De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

Colin Tubron is een wereldvermaard schrijver van reisboeken. Zo maakte hij een reis van 10.000 km door centraal Azië, een deel van de vroegere Sovjet-Unie, die in afzonderlijke staten is uiteengevallen, en schreef daarover een imponerend boek 'Het verloren hart van Azie' (uitgave Contact). In Kirgizië ontmoette hij een doopsgezinde Koreaan. Op een vraag van de auteur 'Hoe bent u in het christendom gaan geloven?' volgt deze passage.

'Hij wendde me een bedaard, humorloos gezicht toe. "Ik werd nieuwsgierig", zei hij. "Ik wilde die Zuid-Koreaanse prediker zien die naar ons toe gestuurd was. Dat wilden we allemaal. Omdat hij u de kapitalistische wereld kwam." We waren gast op de plaats waar uit de palissade een Chinese poort oprees met naar boven gebogen dakranden "Maar later bleven we naar de kerk gaan omdat we een beetje met hem te doen hadden. Als we niet gingen, zou hij alleen zijn. En hij was van zo ver gekomen... Toen ontdekte ik dat ik begon te geloven. Ik weet niet waarom. Maar bij die dienst gaat alles er blij aan toe. U hebt gehoord hoe we zingen. Da voel ik mijn hart lichter worden." Hij hief zijn hand palmen op. "Op straat wordt alles grimmiger. Het is niet veilig meer, en niemand weet wat er kan gebeuren. Maar daarbinnen... Ik denk dat we God nodig hebben, denkt u niet? Als iemand een misdrijf pleegt en er is geen God, hoe kan hij dan ontzag leren hebben? "

Deze vragen kwamen onbeantwoord onder de Chinese zuilengangen met hun synthetisch geverfde balken terecht. God gaf betekenis in een chaotische wereld, zei hij. God was een artikel van levensbelang. Soms kon ik niet uitmaken of Pasja naïef of cynisch was.

Ik zei: "Je kunt God niet creëren omdat je hem nodig hebt. Maar Pasja had twee keer het Nieuwe Testament doorgelezen. Terwijl ik de heidense balbali in he gras bij Balasagoen bewonderd had, had hij de Openbaring van Johannes uitgelezen. "Vroeger maakte ik me de hele tijd druk om de toekomst', zei hij, "vooral om mijn kinderen. Maar daar ben ik nu mee opgehouden. Want als God iets geeft, is dat goed. Als hij niets geeft, is dat ook zijn wil. Dus wat maken we ons nog druk? "

Het was gemakkelijk te begrijpen: het afgezonderd  toevluchtsoord van de kleine kapel, met zijn reine mensen die zingen van vergeving, en de liefde van een Vader die historisch minder feilbaar is dan de snoevende Lenin op zijn poster "Ik denk dat er veel bij zijn omdat ze ongelukkig zijn", zei Pasja. "Hun mannen zijn dood of bij hen weggegaan. En niemand weet wat er gaat gebeuren nu de Kirgiezen en de Russen elkaar steeds meer op de zenuwen werken." Hij schuurde zijn knokkels tegen elkaar "Maar als we zingen, vergeten we dat." "Hebben jullie ook Kirgizische bekeerlingen? "

"Ja, bijna zeventig, ook voor hen is het moeilijker Ze zijn bang dat de moslims ze zullen vermoorden We gluurden de gebedshal in, waar onder Chinese lantaarns Chinese tapijten lagen uitgespreid. De vreemdheid ervan leek de ruimte te ontheiligen. "De islam is in Kirgizië niet echt sterk, maar niemand kan Arabisch lezen, dus weten de mensen niet wat de koran zegt en als een of andere molla roept: "Dood aan alle christenen"', dan geven ze daar misschien gehoor aan.''

Hier volgt nog eens het bekende gedicht van Jacqueline van der Waals 'Ik ben mijn zonde moe en mijn berouw', dat we aantroffen in een recent uitgegeven bundel met een keuze uit haar poëzie 'Schrijver moest ik als ik schreef' (uitgave De Groot, Goudriaan/Kampen):

Ik ben mijn zonde moe en mijn berouw.
Ik ben mij zelve moede en Ik ben
Het zoeken moe naar God, dien ik niet ken.
En dien ik toch zoo gaarne kennen zou.

Ik ben mijn zwakheid moe en mijn verdriet.
Mijn arbeid en mijn hoop en mijn genot.
Maar bovenal het zoeken naar mijn God! -
Ik ben het zoeken moede - maar God niet.

Hij ziet en kent mijn zonde en vergeeft
Ze zeventig maal zeven maal en meer.
Hij wil niet, dat mijn ziele sterft maar leeft.
O, wonderbare goedhield van den Heer
Die naar zoo moedeloos een ziel nog vraagt,
Die alle dingen, en ook mij verdraagt.

