Kritisch bekeken
De ontwerp-ordinanties van de VPKN
Bijgaand artikel is de inleidende bijdrage van de heer Van Bokhoven te Linschoten in het boekje 'Kritisch bekeken - nader bezien', waarin de ontwerp-ordinanties bij de ontwerp-kerkorde voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland worden belicht. Het boekje wordt deze week aan de scribae van alle hervormd-gereformeerde (wijk)kerkenraden toegzonden.
Waarom considereren?
Bij de veelheid van post die na de vakantieperiode bij de kerkenraden bleek te zijn binnengekomen was er ook één opvallend pakket met twee keurig en fleurig uitgegeven boekjes: de ontwerp-ordinanties en de toelichting daarop behorende bij de ontwerp-kerkorde VPKN.
Kerkenraden en classicale vergaderingen hebben een jaar de tijd gekregen om hun commentaar daarop te geven, in kerkelijk taalgebruik: te considereren.
Menigeen zal zich vertwijfeld afvragen wat hij hiermee aan moet; 14 ordinanties, 189 artikelen die weer onderverdeeld zijn in een paar honderd leden. En dat alles moet dan getoetst worden aan de ontwerpkerkorde met zijn 19 hoofdstukken en 91 artikelen! Daarbij kan dan nog de vraag komen of het wel zinvol is om considererend mee te denken over de kerkorde/ordinanties voor een verenigde kerk die door velen niet begeerd wordt.
Toch dient bedacht te worden dat het hier gaat om een voorgenomen wijziging van de bestaande hervormde kerkorde/ordinanties. De drie betrokken kerken streven ernaar om tot gelijkluidende kerkordes en ordinanties te komen, zodat na een officieel verenigingsbesluit deze uniforme regelingen van toepassing kunnen zijn.
Of we nu wel of niet tegen de huidige ontwikkelingen zijn, de ambtelijke vergaderingen kunnen en mogen zich niet aan de kerkelijke verantwoordelijkheid onttrekken om zich uit te spreken over de voorgestelde wijzigingen van de hervormde kerkorde/ordinanties. En daarom is het goed deze te bestuderen en weloverwogen tot een advies te komen.
Toelichtingen
Naast de 172 pagina's door de generale synode vastgestelde tekst is er ook een boekje met 156 bladzijden toelichting. Bij alle wetgeving is de toelichting minstens zo belangrijk als de voorgestelde wettekst. Uit de toelichting moet blijken wat de bedoeling van de wettekst is, zodat gecontroleerd kan worden of dit beoogde correct in de wettekst is geformuleerd. Bij de ontwerp-kerkorde is het gebrek aan een 'memorie van toelichting' bij het considereren als een sterk manco ervaren.
Hoewel de nu toegezonden toelichtingen formeel geen synodaal gezag hebben, mogen ze wel als zodanig worden beschouwd totdat/tenzij de generale synode daarover een afwijkend besluit neemt.
Uitwerking
De kerkorde kan worden beschouwd als de grondwet van de kerk, waarin op belijdende wijze wordt verwoord wat de visie en betekenis is betreffende de kerk, de gemeente, de sacramenten, de ambten enz. enz. Dus een definiëring van de grondbeginselen.
In de ordinanties dient te worden aangegeven op welke wijze de kerk daaraan in de praktijk gestalte geeft. Dit betekent uiteraard dat de ordinanties een uitwerking dienen te zijn van de kerkorde, en daarvan niet inhoudelijk mogen afwijken. Blijkens de introductiebrief dienen de synode, de classes en de kerkenraden erop toe te zien dat deze overeenstemming er is.
Formeel dienen de ordinanties een uitwerking te zijn van de vastgestelde kerkorde. Duidelijk zal zijn dat tótische noties bij deze kerkorde ook doorwerken bij de beoordeling van de ordinanties. Het blijft overigens een groot manco dat er geen enkele helderheid is over de ecclesiologie van de kerkorde van de VPKN.
