De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Evangelicalisering van de kerken

Over enkele dagen (zaterdag 15 november) zal in Ede een RRQR-congres gehouden worden over 'De evangelikaalslag van het gereformeerde leven'. De RRQR is de reünistenvereniging van de studentenvereniging CSFR, een vereniging die zijn/ haar leden betrekt uit de gereformeerde gezindte. De invloed van de evangelische beweging lijkt heel sterk te zijn juist binnen kerken van genoemde gezindte. In het blad van de RRQR Wapenveld (oktober 1997) staat een gesprek te lezen met ds. Rob van Essen, predikant van de SoW-gemeente Utrecht-West. Na een uitvoerig gesprek over zijn levensloop (vanuit een buitenkerkelijke achtergrond via evangelische lijnen gekomen tot predikant in een reformatorische kerkgemeenschap), komt ds. Van Essen tot zijn visie op de oorzaak van de invloed van de evangelikalen juist binnen de kerken.

'We leven in een cultuur waarin ervaring heel wezenlijk is. Dat kwam in de jaren zeventig, onder andere met de opkomst van de sensitivitytraining. In de evangelische beweging heeft de ervaring altijd al een centrale plaats gehad. Hierin schuilt nu haar succes omdat het ervaring biedt met een orthodoxe boodschap. Het verbaast me niets dat de evangelische geloofsbeleving zo'n grote aantrekkingskracht heeft voor de orthodoxie. Wat de leer betreft zit men dicht bij elkaar. Wat echter ontbreekt in de orthodoxie is de beleving. Geloven is in de orthodoxie meer een zaak van theoretische bespiegeling dan van ervaring. Ik heb veel van Barth geleerd. Maar het tekort van Barth zit op het punt van de beleving. Bij Spijkerboer - waar ik veel aan dank - zat ik na het amen vaak met de vraag wat ik er mee kon. De preek was schitterend daar niet van, maar de vraag naar de praktische toespitsing bleef vaak onaangeroerd. En in de rechterflank van de orthodoxie gelden (bekerings)verhalen alleen voor bijzondere mensen.

Dit tekort wordt door de evangelicalen opgevuld. In evangelische kring wordt beter beseft dat gemeente-zijn op maandagmorgen niet stopt. Vaak kom je in de kerken toch een vorm van gemeenteleven tegen die lijkt op schouwburgbezoek. Wat we in de kerken missen is de ervaring in een bezield verband te zijn opgenomen. De kerk biedt te weinig een "way of life". Evangelische gemeenten bieden ook doordeweeks een band. Dat lijkt me essentieel.

Deze nadruk op ervaring van de klassieke evangelicals vind ik tot de huidige dag waardevol. Verder vind ik het centraal stellen van het lied van groot belang. Opwekking creëert altijd nieuwe liederen. Een psalmboek dat al eeuwen oud is, een liedboek van 1973, dat kan natuurlijk niet. Als je serieus neemt dat er elke vijf jaar een nieuwe generatie jongeren opstaat - met een ander levensgevoel - dan moet je daar in je benadering wel rekening mee houden. Dat doen de evangelicalen met hun Opwekkingsbundel. Die wordt elk jaar aangevuld. Want waarom zou alleen de Bach-cultuur de cultuur van de Heilige Geest zijn? Ik was deze zomer op een evangelisch congres in Amerika. Schitterende liturgie met opwekkingsliederen en dans in de kerk. De evangelicalen gebruiken altijd snel de nieuwe technische mogelijkheden. Dat deden ze in de vorige eeuw al. Ze zijn niet zo bang voor de wereld. In de orthodoxie is een angst voor wereldgelijkvormigheid, voor met je tijd meegaan, die je bij evangelicalen niet zo aantreft. Al is soms de visie op het gebruik van de middelen wel wat naïef.

Toch bestaat er tussen de orthodoxie en de evangelische beweging een belangrijk verschil op het punt van de ervaring van de mens als zondaar. Als je bijvoorbeeld Gunning leest, kom je die ervaring tegen. De moderne mens - ook de moderne evangelical - ervaart zichzelf echter niet meer als zondaar. In de evangelische beweging is het klassieke zondebesef vermoraliseert. Dan kun je ook makkelijker van de zonde af. Als je maar niet dit doet en niet dat, dan zit het wel goed. Bij de oude evangelischen - denk aan Finney - lag veel meer nadruk op de zonde. Op het ongehoorde af. Finney kon mensen volledig in paniek brengen. Maar kwam je daar doorheen dan was je eraf. Maar als je de zonde - zoals in de moderne evangelische beweging - vermoraliseert, kom je er uiteindelijk niet af. Ik heb een boekje geschreven onder de titel Wat óók in de bijbel staat met daarin een hoofdstuk over de rechtvaardiging van de goddeloze. Daar heb ik ontzettend veel reacties op gehad. Luther en Calvijn hebben gestaan voor een niet-moralistisch zondebesef.'

