Groeiende kloof tussen 'geloof' en 'kerk'
Nederlanders opmerkelijk positief over de rol van de kerken
Nederlanders kennen de kerken een opmerkelijk positieve rol toe in het publieke debat, terwijl ze in het persoonlijk leven de kerken een steeds minder belangrijke rol geven. Er is daarnaast een groeiende kloof tussen geloof en kerk in Nederland, want het aantal mensen dat zich gelovig noemt, is sinds 1979 min of meer gelijk gebleven, terwijl de kerkelijkheid blijft afnemen. Katholieken vormen in Nederland verreweg de minst gelovige groep in traditioneel-christelijke zin. Ze hebben in vergelijking met gereformeerden en hervormden de geringste kerkelijke betrokkenheid, herkennen zich het minst in allerlei christelijke geloofsvoorstellingen en ervaren de band tussen geloof en leven het zwakst. En ten slotte is het kerkse en gelovige deel van de bevolking aanzienlijk meer dan de rest van de Nederlanders actief in het vrijwilligerswerk met idealistische doelen.
Dat zijn de belangrijkste conclusies van het boek 'God in Nederland 1966-1996' dat uitkomt bij gelegenheid van het 10-jarig bestaan van het RKK/KRO-programma Kruispunt TV en het 40jarig bestaan van de RKK-zendtijd. Onder 1300 personen van 17 jaar en ouder werd in opdracht van Kruispunt een representatief onderzoek gehouden naar de rol van geloof en kerk in Nederland. Daarmee werd het spraakmakende onderzoek van Margriet in 1966 en van de KRO en De Tijd in 1979 herhaald en kan nu de balans worden opgemaakt van 'dertig jaar God in Nederland'. Het onderzoek is gericht op de christelijke godsdienst en dan met name op de traditionele, kerkelijk georganiseerde variant daarvan. Deze godsdienst was nu eenmaal in 1966 de in Nederland dominerende godsdienst. De wetenschappers Gerard Dekker, Jan Peters en Joep de Hart begeleidden Kruispunt bij het onderzoek en schreven ook het boek 'God in Nederland 1966-1996'.
Kerken betrouwbare partners in publiek debat
Eerste conclusie uit het onderzoek is, dat er in Nederland sprake is van een dubbele houding ten opzichte van de kerken. Aan de ene kant worden de kerken voor het persoonlijk leven en zelfs voor het persoonlijk geloofsleven minder belangrijk, aan de andere kant wordt hun toch een belangrijke publieke rol toebedeeld.
Enerzijds hebben in de afgelopen drie decennia 100.000 Nederlanders per jaar de kerk de rug toegekeerd en vertoont het kerkbezoek ook onder kerkleden een dalende lijn (77% in 1966 tegenover 44% in 1996). Daarnaast hebben Nederlanders als ze met gewetensproblemen worstelen geen al te hoge verwachtingen van de kerk. Slechts 9% doet een beroep op een geestelijke (dertig jaar geleden was dat nog ruim eenderde), terwijl bijna tweederde van de mensen voor een vriend of vriendin kiest (in 1966 ruim 20%). Tenslotte oordelen ze minder goed - zij het nog altijd overwegend positief - over de geestelijken. Anderzijds veranderen de kerken van karakter, zijn ze er niet meer primair ten behoeve van het geloof van de kerkleden, maar worden ze publieke instellingen, die vooral worden gezien als betrouwbare partners in het publieke debat. Een ruime meerderheid van de bevolking (65%) acht de kerken betrouwbaar tot zeer betrouwbaar als bron van informatie over maatschappelijke en politieke vraagstukken (en een stuk betrouwbaarder dan de media, de vakbonden, de overheid en de politiek). Een groeiend aantal Nederlanders vindt, dat de kerken zich over actuele zaken moeten uitspreken en niet minder dan 80% is van mening dat de kerken uitspraken moeten doen over het probleem van de armoede. Tenslotte vindt vrijwel niemand in Nederland (slechts 4%) het een goede zaak als de kerken zouden verdwijnen.
