Kanttekeningen: toelichting, geen vooroordeel (2)
De kanttekeningen: nut en noodzaak
De vraag is nu, wat men dacht over het nut en de noodzaak van kanttekeningen. We menen dat iets daarvan reeds naar voren kwam, in de discussie ter synode over de verschillen tussen de oorspronkelijke talen en het Nederlands. Die verschillen zouden tot onduidelijkheid aanleiding kunnen geven. De vertalers moesten, zo zagen we, zich houden aan het Hebreeuws en het Grieks. Het taaleigen van deze klassieke talen moest bewaard blijven. Zulks hing naar onze mening samen met de stellige opvatting, dat juist in die talen de boodschap van het evangelie was geïnspireerd. De opgekomen taalstudie bewoog zich reeds in de richting van een onfeilbare overgeleverde tekst. Men ging wat dit betreft spoedig zo ver, dat men ook van mening was dat de Masoretische tekst voor het Oude Testament als zodanig door de Geest was ingegeven. Vandaar de hoge eerbied voor de grondtalen.
Men moest echter toegeven dat niet alle Hebraïsmen en ook niet alle uitdrukkingen van het Griekse taaleigen zonder meer in het Nederlands verstaanbaar zouden zijn. Daarom werd vastgesteld, dat wanneer zich op dit punt een moeilijkheid zou voordoen, dit op de kant diende te worden aangegeven. Een zin zou verduidelijkt kunnen worden door er een of twee woorden aan toe te voegen. Dat zou kunnen gebeuren door enkele woorden met een ander lettertype weer te geven, tussen haakjes te plaatsen of cursief te drukken. Zo konden ze van de tekst zelf onderscheiden worden. En zo kon de lezer zelf oordelen. Men wilde een toelichting geven. Men wilde niet over het oordeel van de lezer beslissen, met andere woorden, men mocht geen vooroordeel geven in de kanttekeningen.
Overal op de kant zouden ook de gelijkluidende plaatsen worden aangegeven. Daarmee zou de lezer gediend zijn, die naar de gereformeerde regel voor de uitlegkunde, in staat zou zijn om Schrift met Schrift te vergelijken en zodoende die andere regel van kracht te laten zijn, namelijk, dat de Schrift zichzelf uitlegt: de Schrift is haar eigen uitlegster. Korte verklaringen zouden bijgevoegd kunnen worden, waardoor bij de meer duistere plaatsen rekenschap werd gegeven waarom men op die manier vertaald had. Algemeen was men van oordeel, dat het niet noodzakelijk en evenmin geraden was om opmerkingen van leerstellige aard te plaatsen. Niet noodzakelijk en niet raadzaam. Dat waren de twee overwegingen, die men inbracht bij het bepalen van wat een kanttekening zou moeten inhouden.
In de uitlegkundige traditie zijn aantekeningen op de kant, zogenaamde marginaliën bekend. Men schreef ze vroeger ook wel tussen de regels. Luther gaf voor zijn studenten een eigen editie van de uit te leggen tekst, met ruimte tussen en naast de regels, die dan gebruikt konden worden om aantekeningen te maken: schollen werden ze genoemd, ook wel glossen, dan voornamelijk wanneer het om een enkel woord gaat.
De vaderen hebben echter grote voorzichtigheid betracht, althans zo was het oorspronkelijk de bedoeling. Luther gaf in zijn editie van 1545 soms met een enkel woord de inhoud van een passage aan en verduidelijkte met een korte toelichting een tekst, die naar zijn mening deze behoefde. Calvijn ging in zijn commentaren breed in op de betekenis van een woord of een Schriftgetuigenis. Zijn werk betekende veel voor de geschiedenis van de bijbelverklaring, maar zelf was hij in zijn vertaalwerk uiterst terughoudend, om niet de indruk te wekken dat hij vertaling en toelichting door elkaar haalde. Ook de Dordtse synode stelde zich voorzichtig op. Zij was daarin wellicht gedachtig aan de uiteenzetting die de Engelse afgevaardigden hadden gegeven over het tot stand komen van de Engelse vertaling, de King James van 1611. Jacobus had zichzelf met de vertaling ingelaten en daarbij zich een felle tegenstander betoond van het gebruik van kanttekeningen. Hij had zich laatdunkend uitgelaten over de zogenaamde Geneefse bijbel, het kleinood van de eerste Puriteinen, die wel verklarende aantekeningen gaf, waarvan de koning zei dat ze zeer partijdig, onwaar, opstandig, gevaarlijk en verraderlijk waren. Geen wonder, omdat deze vrijheidsbijbel in een kanttekening de mening weergaf dat ongehoorzaamheid jegens een koning in bepaalde omstandigheden gewettigd was.
