De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Berust in des Heeren welbehagen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Berust in des Heeren welbehagen

C. H. Sukkel en de hervormde gemeente van Kesteren

18 minuten leestijd

Van tijd tot tijd willen we in ons blad een vraaggesprek publiceren met iemand die gedurende een langere periode van betekenis mocht zijn voor een hervormd-gereformeerde gemeente. Het motief hierbij is niet een mens centraal te stellen, maar het werk van God, zoals dat gestalte krijgt in het dagelijkse leven van de gemeente, te belichten. Vandaag deel 4: na Aartje Boon uit Molenaarsgraaf, D. Dekker uit Nunspeet en B. Marijs uit Arnemuiden nu de heer C. H. Sukkel uit Kesteren, die na lezing van het interview verzoekt het geheel af te sluiten met Psalm 106 : 1 t/m 5, waarin onder meer staat: Wie zal de mogendheden des Heeren uitspreken, al Zijn lof verkondigen?

Al op jonge leeftijd ontmoette Kees Sukkel uit Kesteren Koningskinderen. Door hun gesprekken besefte de jongen wat hij miste. Het kwam in zijn leven tot een levende klacht. Het kwam ook tot het grootste wonder: dat 'tobberds door God Zelf onderwezen worden'. Hij mocht een blik slaan op de lijdende en stervende Borg. 'Zal ik u eens wat zeggen? De liefde Gods verbrijzelt meer dan de wet!'

Als C. H. Sukkel, geboren in 1932, over zijn voorgeslacht praat, vertelt hij vooral over de genade die in het leven van familieleden openbaar kwam. 'In de eerste plaats wil ik zeggen dat mijn vader, die vijftien jaar ouder dan moeder was, een moeder en een halfbroer had die een ander leven kenden. Vader mocht zelf ook de Heere kennen.

Toen ds. J. van Wier in Kesteren kwam, werd tegen hem gezegd dat zojuist de laatste bekeerde mens overleden was: over die man, Rijk Vink geheten, wil ik iets vertellen. Vink kwam veel bij vader. Dan mochten mijn broer en ik een poosje opblijven. Je kroop als kleine jongen achter de potkachel, waar ik de gesprekken aanhoorde. Daar heeft de Heere me de eerste indrukken van dood en eeuwigheid gegeven. Ik was een jaar of zes, keek tegen die mensen als tegen Koningskinderen aan, want wat was het geval? Als het voor hen eeuwigheid werd, mochten ze naar de Heere toe. En als het voor mij eeuwigheid werd, zo begreep ik uit de gesprekken, dan stond ik er buiten.

Er ging gunning van hen uit. Als Vink, die boerenknecht was, van de Heere opening had, kon je hem in zijn tranen wassen. Hij had in één nacht de drie stukken mogen doorleven. Ik hoor het hem nog zeggen: "Ik lag te tobben en te schooien op dat kamertje boven de koeien, zodat een van de knechts op z'n Kesters riep: '"Houde gij maar rustig. Rijk, want de duivel zal jou niet krijgen'". De man sprak onbewust op een spottende manier de waarheid.

Mijn vader heeft ook veel tijden gehad waarin moeder tegen hem zei: "Maar Willem, bende gij nu een bekeerd mens? " Moeder was een vrouw die trouw meeleefde, ook oude schrijvers las. Er ging van haar een bepaald onderwijs naar ons uit. "Het moet waarheid in het binnenste zijn", zei ze.'

Geen grove zonden

'Mijn vader stierf in september 1940 aan maagkanker. Moeder hertrouwde met een man uit Achterberg, die hervormd dooplid was. In de opvoeding bleef hij de lijn volgen die mijn vader had, al kwam hij later bij de oud-gereformeerden in Lienden terecht. Hij liep altijd naar Lienden. Toen ik, wat dan genoemd wordt, in mijn ongeluk liep, zei hij: "Kees, als de Heere een mens komt te overtuigen van zijn zonde, zal het ook wel tot zonde worden dat jij met de auto naar de kerk gaat". Ik zei: "Vader, het gaat veel verder. De kerkgang op zich wordt tot zonde, omdat als we uit plicht gingen en nooit de Heere hebben bedoeld".

