Die... Daar!
Voor mij ligt een bundeltje, uitgegeven door de HGJB.
Het is van de hand van Dick Schaap, een soort afscheidsbundel die handelt over diaconaat. Hoofdstuk 7 heeft als titel: "Die daar'. Daar ontleen ik de titel van dit artikel aan. Overigens: een bijzonder lezenswaardig boekje, waar ouderen en jongeren bij het doorlezen en overdenken van de verschillende hoofdstukjes snel en gedegen inzicht krijgen over de plaats van diaconaat binnen onze gemeente, en in ons persoonlijk leven.
Het begint met een bepaalde manier van kijken, van de werkelijkheid ervaren, en vervolgens wat dat jou persoonlijk doet. Met als consequentie: als het mij wat doet, dan doe je er ook wat aan.
Afstand
Met de gedachten aan andere mensen, in de verwoording van 'die daar' hebben we afstand geschapen. En let maar eens op hoe vaak we die afstand scheppen. Met betrekking tot andere culturen. Met betrekking tot groepen in de samenleving.
Met betrekking tot die jongeren met de kaalgeschoren hoofden. Met betrekking tot...
Met het scheppen van afstand hebben we een situatie geschapen, die meestal betekent dat we eerst onszelf hebben ingedekt. Wij doen niet als..., wij zijn niet als... (zie de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar). In de vele gezegden, die wij in onze taal kennen, zeggen we dan: 'wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht'.
Die daar... die afstand betekent ook, dat er totaal geen sprake is van relatie, van een verband tussen de een en de ander. Wat hebben we voor 'boodschap aan elkaar? ' Niets toch?
Die daar... let maar eens op hoe vaak we niet soortgelijke gedachten hebben, als we meisjes met hoofddoekjes zien lopen, duidelijk van Turkse of Marokkaanse afkomst. Die daar... dan is het al gauw dicht bij (of soms ook voluit!) rassistische gedachten. Maar ook in de afscherming van de verschillende geloven: ik ben lid van de christelijke kerk en zij zijn moslims. Wie van de twee is er het meest van doordrongen, dat hun godsdienst de ware, de enige ware is? Onlangs las ik een artikel, op nogal verbolgen toonzetting geschreven, dat er gelden van Unicef (het kinderfonds van de Verenigde Naties) bestemd was voor koranscholen in een land in Afrika. Zonder het geld te oormerken (= te bestemmen voor een nader aangeduid doel). Vanuit dat land horen we overigens steeds vaker dat de christelijke kerken beginnen te lijden onder de islamisering van dat land.
En o zo gauw komen we tot de gedachte: 'zie je wel, die daar...'.
Maar hoe zit het dan met ons eigen bewust-zijn? Kennen we onszelf wel?
Identiteit
Met de uitspraken 'die daar' is het gevaar levensgroot aanwezig, dat de christelijke kerk in Nederland zich gaat identificeren tegenover de ander. Dat wij ons 'het betere deel' van de samenleving voelen.
Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar dan lijkt het al snel in een soort 'zelfgenoegzaamheid' te verzanden. Dan is er weinig meer over van de gemeente, die weet dat zij in navolging van Christus moet leven, in de weg van de zelfverloochening haar kruis dient op te nemen. Een gemeente, die in Handelingen der Apostelen genoemd wordt: 'zij die van de Weg zijn'. Daarom is dit artikel een pleidooi om de eigenheid van ons gemeente-zijn niet te zoeken in een positiebepaling tegenover 'de ander', maar van binnenuit, vanuit het Evangelie. Een gemeente, die zich niet verschanst in een eigen veilig bestaan, maar juist zich gezonden weet in de wereld, die van de Heere God is! Een missionaire gemeente wil zijn, en daar ook naar zoekt in al haar geledingen.
Wie durft?
Wie zo op zoek is naar de eigenheid van ons gemeente-zijn, zal in het aannemen van de uitdaging zo naar onszelf te kijken, ook de moed moeten hebben om te veranderen.
Er is veel te zeggen over de gemeente. De Bijbel spreekt over beelden als de kudde, de wijngaard, de stal, het lichaam van Christus of ook het geestelijk huis. In het boek Handelingen der Apostelen wordt de gemeente door de mensen die daar buiten staan getypeerd als: ij die van de Weg zijn. Blijkbaar was de gemeente een beweging, waar een levend gebeuren intern plaatsvond, zoals samen eten, samen luisteren naar het Woord, samen bidden... Later horen we van een gezamenlijk verantwoordelijk weten voor de wereld om haar heen. In Marcus 3 : 14, 15 wordt de eigenheid van de gemeente omschreven als: En Hij (d.i. Jezus) stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij hen zou uitzenden...'. Drie dingen komen daarin te voorschijn:
Het initiatief ligt bij de Heere. De kracht van het gemeente-zijn is gelegen in de verborgen omgang met God. Vervolgens zien we dat de gemeenschap (die ook een intensieve gemeenschap met elkaar betekent: over eenheid in verscheidenheid gesproken!) niet een doel op zichzelf was: zij werden door Hem uitgezonden. Die moeten we niet van elkaar willen losmaken.
