Wat bij schriftuitleg bedacht moet worden (9)
De Middeleeuwen
Ik ben me ervan bewust met grote stappen door de tijd heen te gaan. Er zou best wat op te merken zijn over Chrysostomos, Tichonius, Augustinus en Hiëronymus, maar het historisch overzicht maak ik niet te breed.
In de middeleeuwen komt eigenlijk niet zo heel veel aan bod wat voor dit tijdvak nu specifiek is. Men hield zich vaak bezig met glossaria te schrijven, verzamelingen en verklaringen van kerkvaders op de rand of opmerkingen van wat men letterlijk of figuurlijk opvatte. In dat tijdvak was voor de Bijbelverklaring de regel van Nicolaus van Lyra van belang die opmerkte: 'De letterlijke tekst onderricht, de allegorie doet geloven, de morele zin zegt wat je doen moet en de anagogie of zinnebeeldige uitleg beweegt naar iets of iemand toe.' Men beet zich in deze viervoudige regel vaak tevergeefs vast. Daar kwam bij dat steeds meer het pauselijk en kerkelijk gezag de overhand kreeg bij de Bijbeluitleg.
U weet dat er in het laatst van de middeleeuwen ook voorlopers van de reformatoren kwamen. Bij de Schriftuitleg mag met name dan de Engelse godgeleerde John Wiclif worden genoemd. Hij heeft het Schriftbeginsel het meest laten gelden. Hij leerde dat het Woord van God zijn eigen grammatica heeft en alle waarheid en gezag in zich bevat. Het kan niet liegen, het is immers de wet van Christus. Men moet Dit leren kennen want het geloof rust er op.
De reformatie
Met kracht hebben de reformatoren de noodzaak van de studie der grondtalen van de Bijbel bepleit, 't Gaat om de rechte kennis en de gemeenschap met God. Reeds Luther behandelde op college de Bijbelboeken Genesis, Psalmen, Galaten. Melanchton hield zich met name met de Paulinische brieven bezig. Zwingli verklaarde de Evangeliën en de Brieven van het Nieuwe Testament. Tenslotte was daar Calvijn, die een commentaar op bijna alle Bijbelboeken schreef, of in preken deze behandelde. Als bijzondere regels voor de uitleg gelden dat
a. de Heilige Schrift als Gods eigen Woord te aanvaarden is;
b. Deze om haarszelfs wil geloofd moet worden en geloofwaardig is;
c. verlichte ogen des verstands nodig zijn om Deze te verstaan;
d. De Schrift Zelf de beslissende instantie is bij de uitleg, niet de Kerk;
e. alle willekeurige vergeestelijking verworpen moet worden.
Wat kon Luther zich kwaad maken over het verknoeien van teksten door gewilde allegorische verklaringen. 'Men ziet zelfs kans een pot zuurkool te vergeestelijken!' Ook Calvijn heeft zich scherp uitgelaten over knoeierijen met de Schrift zoals de papisten en wederdopers toepasten!
Beiden wilden niets weten van enig gezag van de Apocriefe boeken, waaruit de Roomse Kerk trouwens ook veel dwalingen heeft geput.
Exegese en dogmatiek
Het is hier denk ik de plaats om iets over de verhouding van beide te zeggen, juist vanuit de Reformatie.
Aan de ene kant moet ervoor gewaakt worden de gemeente dogmatiek voor te schotelen op de kansel. Dan zou men naar de hervormers 'de gemeente slechts botten zonder vlees voorzetten'. Men late het Woord Zelf aan het woord komen, uitgaande van de betekenis der Schriftwoorden. Met achting mag worden gelet op wat kerkleraren van vroeger hebben geleerd. Dat behoedt er voor de Schrift te wringen naar de persoonlijke opvatting van iedereen. Maar de Schrift is en blijft de hoogste rechter over de uitlegging van de Schrift. Nimmer mag de dogmatiek over de Schrift gaan heersen en dwingend de exegese voorschrijven. Wanneer de kanttekeningen op de Statenvertaling in Joh. 3 : 16, de bekende tekst 'alzo lief heeft God de wereld gehad...' en de wereld verstaan als 'de uitverkorenen' is dat, met alle achting voor de Statenvertalers overigens, een dogmatische exegese. Het woord 'kosmos' betekent veelmeer en veeleer 'de door God geschapen wereld', die hoewel in het boze gevallen door God niet wordt losgelaten. We mogen de zending en gave van Gods Zoon niet beperken tot de uitverkoren Kerk. Integendeel, naar Gods belofte mag er juist door Christus' komst en verzoening verwachting zijn voor een verloste wereld, een verloste schepping, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop door Gods Geest vernieuwde mensen eeuwig zullen wonen. De Schrift is haar eigen uitlegger.
Maar dat mag ons ook niet verleiden tot een ondogmatisch exegetiseren, waarbij en waardoor alles van zijn plaats geraakt en in de lucht komt te hangen.
Tijdens een preekoefening van de gereformeerde Theologen Studentenvereniging 'Voetius' waarschuwde wijlen ds. L. Kievit tegen enerzijds dogmatisch exegetiseren, anderzijds tegen een ondogmatisch exegetiseren. Zoals het skelet of het geraamte in een lichaam alle organen bijeenhoudt, houdt de geloofsleer alles op zijn plaats. Denk maar eens aan het nut van de catechismusprediking! Alles komt op zijn tijd en in het juiste verband aan de orde.
De Reformatie heeft geleerd bij de Schriftuitleg de analogias fidei niet uit het oog te verliezen. Het gaat bij de rechte exegese om het argumenteren vanuit de door de Kerk beleden, vanuit en naar de Schrift, algemene geloofswaarheden, die de maatstaf van al wat in en door de kerk geleerd moet worden, bevat.
Gods Woord moet gelezen en verklaard worden in en met de vreze Gods om noch in leer noch ook in leven af te wijken naar rechts, om vrome mensen te behagen, of naar links om vlot te zijn en mee te gaan met de geest van de tijd. We moeten de Schriften zo lezen, alsof we God Zelf hoorden spreken en in ons midden tegenwoordig zouden zien. Deze laatste zin wordt door Luther zowel als door Calvijn van harte ondersteund.
Nog een verhaaltje. Ik was eens bij wijlen ds. Joh. V. d. Poel in Ede op zijn studeerkamer. Eerlijk zei hij: 'Ja, ik mis de studie die jij mocht hebben, maar ik heb de oudvaders. Ik houd meer van Luther dan van Calvijn, want de eerste durfde de mensen schurken te noemen en daar was Calvijn te netjes voor.' Toen ik vroeg of dat de echte reden was en of hij niet meer van beide hervormers had geleerd, lachte hij spontaan en zei: 'Je hebt gelijk.' Ik ging er nog op door en zei: 'Van Calvijn is de betuiging al schold Luther mij honderdmaal voor een hondsvot of wat dan ook zo zal ik hem toch duizendmaal een grote knecht van God noemen.' Dat was zieleadel. Ds. V. d. Poel begon te wenen en zei: 'Hadden we onder elkaar daar iets van, van wat Calvijn mocht beoefenen. Dat is nu de praktijk der godzaligheid.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1997
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's