Niet alleen thuis, maar ook onder de prediking werd Sukkel aangesproken. 'Ik weet niet meer welke dominee ooit sterk erop aandrong dat we de Heere Jezus nodig moesten krijgen. Maar in mijn hart leefde: Wat zal ik met Hem moeten doen? Ik wilde wel bekeerd worden, later. Toch was er een bepaald contact met de Heere in die zin dat ik nooit grove zonden wilde doen.

De eerste dominee van Kesteren die ik me herinner, is ds. T. J. Doornenbal. Er lag in zijn preken onderwijs. Ik herinner me nog de preek over Jacob: "Daar heb ik Rachel begraven en daar heb ik Lea begraven". Die preek sprak me aan, al kan ik niet meer zeggen in welke zin. Ds. Doornenbal was een heel lieve man voor de jeugd, voor de ouderen net zo goed. Toen mijn oma van moeders kant begraven werd, stond ik als kleine jongen tegen zijn knie uit te huilen.'

Vindt u het jammer dat ds. Doornenbal meer bij Oene dan bij Kesteren hoorde?

'Mij heeft altijd verwonderd dat je in zijn boeken leest dat Gerard den Hartog bij hem ouderling was, terwijl hij Rijk Vink niet noemt, die beslist een kind Gods was. Nu was Vink ook wel erg nuchter. Als iemand bij hem kwam terwijl hij aardappels rooide, zei hij: "Als je iets wilt bespreken, kom vanavond maar terug, want nu moeten de aardappels eruit".

Bij ds. Van Wier heb ik catechisatie gevolgd. Het is niet tot eer van ons, maar ds. Van Wier had zijn handen meer dan vol aan ons. Tijdens de catechisatie legden we een natte zak op de schoorsteen van het platte dak van de fruitschuur waarin hij les gaf. We hoeven niet over onze jeugd te klagen, want het zat er toen ook al in.'

Was het terecht dat tegen hem gezegd werd dat de laatste bekeerde man in Kesteren net begraven was?

'Dat is ernaar wat u onder een bekeerde verstaat. Wanneer er in een mensenleven ritselingen des Geestes zijn, is dat al groot. Ik zei pas tegen een vrouw: "De Heere kan op zeer jeugdigde leeftijd een zaadje in het hart leggen, maar op Zijn tijd en wijze gaat het vruchten voortbrengen". Als u vraagt naar echt leesbare brieven, dan was Rijk Vink wel de laatste. Hij was een heel bijzonder iemand, niet om de mens maar om wat de Heere in hem gelegd had.

Kijk, nu is een ritseling bij de Heere net zo goed waar als iemand die doorgeleid is, maar als u zou vragen: "Noem naast Rijk Vink eens een tweede", dan zou ik het niet weten; ik zou het niet weten.'

Wonder

'Het was toen en het is nu een arme tijd, maar de Heere is niet minder. Hij blijft Dezelfde! Wanneer ontmoet je nu echter eens iemand die alleen al in zijn ongeluk loopt? Wanneer een mens tot bekering komt, hetzij vroeg of laat, komt hij op een punt dat hij afgesneden wordt. Het is de armoede van onze tijd en van veel prediking dat er niet meer klaar en duidelijk gesepareerd wordt. Er moeten zaken in het leven plaatshebben.

Nu weet ik best: er is een bekommerde kerk, een bevestigde en een triomferende kerk. Maar een bekommerde kerk die het altijd in de bekommernis houden kan, vind ik niet best. Ik zei ooit tegen iemand: "Tien jaar geleden klaagde je over je zonde en nu doe je dat nog, maar is het ooit een levende klacht geweest? " Want voor mij staat vast dat iemand die door God aan zijn ongerechtigheid ontdekt wordt, het daarin niet kan uithouden. Hij leert het recht Gods billijken, al zou de Heere hem eeuwig voor Zijn aangezicht wegdoen. Dan is Hij nóg recht. Maar dan het wonder, dat die mens God toch achteraan kleeft en achteraan klaagt. Dan mag hij achteraf verstaan dat het stuwingen van de Geest geweest zijn. Dat hoor je zo weinig.'