Uiteraard kan een volledig stelsel van kerkelijke regelgeving niet in één artikel gedetailleerd aan de orde komen. Een daartoe door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond ingestelde commissie heeft de ontwerp-ordinanties kritisch bekeken en de knel-en/of aandachtspunten zijn in een brochure aangegeven.
In onderstaand artikel wordt aan de hand van enkele voorbeelden een schets geven van de algemene tendens.
Als we tot een globale beoordeling van de ordinanties komen, dan mag er respect worden uitgesproken voor de snelheid waarmee de Commissie Kerkorde aan haar synodale opdracht heeft voldaan. In een 14-tal ordinanties is gepoogd om in korte en heldere bewoordingen de visie van de nieuwe kerk te formuleren. Voorwaar geen geringe opgave.
Belijdend karakter
Evenals in de hervormde kerkorde van 1951 zijn de ordinanties belijdend geformuleerd. Het is meer dan een huishoudelijk reglement voor de kerkelijke praktijk.
Ordinantie I gaat dan ook over het belijden van de kerk. Evenals bij volgende ordinanties blijft het onduidelijk waarom soms wel en andere keren niet brokstukken van de kerkorde in de ordinanties eenvoudigweg worden herhaald. Dit wekt de indruk van willekeur of een bepaalde prioriteitstelling.
In deze ordinantie I wordt wel vanuit de kerkorde herhaald dat 'het belijden van de kerk in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht geschiedt'. Ook wordt herhaald dat 'de kerk telkens opnieuw in haar vieren, spreken en handelen Jezus Christus als Heer van de wereld belijdt'. Het gaat hier steeds om het 'actieve' belijden zonder verwijzing naar de gedocumenteerde belijdenissen die in de kerkgeschiedenis werden geformuleerd. Dit roept tevens de vraag op waarom in de ordinanties dan niet wordt herhaald dat 'de kerk belijdt in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest' (artikel 1-3). Juist met het oog op '' ordinantie 14 - het leven en werken van de kerk in oecumenisch perspectief - is deze belijdenis van groot belang.
Anderzijds wordt in deze ordinanties voorbijgegaan aan de vele wijzigingsvoorstellen die ter synode en door classes zijn aangedragen. Een positief aspect is dat er in deze ordinantie I inzake het belijden der kerk de procedure is aangegeven hoe een bezwaar inzake het belijden van de kerk als gravamen door leden van de kerk - onder beroep op het Woord van God - kunnen worden voorgelegd aan het oordeel der kerk.
Konkordie van Leuenberg
Zeer belangrijk is de toelichting die gegeven wordt op ordinantie I artikel 5. Naast de in de kerkorde opgenomen officiële belijdenisgeschriften gaat het in artikel 5 om uitdrukkingen van het belijden van de kerk. De beslissing om een bepaalde uiting van de kerk aan te merken als zo'n 'uitdrukking van het belijden van de kerk' wordt genomen door de generale synode, nadat daarover is geconsidereerd door de classes, en dan nog bij tweede lezing met een gekwalificeerde meerderheid, namelijk drie/vierde van de stemmen in de generale synode.
Aangezien de Konkordie van Leuenberg nooit via deze speciale procedure door de kerk is aanvaard, is deze konkordie ten onrechte opgenomen in het hoofdstuk betreffende het belijden van de kerk. Maximaal zou deze sterk bekritiseerde konkordie kunnen worden opgenomen in de kerkorde in artikel XVI, waar het gaat om het leven en werk van de kerk in oecumenisch perspectief. De konkordie is immers bedoeld voor de voortgaande ontmoeting van de lutherse en gereformeerde tradities.
Zo blijkt de wisselwerking tussen kerkorde en ordinanties: de ordinantie brengt de inconsistentie van de kerkorde aan het licht.
De doop
Eén van de kritiekpunten op de kerkorde was de volstrekte gelijkstelling van de volwassen- en de kinderdoop. In de Heidelberger Catechismus wordt in antwoord 74 duidelijk gesteld dat de jonge kinderen als lidmaten van Zijn gemeente in het verbond Gods begrepen zijn en daarom behoren gedoopt te wezen. Volgens de kerkorde zou de doop bediend worden aan hen 'voor wie of door wie de doop begeerd wordt'. Daarin is dus geen sprake van het verplichtend karakter, maar van menselijke overwegingen, namelijk of wij die begeren.