De kerken worden, overdreven gesproken, door velen beschouwd als organisaties zoals Amnesty International en Greenpeace. Het zijn nuttige instellingen: ze moeten er zijn, ze moeten ook actief zijn en ze moeten zich als moderne instellingen gedragen. De meeste Nederlanders verwachten van de kerken wel dat ze in hun uitspraken de maatschappelijke veranderingen rond abortus en euthanasie legitimeren. Een veel kleiner deel van de bevolking ziet de kerken als vormgever van het traditioneel christelijk geloof en verwacht juist van de kerken dat ze een kritisch geluid laten horen over deze ontwikkelingen. Een treffend voorbeeld: van de regelmatige kerkgangers vindt 35% dat de uitspraak van de kerk over euthanasie volledig afwijzend moet zijn, een percentage dat onder de niet-kerkgangers slechts 8% is. Voor een volledige aanvaarding van euthanasie daarentegen pleit 53% van de niet-kerkgangers tegen slechts 12% van de regelmatige kerkgangers.
Groeiende kloof tussen 'geloof en 'kerk'
Twee belangrijke conclusies uit het onderzoek 'God in Nederland 1966-1996' is de groeiende kloof tussen godsdienstigheid en kerk. Anders gezegd: er is een groeiende afstand tussen het geloofsleven van de mensen aan de ene kant en het kerkelijk leven en de kerkelijk gevormde godsdienstigheid aan de andere kant.
Enkele illustraties van het laatste. Het traditionele godsgeloof daalt van 47% in 1966 naar 24% in 1996. Ondanks een toenemend bijbelbezit lezen Nederlanders minder in de bijbel en slechts de helft ziet de bijbel als het Woord van God (in 1966 rond de 70%). En minder dan de helft van de mensen vindt, dat bidden zin heeft (tegen 65% in 1966). De instemming met de traditionele geloofsvoorstellingen neemt dus af.
Maar dat betekent niet dat de godsdienstigheid in het algemeen vermindert. Maar liefst tweederde van de Nederlanders beschouwt zichzelf als gelovig. Sinds 1979 is dat niet gedaald, terwijl minstens zo opmerkelijk is, dat het aantal Nederlanders dat grote betekenis toekent aan het geloof sinds 1979 zelfs gestegen is. Geloof en kerk groeien dus uit elkaar. De conclusie is gerechtvaardigd, dat de traditionele kerken niet in staat zijn om de bestaande en veranderende religiositeit vorm te geven of te kanaliseren. Dat blijkt ook uit andere gegevens. Bijna de helft van de buitenkerkelijken beschouwt zichzelf als gelovig en zegt ook dat het geloof betekenis in hun leven heeft. En vrijwel iedere Nederlander (96%) is ervan overtuigd, dat je geloyig kunt zijn zonder ooit naar de kerk te gaan. Het gaat hier trouwens wel om een sterk op het persoonlijk leven geconcentreerde geloofsbeleving die ook zeer individueel en gevarieerd is. Al met al hebben de kerken hun monopoliepositie op de levensbeschouwelijke markt verloren en zijn nog slechts een deel - zij het nog steeds een belangrijk deel - van de aanbieders op die markt.
Christelijke godsdienst nog steeds van betekenis
Dit alles mag niet de indruk wekken - en dat is de derde conclusie van dit onderzoek - dat de christelijke godsdienst afwezig is of in de toekomst zal zijn. Voor een niet gering deel van de Nederlanders is de christelijke godsdienst nog steeds van betekenis. Elk weekend gaan nog altijd twee miljoen Nederlanders naar de kerk. Een ruime meerderheid (65%) van de Nederlanders vindt de kerken ook een betrouwbare informatiebron voor belangrijke maatschappelijke of politieke vraagstukken, acht op de tien Nederlanders is daarnaast van mening dat de kerken zich moeten uitspreken over het armoedevraagstuk en omvangrijke aantallen (variërend van 32 tot 43%) vrezen dat een afbrokkeling van kerkelijk en geloofsleven zal leiden tot egoïsme, bedreiging van de moraal en verloedering van de samenleving.