We hebben een boodschap aan 'die daar'! En omdat we die boodschap hebben vanuit het Evangelie, daarom vraagt dat allereerst en vooral de bekering van mijzelf. Om namelijk anders over de ander te leren denken. Niet als die daar maar als mens die vraagt: 'wil jij mijn naaste zijn? '
En elke keer, wanneer ik door houding en gedrag, of daadwerkelijk met woorden 'nee' zeg, stichtelijk ervoor bedank, of mijzelf verontschuldig want mijn tijdsplanning zit geheel vol (als variant op 'ik heb een vrouw getrouwd', 'ik heb... enz.); steeds weer loop ik de kans mis in die minste broeder of zuster iets van Jezus te zien, in die ander onze Heere te ontmoeten. Want dat lees ik toch in Mattheüs 25?
Anders kijken
Durven we nog naar de schepping te kijken als de schepping die van God is? Hebben we de moed om elk mens te zien als de mens, waarvan Psalm 8 zegt: bijna goddelijk!
Waarom zou wat ik lees in het Oude Testament niet tot op vandaag nog van toepassing zijn. Namelijk dat de Heere God bijzondere zorg heeft voor de zwakken en zij die niet in staat zijn verandering aan te brengen (wees, weduwe en vreemdeling, maar ook de gevangene, de gehandicapte en misdeelde). In Ezechiël 34 wordt het volk ronduit verweten: 'Jullie hebben de zwakken niet geholpen!' Kinderen van God, gelovigen van vandaag worden opgeroepen om bijzondere zorg voor de zwakken in de samenleving te hebben. Wat zal daar een krachtig getuigenis vanuit gaan, wanneer dat ook zichtbaar gebeurt!
Het doet me dan ook verdriet en pijn te zien en te horen, dat juist op die plaatsen, waar dat zichtbaar wordt (de inloophuizen die als paddestoelen uit de grond lijken te schieten) veelal de kerken een gereserveerde houding aannemen, en medewerkenden lang niet altijd 'trouw meelevende gemeenteleden' zijn. Hoewel het inloophuis vanuit de kerken ontstaan is! Het voert te ver om in dit artikel voorbeelden te behandelen.
Waar het mij om gaat is duidelijk te maken, dat we opgeroepen worden op een andere manier te kijken naar de werkelijkheid om ons heen. Vanwege het missionair-diaconaal gemeente-zijn!
Niet langer een afstand. Niet langer beoordelend. Niet langer vanuit een veilige plek, de 'luie stoel'. Maar betrokken, vanuit de Heere God bezien, met liefde én bewogenheid, vanuit de nadrukkelijke wil om te delen. Het Evangelie vraagt om gehoorzaamheid, waarvan de kenmerken zijn: horigheid aan Christus, saamhorigheid aan elkaar, bewogenheid met de wereld die van de Heere is! Hoe zou de liefde van God voor Zijn wereld ooit bekend worden, wanneer de gemeente van Christus dat niet zichtbaar en hoorbaar maakt door haar gezonden-zijn?
Bekering
Daarom roept diaconaat allereerst en steeds weer op tot de bekering van de gelovige mens zelf. Opdat we leren denken met de omweg, namelijk via de nooddruftige naaste.
Wie durft te denken vanuit het Koninkrijk van God, en dat is de omgekeerde wereld, toch? , die gaat een tweede bekering ervaren, namelijk dat de diaconale roeping hoort bij het hart van het Evangelie en daarmee het hart van het gemeente-zijn. Dat staat niet haaks op de verzoening: want wie de diaconale roeping ter harte neemt, zal meer en meer gaan inzien, hoe zondig we zijn en hoezeer wij Christus nodig hebben, om voor God te kunnen bestaan.
Ds. Smelt schrijft ergens in een artikel, dat er dan zelfs sprake is van een derde bekering: namelijk de ontdekking dat wij deel uitmaken van een door en door zondig economisch systeem waarbij de profetische kritiek al snel voor anderen toegepast wordt maar niet voor onszelf.
Ondertussen staan we weer aan het begin van een nieuw winterseizoen.
Voor wie zal ik in dit kerkelijk seizoen een naaste zijn?
Durf ik echt de ander meer te achten dan mijzelf, of ben ik in mijn hart niet anders, dan zij daar?
D. van Dijk diaconaal consulent Zuid-Holland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's