Ordinantie 6 komt enigszins aan deze bezwaren tegemoet als zij stelt dat 'de gemeente in de prediking en herdelijke zorg wordt opgewekt tot de viering van de doop, in het bijzonder van de doop van de kinderen van de gemeente'. Overigens worden de niet-gedoopte kinderen in de nieuwe kerk niet meer als leden van de gemeente beschouwd: het hervormde begrip 'geboorteleden' bestaat dan niet meer. Met alle begrip voor bezwaren tegen geboorteleden: mogen wij kerkelijk grenzen trekken waar die in het verbond niet getrokken worden?
Avondmaal
Met betrekking tot de nodiging tot het heilig avondmaal wordt dezelfde terminologie gehanteerd als in de kerkorde: 'de nodiging gaat uit naar hen die Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing'. Alle leden, dus ook de kinderen en de niet-belijdende leden, worden toegelaten tot de deelname aan het avondmaal.
Eventueel mag de kerkenraad beslissen of alleen belijdende leden kunnen deelnemen, maar zo'n besluit mag niet worden genomen dan na beraad in de gemeente. Over censura morum c.q. tucht wordt in deze ordinantie niet gesproken: de bediening vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de ambtsdragers. Wel wordt vermeld dat de kerkenraad 'een samenkomst kan beleggen ter bezinning en verzoening, met het oog op de waardige viering van het avondmaal'. Een aspect waaraan in onze kring wellicht wel eens wordt voorbijgegaan!
Niet inhoudelijk
De missionaire, diaconale en pastorale arbeid van de gemeente en van de kerk wordt in de ordinanties summier en voornamelijk procedureel vastgelegd. De eigenheid van het missionaire ten opzichte van het diaconale wordt niet sterk geprofileerd. Pijnlijk wordt gemist dat het tot de taak van de gemeente behoort om te zoeken naar zendingsarbeiders om uit haar midden te worden uitgezonden. Ook zou er ruimte dienen te zijn om in bijvoorbeeld de grote wereldsteden waar nog geen geen kerken zijn, te komen tot 'church-planting'.
Bij de diaconale arbeid wordt zeer algemeen gesproken over 'bijstand aan groepen en bewegingen ter plaatse'. Zo wordt het gestalte geven aan 'de handen van Christus' geheel losgemaakt van 'de mond van Christus'.
Overigens worden activiteiten als 'het bevorderen van het maatschappelijkwelzijn en het bevorderen van gerechtigheid' heel wat concreter aangeduid dan 'het zoeken naar vertroosting'.
De ambten
Zoals ook in de brochure van de Gereformeerde Bond 'Ondeugdelijke basis voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland' werd verwoord, is de kerkorde gebaseerd op een gemeente-orde en niet zozeer op een ambts-orde. De kerk wordt meer gezien als opkomend uit het werk van de Geest, dan als opkomend uit het werk van Christus. Deze tendens zet zich in de ordinanties krachtig voort. Uiteindelijk zijn de ambtsdragers wel verantwoordelijk, maar het geheel wordt gekenmerkt door delegatie. Zo is er sprake van een kleine kerkenraad met instelling van werkgroepen, sectieteams en taakgroepen binnen de gemeente. Om verkozen te kunnen worden tot ambtsdrager is het niet nodig om al belijdend lid te zijn. Als men wordt verkozen, kan men met de bevestiging tegelijk belijdend lid worden. Het verkiezen van doopleden tot ambtsdragers dient te worden afgewezen. Men heeft immers geen openbare belijdenis afgelegd, terwijl het doel daarvan is 'blijk geven van de bereidheid om van de Heer te getuigen, en medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus'. Hoe kan men als ambtsdrager doopleden aanspreken op/vermannen tot de noodzaak tot openbare belijdenis, als men dit zelf 'en passant' heeft gedaan?