Maar de relevantie van godsdienst blijkt ook op een andere wijze. De combinatie van geloof in God of een hogere macht en kerkelijke betrokkenheid blijkt ook in 1996 nog medebepalend voor de maatschappelijke betrokkenheid van de Nederlander. Van de mensen die nooit naar de kerk gaan is 47% actief in het vrijwilligerswerk, van de regelmatige kerkgangers is in 1996 70% actief. Het kerkse en gelovige deel van de bevolking is aanzienlijk meer dan de rest van de bevolking actief in vrijwilligerswerk dat is gericht op meer idealistische doelen en in onbetaalde hulp aan buren, bejaarden en gehandicapten. Godsdienst blijkt een vorm van sociaal kapitaal, want hij motiveert mensen ook buiten het strikt religieuze domein om vrijwillig te participeren in activiteiten ten behoeve van anderen of de samenleving in bredere zin.
Katholieken minst gelovige groep
Hoe het dan tenslotte zit met de ontwikkelingen binnen de verschillende christelijke groeperingen, is het vierde thema van dit onderzoek. De kerkelijke betrokkenheid van de katholieken in Nederland is het geringst. Zij herkennen zich het minst in allerlei christelijke geloofsvoorstellingen en de band tussen geloof en leven is bij hen het zwakst. Een paar opmerkelijke voorbeelden. Slechts 17% van de katholieken onderschrijft het traditioneel-christelijke godsgeloof tegenover een meerderheid van gereformeerden en hervormden. Bijna niemand (slechts 3%) van de katholieken gelooft op een orthodoxe manier, waarmee ze sterk afsteken bij hervormden (31%) en gereformeerden (39%). Slechts eenvijfde van de katholieken geeft een expliciet christelijke interpretatie aan het leven na de dood tegenover een meerderheid van gereformeerden en hervormden. Voor slechts 38% van de katholieken heeft het geloof een grote of zeer grote betekenis in hun leven, tegenover 84% van de gereformeerden. En van de katholieken ervaart nauwelijks iemand de godsdienst als een belangrijk zingevingskader dat richting geeft aan het leven, tegenover een kwart van de protestanten.
Katholieken scoren in sommige opzichten zelfs lager dan de Nederlandse bevolking als geheel. Twee voorbeelden. Onder de katholieken is het traditoneel-christelijke godsgeloof nog slechts bij een zeer kleine minderheid van 17% aanwezig, onder de Nederlandse bevolking als geheel is dat 24%. Bij de katholieken is bijna niemand (nog slechts 3%) uitgesproken orthodox, bij de totale Nederlandse bevolking is 11 % nog sterk orthodox.
De protestanten en met name de gereformeerden komen uit het onderzoek naar voren als de meest kerkgetrouwe en gelovige christenen in Nederland. Liep de scheidslijn bij confessies tien jaar geleden nog tussen katholiek en hervormd enerzijds en gereformeerd anderzijds, nu lijkt het meer een verschil tussen katholiek en protestant. Zowel gereformeerden als hervormden zijn op alle punten veel godsdienstiger en kerkelijker dan de katholieken.
Dat heeft zeker te maken met tempoverschillen in het proces van secularisatie. Dat begon het eerst bij de hervormden in 1960 en lijkt langzaam tot stilstand te zijn gekomen. Bij de katholieken raakte dat proces in de jaren zestig en zeventig in een stroomversnelling en het einde daarvan lijkt nog altijd niet in zicht. Bij de gereformeerden is dat proces het laatst op gang gekomen en vertoont het sinds de jaren tachtig een duidelijke tempoversnelling. Desondanks zijn ze ook in 1996 nog altijd de meest gelovige en kerkgetrouwe christenen in Nederland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's