Doorgangshuis

'Ik zie dat ook in evangelische kring de overdracht moeizaam gaat. In hoeverre weet de huidige generatie evangelischen - toch grotendeels afkomstig uit de gereformeerde orthodoxie - de zaken door te geven aan hun kinderen. In hoeverre nemen zij genoegen met deze antwoorden. Hetzelfde vraag ik me trouwens af bij bijvoorbeeld Nico ter Linden. Want in de Westerkerk komen velen uit de gereformeerde gezindte, die het in hun eigen kerk te benauwd vonden omdat daar de zekerheden te stevig overeind stonden.

De evangelische beweging is voor veel mensen een doorgangshuis. Zes vooraanstaande leiders van Campus Crusade for Christ zijn priesters in de oosters-orthodoxe kerk geworden omdat ze ontdekten rootless te zijn. De kerk biedt roots. Ik zie dat ook in mijn omgeving. Ik zie vrienden oud-katholiek worden of rooms-katholiek. Zelf ben ik ontzettend dankbaar dat ik via Van Leeuwen de kerk binnen gekomen ben, met al de kritiek die ik er soms op heb. De kerk biedt mij continuïteit. Ze was er vóór mij, ze is er na mij. Ik hoef de toekomst van het christendom niet te verzekeren. Dat is het hijgerige van alle evangelische modellen van church-growth. Het schandelijke soms ook. Zo zei iemand mij dat ik uit Amsterdam-Oost weg moest, want daar zou ik niet meer kunnen groeien met al die buitenlanders. Ik moest naar een nieuwbouwwijk aan de rand van de stad. De kansarmen, de ouderen laat je dan gewoon stikken. Ik vind dat een onbarmhartige, marktgerichte manier van denken. Ik heb het Evangelisch Manifest niet ondertekend vanwege het feit dat de secularisatie en de maatschappelijke verantwoordelijkheid onvoldoende serieus worden genomen.

De evangelische beweging heeft op dit ogenblik in de kerk de wind mee. Toch maak ik me zorgen als ik waarneem dat men onvoldoende in gesprek gaat - denk aan het Evangelisch Manifest, denk aan Vurig verlangen - met de mens van nu, met de vragen van vandaag. Zo kent men eigenlijk het authentieke zoeken niet. Met iemand die oprecht zoekende is, weet men geen raad. Als je maar de goede knop indrukt dan moet het gevoel wel komen. Maar Buskes zei al dat als wij naar de kerk gaan God nog niet naar de kerk gaat. Men neemt in de evangelische beweging het lijden aan de Godsverduistering niet echt serieus. God is toch binnen handbereik? Ik weet niet of de evangelische theologie zoals die in Nederland is ontwikkeld een antwoord biedt op de secularisatie.'

Ds. Van Essen noemt Finney in zijn verhaal. Niet ieder zal direct weten wie hij daarmee bedoelt. Charles Grandison Finney (1792-1875) was een bekend opwekkingsprediker in de Verenigde Staten. Wie meer over hem wil weten, fcatï goed terecht in het proefschrift van dr.. A. van der Dussen 'De vrije keus? ' (uitg. Boekencentnim, 1993), En met Van Leeuwen bedoelt Van Essen de latere prof. dr. C. van Leeuwen, van 1977 tot 1993 oud-testamentieus in Utrecht, die hij leerde kennen toen deze predikant was in de psychiatrische kliniek Veldwijk in Ermelo.

De Brandende Kwestie

In Amsterdam bestaat al' vijftien jaar de Stichting Literaire Activiteiten (afgekort als SLAA). Ter gelegenheid van het vijftienjarig bestaan, spraken onlangs een aantal schrijvers zich uit over hun Brandende Kwestie. Eén van hen is Oek de Jong en in Vrij Nederland van 18 oktober stond zijn verhaal te lezen onder de titel Een metropool aan de Noordzee. Dat ik het begin van zijn bijdrage hier citeer is omdat hij vanuit zijn waarneming een beeld schetst van zijn kijk op ons land en volk.

'Ik rijd over een van de zesbaansautowegen rond Amsterdam, ik zie er de kantoorgebouwen en nieuwe woonwijken schoksgewijs de grond uit komen en besef dat ik at jaren niet meer heb gedacht: hier lagen de landerijen waar Nescio wandelde. Al heel lang gelegen heb ik de wijde omgeving van Amsterdam: prijsgegeven aan de bouw.

Ik loop door het centrum van de stad: een smeltkroes van rassen en culturen. Toen ik hier vijfentwintig jaar geleden aniveerde, was dat nog niet zo. In de boekwinkel liggen de gedichten en romans van de eerste generatie in het Nederlands schrijvende Turkse, Marokkaanse en Iraanse auteurs.

Ik zie een jonge vrouw dit met haar rechterhand een kinderwagen duwt, in haar linker een hamburger houdt en tussen rechterwang en - schouder een telefoon klemt, en zo, kwekkend met haar vriendin, hamburger vasthoudend en kinderwagen voortduwend, verplaatst ze zich door de menigte op het Rokin.