Ook bij het laten dopen van kinderen kunnen de ouders simpelweg 'door het beantwoorden van een daartoe strekkende vraag' onder de belijdende leden worden opgenomen. Zo wordt openbare belijdenis afleggen uitgehold.
Of alleen belijdende leden of ook doopleden stemgerechtigd zijn mag de kerkenraad bepalen, maar opnieuw alleen na de gemeente er in gekend en er over gehoord te hebben. De verkiezing en beroeping van predikanten wordt voorbereid door een beroepingscommissie waarin naast leden van de kerkenraad in de regel ook een aantal gemeenteleden zitting heeft. De verkiezing van een predikant vindt plaats in een door de kerkenraad belegde vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden.
Zo globaal de bovenplaatselijke organisatie wordt beschreven, zo gedetailleerd gebeurt dat voor het gemeenteleven.
Bovenplaatselijke arbeidsorganisatie
In de trio-synodevergadering van oktober 1994 ontstond veel commotie toen bleek dat er gestreefd werd naar een gezamenlijke arbeidsorganisatie van de kerkelijke functionarissen zonder dat daar een kerkordelijke basis voor was. Uiteindelijk is toen besloten dat de besluitvorming over deze bovenplaatselijke arbeidsorganisatie pas mocht plaatsvinden na dé vaststelling van de ordinanties. Daarin en daarmee zou de ambtelijke structuur en verantwoordelijkheid dan voldoende zijn vastgelegd.
Nu deze ordinanties dan voorliggen, is het hoogst opmerkelijk dat er zo weinig over deze organisatie wordt geregeld. En dit, terwijl in het desbetreffende rapport 'Mensen en Structuren' bijvoorbeeld uitvoerige aandacht werd gegeven aan de taak van de regionale dienstencentra.
In ordinantie 4 lid 7 staat alleen dat de algemene classicale vergadering een regionaal dienstencentrum onderhoudt dat wordt bestuurd door de regionale commissie voor de dienstverlening. De in dit rapport zo gepropageerde en ter synode zo gewraakte 'regio-consulent' wordt niet genoemd, zodat onduidelijk blijft of deze ca. 40 wel 'speudo bisschoppen' genaamden verdwenen zijn, danwei geacht worden zonder kerkordelijke basis te kunnen opereren.
Het gevaar van deze vaagheid is, dat dit geregeld zal gaan worden in de generale regelingen. Echter, een generale regeling mag alleen een verdere, technische uitwerking zijn van de ordinanties.
Met de vaststelling in generale regelingen onttrekt de inhoud daarvan zich aan de beoordeling van de kerkenraden en de classes, omdat deze regelingen zonder inspraak alleen door de synode worden vastgesteld! Wordt een classicale beoordeling inmiddels te lastig gevonden?
De gemeente
In antwoord op bezwaren tegen het SoW-gebeuren is in het verleden steeds ingebracht dat op plaatselijk vlak de gemeenten niet tot samenwerking gedwongen zouden worden. Daar zouden hervormde gemeenten (en eventueel gereformeerde kerken) kunnen blijven bestaan naast de gefuseerde protestantse gemeenten.
In ordinantie 2 en 4 wordt het gemeenteleven procedureel geregeld. Dan blijkt dat wijkgemeenten dienen samen te werken in een algemene kerkenraad.
Indien een huidige wijkgemeente zwaarwegende bezwaren heeft tegen de vorming van een gefuseerde protestantse gemeente, dan staat ordinantie 2-12-8 toe dat zo'n wijkgemeente een zelfstandige gewone gemeente wordt. Hoe geruststellend dit ook klinkt, in feite betekent dit een binnenkerkelijke afscheiding, waarin die wijkgemeente losgemaakt wordt van de andere wijkgemeenten en de facto degradeert tot een vorm als de huidige deelgemeente.
Hier gaat de SoW-loyaliteit ten koste van de hervormde solidariteit.
Ordinantie 2-12-6 bepaalt dat de grenzen van de gemeenten worden vastgesteld en gewijzigd door de classicale vergaderingen. Dit heeft het gevaar in zich dat hervormde gemeenten die niet willen fuseren, door grenswijzigingen kunnen worden ingeperkt. Het streven zal immers zijn om zo veel mogelijk gelijke grenzen te hebben met de gereformeerde kerken?