Onze jongeren zijn toch bewuster dan in vroeger dagen. Herkent u dat?

'Ik weet het niet. In de tijd van ds. B. Haverkamp heb ik tegen hem en de kerkenraad wel eens gezegd dat het lijkt of de Heere tegenwoordig in duplo werkt. Als ik kijk naar het avondmaal: jonge gezinnen, man én vrouw gelijk aan de bediening. Als je er op huisbezoek in een bepaalde mate een onderzoek naar in wilt stellen, hoor je dat het "tot versterking van mijn geloof' is. Maar wat is dat geloof? Dan mis ik de worstelingen bij de Heere. Ik bedoel dat echt niet om mensen terug te stellen, maar het doet me zéér. Ik heb in de consistoriekamer pas gezegd: "Mannen, ik kijk ernaar uit dat er nog eens zo'n ongelukkige tobberd hier binnen komt lopen". Ik weet zeker: die tobberds worden op Gods tijd onderwezen. Hij is het Die hen leidt.'

Zwarte bladzijde

Nadat ds. Van Wier in 1950 Kesteren verliet, diende ds. C. van den Berg de gemeente vijftien jaar. 'Hij is hiervandaan naar Sellingen gegaan en ik meen dat hij daarna in Arnhem stond. Die periode is een heel zwarte bladzijde in de geschiedenis van Kesteren. Niet alleen bij de dominee, maar ook bij onze kerkenraad en kerkvoogdij ging het hard tegen hard. De oorzaak was puur zakelijk, want het ging over geld lenen voor het stichten van een kleuterschool. Ik ben altijd bij ds. Van den Berg blijven kerken, heb in die tijd wel eens tegen kerkenraadsleden gezegd: "Als er zoveel gebed geweest zou zijn als er nu gekletst is, dan had het heel anders gelegen". Bij zo'n houding is de dominee niet verkeerd geweest, maar word je zelf de diepste oorzaak. In die tijd, in 1967, heeft de Heere me bekendgemaakt wie ik zelf was.

Ds. Van den Berg is vertrokken en had een afscheidspreek uit Timotheüs die veel voor mij betekende: "Evenwel, het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: de Heere kent degenen die de Zijnen zijn, en een ieder die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid".

Eerder was hij met ziekenverlof gestuurd, bleef de kerkenraad weg en kregen we toegevoegde ouderlingen uit de ring. Toen een gastdominee bekendmaakte dat ds. Van den Berg terugkwam, stonden de mensen vrijwel allemaal op. We bleven met 25 man in de kerk zitten.'

Was zijn preek anders dan Kesteren gewend was?

'Ach, Kesteren had hem beroepen. Hij was zeker Schriftuurlijk, maar lag er ook bevinding in? Dat kan ik niet zeggen. Toen de kerk uit was, fietste ik naar huis en hield iemand me aan: "Joh, Sukkel, waarom ben jij de kerk niet uitgegaan? " "Ja", zei ik, "dat ben ik wel, anders kon ik niet hier staan. Maar waarom ben jij eruit gegaan? " De hele gemeente is in die tijd uit elkaar geslagen. Men kerkte in Rhenen, in IJzendoorn, in Opheusden bij ds. Catsburg. Toen ds. Van den Berg weg was, moest de kerkenraad herkozen worden.

Op 23 oktober dat jaar was ik op een verjaardag bij kennissen. Er was iemand tot ouderling aangesteld en die man kwarn ter sprake. Ik heb ook mijn mening gezegd en toen ik naar huis liep, zei een nicht: "Kees, er is vanavond veel te veel gepraat". Ik zeg: "Ja, Riek, dat ben ik me ook bewust, maar het is niet te herroepen". Ik kom thuis - mijn vrouw sliep al - , ik pak de Bijbel en lees de roeping van Jeremia. "Eer Ik u geroepen heb, heb Ik u gekend en eer Ik u uit de moederschoot voortbracht, heb Ik u geheiligd." Toen dacht ik: "Nu weet ik wat wij voor ouderlingen moeten hebben". Dat heb ik bij de mensen op die verjaardag weer verteld. Ambtsdragers horen een ander leven te kennen, een leven dat uit God is.