Op televisie zie ik een van haar man gescheiden en door haar zoon verstoten vrouw, de moeder van een toptennisser, over haar verdriet vertellen: wat ze allemaal voor die jongen heeft gedaan, hoe ze is gebruikt - en vanaf die dag vraag ik me af wat er met mensen is gebeurd, waarom ze ertoe overgaan om voor de televisiecamera en het oog van miljoenen over hun intieme leven te vertellen.

In de stad zie ik steeds meer dakloze zwervers en bedelaars.

In de metro voel ik het gevaar: jongens, met drugs in hun lijf, voor wie er geen grenzen meer zijn.

Honderdduizenden varkens moeten worden afgemaakt, omdat er even iets mis is gegaan in de bio-industrie. Honderdduizenden. De lijken worden met bulldozerbakken in vrachtwagens gekieperd. Elke avond zie je op het televisiescherm wel een paar van die slimme, nieuwsgierige of angstige varkensogen - dieren die dicht bij ons zijn, en vervolgens lijken, hangend op de punten van een bulldozerbak. Er gaat geen golf van afschuw door het land, er ontstaat geen verzet tegen de manier waarop varkens worden gehouden. Zo gaat men in een hoogbeschaafd land met dieren om.

Wel wordt er ondertussen heftig gedebatteerd over de aanleg van een tweede nationale luchthaven. In een land dat zo klein is dat een Boeing 747 er in een minuut of tien overheen vliegt.

Ik hoor de mannetjesputters van politiek en bedrijfsleven praten over de bv Nederland - alsof een land een mulitnational is. (...) Dit is een reeks alledaagse indrukken van een vierenveertigjarige Nederlander die zijn leven begon op het platteland. Een gevolg van dergelij­ ke indnukken is steeds vaker dat ik aan de toekomst van Nederland denk, of liever, er ontstaat als vanzelf een toekomstbeeld.

Dat verbaast me wel enigszins. Want van nature ben ik op het verleden gericht: ik kijk terug, ik overpeins wat is gebeurd, en een klein bericht over de ontdekking van een nieuwe gang in de piramide van Cheops doet me meer dan vijf pagina's politiek. Het heden fascineert me en het betovert me. Maar de toekomst Iaat ik graag aan anderen over: De toekomst - die komt wel, en altijd snel genoeg.

Desondanks dringt de toekomst zich de laatste jaren aan me op. Ik zie om me heen een "nieuwe wereld" ontstaan, weliswaar met mensen zoals ze al duizenden jaren zijn en nog wel lange tijd zullen blijven, maar toch een "nieuwe wereld" - hoe banaal dat ook moge klinken aan het eind van de twintigste eeuw.

Het toekomstbeeld ontstaat vooral onder invloed van de snelle ontwikkelingen in de digitale techniek en alle nieuwe mogelijkheden die daardoor zijn ontstaam en of zich al laten vermoeden. Ik houd er niet van om geïmponeerd te zijn door nieuwe technische vindingen (want er is nog wel iets anders dan techniek), maar ik beken: ik ben geïmpomeerd, en moet dat ook wel zijn, want ik zie de mobiliteit van mensen en kennis, geld en ideeën op een ongehoorde manier toenemen. De wereldcultuur is, althans in een oppervlakkige zin, een feit.

Naast die technologische revolutie is er de hoge bevolkingsdichtheid van ons land, die de komende decennia alleen maar zal toenemen. Er is de ongekende welvaart, die het mogelijk maakt om maar te bouwen en te bouwen. En er is het steeds sterker wordende beeld van een samenle­ ving waarin naast Nederlanders ook grote aantallen Surinamers, Antillianen, Marokkanen en Turken hun plaats opeisen.'

Wat is de plaats van de christelijke gemeente in die samenleving. Een marginale kunnen we zeggen. En toch, ze heeft naar Jezus' woord in haar midden een 'zoutend zout' te zijn. Zout lijkt ook een marginaal onderdeel van de maaltijd op mijn bord. Toch is ze allesbepalend voor de smaak waarmee ik eet. Het gaat daarom niet om een opvallende rol waarmee we de media dagelijks bereiken. Maar om een bewarende rol die de gemeente des Heeren te midden van de velen die God niet kennen of een geheel ander 'geloof' aanhangen, heeft te zijn. Zijn we dat ook? Of blijven we teveel hangen in de zoutpot? De zelfgenoegzaamheid die ds. Van Essen laakt in de evangelische beweging, komen we ook soms onder ons tegen. Wij zien het uiteindelijk toch wel goed, denken we dan. En als iedereen nu eens zou luisteren naar óns, dan zou het er wel heel anders uitzien in de kerk. Nou, ik ben blij dat velen niet weten hoe wij met elkaar omgaan omdat we het over SoW oneens zijn geworden onder elkaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's