Overigens zal na synodale eenwording van de kerk de verscheidenheid en verdeeldheid enorm toenemen. De ordinanties noemen niet minder dan 15 soorten gemeenten: een protestantse gemeente, een hervormde gemeente, een gereformeerde kerk, een evangelisch-lutherse gemeente, een hervormde wijkgemeente van een protestantse gemeente, een gereformeerde wijkgemeente van een protestantse gemeente, een evangelisch-lutherse wijkgemeente van een protestantse gemeente, een hervormde gemeente naast een protestantse gemeente, een gereformeerde kerk naast een protestantse gemeente, een evangelisch-lutherse gemeente naast een protestantse gemeente, een gemeente van bijzondere aard, een wijkgemeente van bijzondere aard, streekgemeente, huisgemeente, gemeenten in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden in grootstedelijke gebieden. (In deze laastgenoemde gemeenten mogen overigens ook ouderlingen en diakenen voorgaan in de kerkdiensten en de sacramenten bedienen!) Daarnaast kan er nog sprake zijn van samenvoeging of combinatie van gemeenten.
Meerdere vergaderingen
Door een zeer uitvoerige regelgeving mogen de evangelisch-lutherse gemeenten weten dat hun eigen synode gehandhaafd blijft, gericht op het zorgdragen voor het bewaren en aan de hele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie.
Of de niet-gefuseerde hervormde gemeenten ooit ter synode zouden zijn afgevaardigd bleef bij het opstellen van de kerkorde dubieus. Araendementen gericht op een evenredige vertegenwoordiging naar de synode werden ontraden en verworpen. Om enigszins aan deze bezwaren tegemoet te komen regelt ordinantie 4-20-5 dat als deze afvaardiging ter synode sterk afwijkt van de aantallen hervormde, gereformeerde, protestantse en lutherse gemeenten, de synode ten hoogste 10 classicale vergaderingen kan (!) aanwijzen om een extra synodelid af te vaardigen. Gezien de structurele disproportionaliteit in de hervormde synode kan het effect van deze bepaling worden betwijfeld.
Destijds is sterk bepleit dat hervormde gemeenten het recht zouden houden om zich te blijven verenigen in hervormde classicale vergaderingen. Daarbij is te denken aan open-classisgrenzen binnen het gebied van een algemene classicale vergadering.
Hier heeft de Commissie Kerkorde zich tegen verzet, want alles wat bovenplaatselijk is dient gefuseerd te worden.
Wel opent ordinantie 4-13-2 de mogelijkheid dat de in een ringverband samenwerkende gemeenten bijeenkomen tot onderlinge opbouw, ondermeer door zich gezamenlijk te bezinnen. Behalve de regeling van de consulentschappen kan een ringverband ook zijn overwegingen ten aanzien van vragen van belijden en kerkorde kenbaar maken aan de classicale vergadering, zodat dit bij het considereren kan worden meegenomen. De ring is echter geen ambtelijke (vergade)ring.
Conclusie
Al met al zijn er voor de kerkenraden en de classicale vergaderingen redenen genoeg om de ordinanties te bezien. De vraag is of de hiervoor toegemeten tijd wel voldoende is om tot een gefundeerde beoordeling te komen.
Dat er - mede dankzij ons kritisch meedenken - op onderdelen enigszins tegemoet is gekomen aan inhoudelijke aspecten, kan de bezwaren tegen deze kerkorde/ordinanties niet wegnemen. Ook na 1951 mag niet een pluriforme kerkorde met gereformeerde elementen uitgangspunt zijn, maar alleen een kerk die - ondanks alle ook huidige afdwalingen! - kan worden aangesproken op haar gereformeerd karakter, blijkend uit een onvoorwaardelijke binding aan de thans vigerende belijdenissen, en uitgewerkt in kerkorde en ordinanties.
Considereren behoort tot het verdedigen en uitbreiden van de waarheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1997
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's