Een paar dagen daarna was ik aan het ploegen. Ineens krijg ik de klap naar binnen: "Is het niet het ergste dat je zelf niet geschikt bent? " Daarin is de Heere doorgetrokken. Wat heb ik in die tijd geschooid bij de Heere dat Hij mij m'n zonde bekend zou maken, opdat ik Hem in waarheid zou nodig krijgen. Als dat werkelijk gebeurt, dan heb je het niet breed. Dan schiet er één ding over: dat je verloren moet gaan. Ik had zonde van de aarde tot de hemel toe. Het was één getuigenis van de aarde tot de hemel tegen me, maar dan het wonder. .. Dat wonder bij God vandaan dat het daar niet bij blijft.'

Zicht op Christus

'Dat wonder is nooit klein te krijgen. Ik heb iets mogen beleven wat niet in woorden is uit te drukken: hoe de Heere Jezus Christus in de weg van lijden en sterven de deugden Gods heeft verheerlijkt en heeft verworven dat een zondaar zalig wordt. Toen me dat geschonken werd, toen ik een blik op die lijdende en stervende Borg mocht krijgen, kon ik er iets van begrijpen waarom Petrus wenend naar buiten liep toen de Heere hem aankeek. Dat was geen blik van verwijt. Dat is de liefde Gods. En wil ik u eens wat zeggen? Dat verbrijzeld! meer dan de wet. Dat verbrijzelt veel meer dan dat alle zonden en ongerechtigheid ons voorgeschilderd worden.

Een zwager van me zei later: "Probeer dat eens uit te leggen, die liefde Gods? " Ik zei: "Dik, ik wil het proberen". Ik heb er een paar woorden van gestameld, maar moest zeggen: "Dat laat zich niet bespreken, is alleen te beleven". Ik mocht de mogelijkheid aanschouwen van zalig worden in Christus.

Later heb ik in het geloof, geschonken door de Geest, mogen leren dat mijn zonden vergeven zijn. Ik had wel een zicht op Christus mogen hebben, maar mijn zonden bleven. Ik was niet met God verzoend. Daarna heb ik het in een nacht mogen meemaken, dat ik Christus weer mocht aanschouwen aan het vloekhout der zonde en toen mocht ik zien hoe dat dierbare Middelaarsbloed over mijn berg van zonde en ongerechtigheid stroomde. En toen was het weg!

En begreep ik de strekking ervan niet. Ja, mijn vrouw heeft 's nachts wat met me meegemaakt. Ik kon niet verklaren waarom ik nog steeds een leegte in me omdroeg. Ik kom bij mijn vriend Hakkert, waar ik diens schoonzoon, ds. G. Hendriks, ontmoette. Die vraagt: "Hoe is het? " Ik: "Het is net of ik een heimwee heb, ik draag een leegte in me om". Hij antwoordt: "Weet je wat dat is? Dan mis je de zekerheid, de goedkeuring van God de Vader op het borgwerk van Christus over jouw persoonlijk zielenleven. Als dat je deel mag worden, mag je in de zekerheid van het geloof leven". Dat bracht mij weer aan het vragen en zoeken bij de Heere.

Op een avond voor het naar bed gaan zit ik te lezen in Johannes 5 en 6, waarin de verhouding tussen de Vader en de Zoon uitgeschilderd wordt, dat de Heere Jezus niets kan en wil doen buiten de wil des Vaders. Toen begreep ik dat als Hij mijn zonden had weggewassen, dat dat de wil des Vaders was. Ik ging naar bed, liep over van de weldaden Gods. Het is niet te verwoorden als God niet meer op je toornen en schelden zal.

Later komt een mens ook tot de ontdekking dat hij nog een oude mens in zich omdraagt. Nu is er één begeerte bij me: om van stap tot stap door Hem geleid te worden.'