De Engelse afgevaardigden boden inzicht in de methode die in Engeland gebruikt was. Hun toelichting doet ons vermoeden dat de Dordtse vaderen in dit Engelse spoor zijn gegaan, hoezeer de vroege Puriteinen in Engeland zelf ook een ander gewild hadden. Wat de kanttekeningen betreft, de koning had bepaald, dat er geen aantekeningen op de kant zouden worden geboden, maar alleen gelijkluidende teksten zouden worden aangegeven. En ook, dat waar een Hebreeuws of Grieks woord een goede dubbele zin toelaat, de een in de tekst zelf en de andere op de kant zou worden weergegeven. Ook specifieke Hebraïsmen en Graecismen zouden daar een plaats krijgen. Zo kwamen dus de besluiten tot stand, die in Dordrecht ten aanzien van de vertaling en ook met het oog op de kanttekeningen werden genomen.
Sober, terughoudend, geen leerstelligheden, slechts een verstaan en verduidelijken van de tekst: dit was de bedoeling. Deze besluiten waren de eerste, die op de synode werden genomen. Zij waren, we schromen niet om het te zeggen, ook wel een van de allerbelangrijkste. Men zou de vraag kunnen stellen of de richtlijnen die in de acht zittingen, die de synode aan de bijbelvertaling wijdde (van maandagmorgen 19 november tot en met maandagmiddag 26 november 1618), werden opgesteld anders zouden hebben geluid, wanneer de bijbelvertaling en de kwestie van de kanttekeningen behandeld zouden zijn aan het eind van de vergaderperiode, nadat de hele zaak met de Remonstranten was afgehandeld. Met andere woorden: heeft de uitvoering van deze besluiten beantwoord aan hetgeen men zich daaromtrent had voorgesteld?
Planning en uitvoering
Hierover wil ik nog enkele opmerkingen maken. De eerste is deze, dat de Statenvertalers, de revisoren en de anderen, die hun werk gedaan hebben, zich gehouden hebben aan hun opdracht, zeker wat de taalkundige kant van hun werk betreft. Zij hebben gebruik gemaakt van de middelen waarover zij maar konden beschikken. Daartoe behoorden de beschikbare commentaren, waarbij zij beslist niet kieskeurig waren in het maken van een keus. Grammatica's en woordenboeken, waarover zij konden beschikken, hebben ze inderdaad geraadpleegd. Zij hebben vanzelf gebruik gemaakt van de vertalingen die vóór hen op de maito waren. Zo was immers ook besloten, dat zij niet nodeloos zouden afwijken van de oude vertaling. Ze hebben ook gebruik gemaakt en dat op overvloedige manier van de rabbijnse exegese, waarover zij op een directe manier konden beschikken alsook door commentaren waarin deze uitleg werd toegepast, ruimhartig te gebruiken. Zij volgden, als ik daarvan een voorbeeld mag geven, voor wat de Psalmen betreft de Straatsburgse reformator Martin Bucer, die zelf in zijn commentaar op de Psalmen zich vrij regelmatig in de uitleg van de rabbijnen had verdiept. Het is bekend, dat een vertaling die in de tekst gegeven wordt, in de kanttekening wordt vergeleken met een, waarin een andere betekenis van een woord wordt geboden. Inderdaad getuigt de kanttekening van een grote, respectabele kennis van de literatuur, die in die tijd beschikbaar was. De vertalers hebben zich niet geschaamd om, als ik een beeld van Augustinus en andere kerkvaders mag gebruiken, het goud der Egyptenaren in te voegen in het schone bouwwerk, dat zij bezig waren op te trekken. Dichter bij huis: zij hebben de joodse exegese ook vruchtbaar weten te maken voor de vertaling die in de christelijke religie zo'n uitnemende plaats zou ontvangen.
Toch hebben de vertalers in de kanttekeningen zich met méér beziggehouden dan met taalkundige kwesties. Zij hadden weliswaar de opdracht om het leerstellig aspect terzijde te laten: opmerkingen van leerstellige aard waren niet noodzakelijk, zij waren evenmin raadzaam. Ik zei, dat men dit vaststelde in de eerste zittingen van de synode en ik vroeg of men zulks ook op dezelfde manier zou hebben besloten na het geding, waarin het ging om noodzakelijke leerstellingen, die men geenszins onraadzaam vond te behandelen. Met andere woorden, wat te zeggen van de theologie van de kanttekeningen na de afhandeling van het conflict met de Remonstranten.
