
* Lezing gehouden op 21 augustus 1997 te Oudewater in het kader van de Studieweek voor theologiestudenten van de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's