Kwam de Heere in uw leven terug op Jeremia?

'De man die voor ouderling stond, is gekozen en bevestigd, maar op de trekker maakte de Heere mij toen bekend dat ik eenmaal de plaats van die man zou innemen. Dat heeft nog vier jaar geduurd. Ik heb er altijd tegen lopen vechten, maar toen het zover was, heeft Hij de moelijkheden weggenomen met het vers uit Psalm 3: "Maar trouwe God, Gij zijt het Schild dat mij bevrijdt, mijn eer en vast betrouwen". Zo mocht ik het ambt aanvaarden.

Ik heb wel eens vrijmoedigheid gehad op een ringvergadering te zeggen: "Als ik de Heere werkelijk nodig had, heeft Hij me nog nooit in de steek gelaten". Op die God kan gebouwd worden, maar als er wat hapert, ligt het bij ons.'

Leven bij het Woord

'Ik zit wat mijn ambt betreft met bergen van moeilijkheden. Vroeger waren de mensen toch afhankelijker van de Heere. Ik zou zo graag willen dat er meer een leven bij het Woord was. Een grote groep wil nog wel een mate van godsdienst, maar niet dat een mens verloren moet gaan aan zichzelf en in Christus ingeplant moet worden. Dat is voor velen te ouderwets. De Heere zegt: "Ben Ik u een Vader? Waar is dan Mijn eer? " Hij moest van Israël ook al klagen.'

Kesteren kent in tegenstelling tot omliggende plaatsen geen afgescheiden kerk. Hoe kan dat?

'Wij hadden in de tijd van ds. De Knegt een afscheiding naar de andere kant. Een groep mensen ging samen met de gereformeerde streekkerk. In de eigen gemeente is het er wel rustiger door geworden, maar je bent die leden wel kwijt en krijgt ze niet meer terug. Het is een christendom dat een hoop mensen begeren: zondagmorgen een uurtje naar de kerk en 's middags naar het bos.'

De ouderling uit Kesteren voelt zich nauw betrokken op de Nederlandse Hervormde Kerk en bij de spanningen tussen gereformeerde belijders in die kerk. Op de kerkenradendag in Amersfoort stond hij vorig jaar achter de microfoon. 'Er zijn dingen verkeerd uitgelegd, nadat ik in Amersfoort wat gezegd heb, of ik ben niet duidelijk geweest. Op de ambtsdragersvergadering van het Gekrookte Riet in Maartensdijk in september zei iemand tegen me: "Sommige kerkenraadsleden zeggen: '"Sukkel zei ook dat we hervormd moeten blijven'", maar dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd: "Ik heb in de referaten beluisterd dat we schuldenaar voor de Heere moeten worden. Ik weet geen antwoord te geven wat we moeten doen, maar mijn vraag is: '"Zijn er hier ook die schuldenaar gemaakt zijn en van wie de schuld afgenomen is? '"" Toen heb ik gezegd dat ik er persoonlijk van mag getuigen dat de Heere het van me afgenomen heeft: berust in des Heeren welbehagen. Sukkel, wat is dan dat welbehagen des Heeren, zul je nu vragen. Dan verwijs ik naar Jesaja 53, waarin staat dat het welbehagen des Heeren door Christus' hand gelukkig zal voortgaan. Het welbehagen Gods is het zaligen van zondaren.'

En dat geschiedt door de prediking?

'Jawel, door de prediking. Wanneer we daar door de praktijk van de godzaligheid kennis aan mogen hebben, zal het ons als ambtsdragers heel zwaar wegen hoe dat Woord gebracht wordt. Mensen mogen niet op een dwaalweg gesteld worden. Dan zeg ik nu wat ik vorig jaar niet gezegd heb: als er iets mag leven van het verlangen van de dichter: "Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot, o Heere der legerscharen God, zijn mij Uw huis-en tempelzangen", dan zullen we ervoor moeten waken dat er bijbels gepreekt wordt. Ik heb nooit gezegd dat we moeten blijven of eruit gaan.'

Het gaat u om de geestelijke houding?