Bij uitgeverij De Banier te Utrecht verscheen een vierdelige uitgave 'Kanttekeningen van het Oude en Nieuwe Testament'. Bij dit standaardwerk schreef dr. C. A. Tukker, die de uitgave verzorgde, een afzonderlijk boekje, getiteld 'Aantekeningen bij kanttekeningen'. Een van de hoofdstukken daarin is 'Het joodse volk in de kanttekeningen'. Daaruit het volgende over de kanttekeningen van Walaeus bij Rom. 11 : 25.

'Wat bij Erasmus en Grotius gelovige Joden heet, heet bij de kanttekenaar van de Brief aan de Romeinen, Walaeus, vaak verkoren Joden, al ontbreken de uitdrukkingen gelovige en ongelovige Joden bij hem en de andere kanttekenaren niet.

Rest nog de vraag of deze verkiezing het hele volk betreft en of zij op de toekomst gericht is. Reeds bij de tekst Rom. 11 : 25 het slot stelt Walaeus, dat de verharding bestaat in ongehoorzaamheid en dat deze ongehoorzaamheid niet alle Joden geldt, "maer van eenige, hoewel seer vele. Want daer noch altijt eenigh overblijfsel is behouden geweest, ende daerna sullen se haer met groote menighte bekeeren". Die verharding is gekomen, zo zegt de betreffende kanttekening duidelijk, over Israël. "Dat is, het Israëlitische volck; de loden". Volheid der heidenen betekent "het volle getal ofte de menighte der heydenen ende gelijck als het lichaem derselve". Nu komt vers 26. "Alzo" in de woorden "alzo zal geheel Israël zalig worden" moet verstaan worden als een tijdsbepaling: alsdan, namelick als de volheyt der heydenen sal ingegaen zijn". Vervolgens wordt "geheel Israël" uitgelegd. "Dat is, niet eenige weynige, maer een seer groote menighte, ende gelijck als de gantsche loodsche natie." En "zalig worden" betekent: Namel(ijck) door de predicatle des Evangeliums krachtelick beroepen ende door den geloove gerechtveerdight zijnde". Bij Verlosser wordt verwezen naar het Hebreeuwse Goël, "waerdoor de Messias versteen wort, die als een naeste bloetverwant der loden haer uyt het verderf sal trecken ende verlossen".

Zonder twijfel doelt Walaeus op een bepaalde tijd waarin heel Israël zal zalig worden, en hij betrekt deze tijd op het moment waarop de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. "Heel Israël" slaat op een menigte, die hem doet denken aan de hele Joodse natie. En alles wat hij erover zegt, plaatst deze verlossing in de toekomst. Bij de woorden Rom. 11:27 - "En dit is hun een verbond van Mij", legt de kanttekening het woordje "hun" uit als "den loden, die derhalven, alsoo dit verbont onveranderlick ende vast is, noch bekeert sullen worden tot den geloove, opdat hare sonden daerdoor mogen vergeven ende wechgenomen worden". Bij de woorden "aangaande de verkiezing" maakt Walaeus de opmerking, dat dit is omdat God deze natie uit alle andere tot Zijn volk uitverkoren heeft, en nog onder dezelve Zijn uitverkorenen heeft. Eerder dan te menen dat Walaeus nu terugkomt op zijn eerdere aanduiding van de Israëlische natie en haar beperkt tot Gods uitverkorenen, lees ik erin dat wat op het ogenblik slechts zichtbaar is als Gods verspreide verkorenen, straks een natie zal zijn. Zo gelezen is deze kanttekening in overeenstemming met die op Rom. 11 : 25 en 26 (zie boven). Dezelfde Walaeus zegt in de kanttekening op 1 Thess. 2 : 16 inzake de betekenis van de uitdrukking "de toorn", dat sommigen wel menen dat Gods toorn over de Joden nooit meer zou ophouden, doch dit strijdt - aldus Walaeus - tegen de belofte en voorzegging van de apostel Paulus. Rom. 11 : 25 enz., mitsgaders 2 Cor. 3:15, 16 en andere plaatsen, waar de toekomende bekering van het volk der Joden tot Christus wordt geprofeteerd.

Juist de verkiezing die de achtergrond is van de kanttekeningen op Rom. 9-11, wijst de weg in de richting van het volk der Joden als voorwerp van Gods beloften, terwijl uitsluitende of al te nadrukke­lijke herleiding tot individuele bekering en geloof de weg zou geopend hebben naar individuele zaligheid en de vervulling van Gods beloften in een aantal Joden. Dit dilemma bestaat overigens wel in het gebruik van het woord verkiezing door de Statenvertalers, en ik kom er hieronder op terug. Het woord "natie" valt herhaaldelijk in dit verband. Ook lijdt het geen twijfel dat de kanttekeningen op deze teksten de weg naar de toekomst wijzen, al wordt die niet nader aangegeven dan verlossing en vergeving. De Statenvertalers waren overigens zonder uitzondering de mening toegedaan dat een Jood niet op een andere manier tot het heil in Christus komt dan een heiden, namelijk door geloof en bekering.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's