Wie de moeite neemt om met zorg de kanttekeningen te bestuderen, met name die welke in de nieuwtestamentische brieven te vinden zijn, zal daar anti-roomse en ook anti-doperse opvattingen ontmoeten, evengoed als hij anti-remonstrantse uitleg zal vinden. Het is niet te bestrijden, dat de kanttekenaren verder zijn gegaan dan de hun aanvankelijke opdracht inhield. Zij hebben zich niet ingehouden om de gereformeerde theologie te laten klinken in hun verklaring van de Schrift. We stemmen met Grosheide in, dat zij zich hebben doen kennen als gereformeerde theologen van hun tijd. Men kan uit de kanttekeningen de gehele gereformeerde theologie aflezen. Dat was de theologie, zoals deze zich ontwikkeld had in hun dagen. De vertalers behoorden tot de vierde generatie vanaf de Reformatie. Ze waren leerlingen van Beza en diens theologie onderscheidt zich van die van Calvijn in de methode.
Maar zij presenteert de gereformeerde theologie, zoals deze ook in Dordrecht in een zeer oecumenisch Europees gereformeerd gezelschap was vastgesteld. En zo is de Statenvertaling tegelijk een spiegel van deze gereformeerde oecumene uit de zeventiende eeuw.
Een voorbeeld van een en ander zou men kunnen vinden in de kanttekening op het Hooglied. Daar is in zekere zin Beza present, sterker nog is daar de betekenis en invloed van Godfried Udemans. Dr. M. Verduin heeft in zijn omvangrijke studie over de kanttekeningen slechts kunnen bevestigen, wat Udemans zelf in de dedicatie van zijn 'Korte en duidelijke verklaring over het Hooglied' uit 1643 schreef, namelijk dat de vertalers hem de eer hadden aangedaan, om zijn verklaring niet alleen na te zien, maar dat zij die ook voor het grootste deel geapprobeerd en gevolgd hadden. Hij voegt er uit hoogachting voor de kanttekenaren aan toe: 'welcke approbatie wy meer achten, als van hondert andere in 't particulier, overmits sy uyt den naem van de algemeyne Nederlantsche Kercke gedaen, ende by soo vele treffelicke revisores in qualiteyt als voren bevestight is'. Men zou deze verklaring evenals die van Beza de ecclesiologische kunnen noemen en niet in de eerste plaats de mystieke. Ik noem dit voorbeeld om te laten zien dat de kanttekeningen te lezen zijn als expressie van de gereformeerde theologie van onmiddellijk na Dordt.
Als we daarin gereformeerde theologie aantreffen, dan zien we tegelijk wat daarvan een van de belangrijkste kenmerken is. Het is de nauwe en onverbrekelijke relatie, die er is tussen deze theologie en de Heilige Schrift. De kanttekeningen behoren vlak bij de tekst te staan, zoals de gereformeerde theologie nimmer ook maar één moment van de tekst van de Heilige Schrift kan worden losgemaakt. Ook hier is de geschiedenis verder gegaan. Theologie heeft zich somtijds in de gereformeerde traditie op losse voet ontwikkeld naast en zonder wezenlijke relatie met de Schrift. Vandaar de wrange vruchten, die in moderne theologie opgeleverd worden. In tegenstelling daarmee treffen we hier aan de voorwaarden die voor elke theologie van betekenis zijn: het samengaan van bijbeltekst, exegese en leerstelling of dogmatiek.
Deze opmerkingen willen tenslotte in geen enkel opzicht bedoeld zijn alsof de Statenvertaling een zaak zou zijn geweest voor en van theologen. Integendeel. Wat Bogerman bedoelde was niets anders dan dat de mensen in dit land God zouden horen spreken in hun eigen taal. En die mensen waren de duizenden die de tekst in handen kregen, en die zelf het Woord nu konden lezen, en die ook zelf konden oordelen. Immers daartoe leverden de kanttekenaren hun werk: opdat de lezers zelf zouden oordelen 'wat van de zaak zij', zoals zo kernachtig wordt meegedeeld in de kanttekening op 2 Sam. 1 : 10. En daarmee was een wezenlijk reformatorisch ideaal gemoeid. De christenen hebben de bijbel nodig om te kunnen oordelen wat van de zaak zij. In de zestiende eeuw waren bijbelvertalers de brandstapel opgegaan, omdat zij de bijbel bij het volk hadden gebracht. Die tijd was voorbij toen de Statenvertalers in Leiden hun werk deden. Maar hun ideaal was geen ander, dan dat zij de Schriften het liefst zagen in de hand van de mensen zelf. Niet alleen in de hand van de predikers, die in hun toepassingen nu nuttiger en vromer zaken aan de orde zouden kunnen stellen in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoeling van de Schrift. Vooral ook wensten zij die Schriften in de hand van de christenen zelf, opdat deze zouden weten de weg te vinden tot Hem, die de weg, de waarheid en het leven is. We spreken de hartelijk ewens uit dat ook deze nieuwe uitgave geheel en al in dienst mag staan van dit zuiver reformatorische ideaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's