'Het moet op een wijze dat de Heere de eer krijgt en dat de mens niet bedrogen wordt. Op een classicale vergadering in Tiel heb ik over SoW gezegd: "Ik heb in 1968 belijdenis mogen doen, had toen al veel vragen bij de Hervormde Kerk". Toen zei ds. Muilwijk: '"Het is de moederkerk, en moeder is ziek'". Nu heb ik het SoW-proces gevolgd en moet ik concluderen dat onze synode in meerderheid een standpunt inneemt wat inhoudt dat op moeder euthanasie gepleegd wordt". Daar kwam wat tegenin. Er ging een gegons door de zaal.'

Stortvloed van tranen

'Ik heb in 1968 al mogen ervaren dat waar in de kerk het Woord wordt uitgedragen, ook de offers worden gebracht. Zullen we de kerk verlaten waar we onderwijs hebben ontvangen? Waar ik in 1968 op mijn eentje in het Liendense veld met het zicht op de kerk van Kesteren onder een stortvloed van tranen diezelfde Psalm 84 heb mogen zingen? De Heere gaf me daar onderwijs. Hij heeft het voor me bevestigd in drie preken van ds. S. de Jong. Dan zeg ik: Ik heb van mezelf uit geen vrijmoedigheid om weg te gaan.

Sinds 1968 heb ik me verschillende keren de vraag gesteld: Mag ik wel in de Hervormde Kerk blijven? Want je ontmoet ook mensen van afgescheiden kerken die mij vragen: "Als jij het daar uithoudt, dan zit het nog niet zo diep". Dan rees de vraag of ik mocht blijven en vroeg ik: "Heere, als het Uw wil is dat ik eruit ga, wilt U me dan de weg wijzen? " Ik tob hier al jaren mee, en nu is de Heere overgekomen, zoals ik in Amersfoort verteld heb. Ik mag berusten in des Heeren welbehagen. Voor een kerkenraad is het de vraag om de zuivere, bijbelse lijn te gaan. Ik voel me geen bonder of gekrookte rieter, maar iemand die in de Nederlandse Hervormde Kerk is geplaatst als ambtsdrager en die verantwoording draagt voor een prediking naar Schrift en belijdenis.

De kern van de zaak is toch dat een mens om God verlegen moet zijn. We zijn verplicht te strijden voor de zuivere prediking, maar wat is ons strijden? Hebben we er al eens een paar uur om wakker gelegen dat de eer van God ermee gemoeid is? Ik hoop dat de vruchten mogen zijn dat we er écht mee in de klem komen. Dan is er verwachting bij de Heere vandaan.

Zolang ik ouderling ben, ben ik lastdrager geweest. Al toen ds. S. de Jong intrede deed in Ouddorp en we in het verenigings­ lokaal napraatten, barstte ik in tranen uit en zei: "Mannen, luister nu eens: Jeremia moest Israël het oordeel aanzeggen. En toen hij dat gedaan had, mocht hij vertrekken? Nee, want we kunnen lezen dat hij op de puinhopen van Jeruzalem zit". Jeremia had de begeerte om ergens ver weg van het volk te verkeren. Dat herken ik, maar ik heb tot nu toe niet weggekund.'

'Tijdens een avondmaalsbediening mocht ik eens geloven: "Heere, Gij zijt ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslacht". Maar wij rekenen zo vaak en zo veel. Eén keer mocht ik gemeenschap ervaren met de kerk Boven. Ik zei ds. Haverkamp: "Ik word bepaald bij de kerk die de Heere in volmaaktheid mag bedoelen. ; Hier is het ten dele, maar ik wil de gemeente toch verzoeken te zingen wat Boven volmaakt gebeurt: De lofzang klimt uit Sions zalen, tot U met stil ontzag". Later zei er een tegen me: "Joh, dat vers heb I ik nooit meer zó horen zingen. Alsof de Heere erbij was in de kerk". Als Hij omgang heeft met zulke albedervers, dan is er vol verwondering maar één pleitgrond: het borgwerk van Christus.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Berust in des Heeren welbehagen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's