De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wilhelmus a Brakel en het Piëtisme (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wilhelmus a Brakel en het Piëtisme (1)

8 minuten leestijd

Wie Brakels Redelijke Godsdienst kent en tevens weet wat tegenwoordig onder Piëtisme wordt verstaan, zal bij het horen van de titel wel doorhebben welk addertje er onder het gras zit en zich afvragen: 'Welk Piëtisme is bedoeld: het mysticisme uit Brakels tijd, dat hij in zijn laatste hoofdstuk van Deel 1 zo nadrukkelijk afwijst, óf heel die internationale na-reformatorische vroomheidsbeweging waarvan de Nadere Reformatie de Nederlandse verschijningsvorm is? ' Ik heb ze beide op het oog. En de gedachte die ik in deze causerie ontvouwen wil, is dat juist uit Brakels antipiëtistische stellingname prima kan verhelderd worden wat de spirituele kern van het naderreformatorische Piëtisme uitmaakt.

Historische lijn

Een enkele historische lijn vooraf. Terwijl het woord pietas (vroomheid), waarvan 'piëtisme' is afgeleid, een markant spoor trekt door de complete theologiegeschiedenis en inzonderheid ook het oeuvre van de reformatoren typeert, kwam de term piëtisme eerst rond 1675 in Zuid-Duitsland in gebruik, als spotnaam voor aanhangers van Ph. Jak. Spener. Zijn geestverwant Joachim Feller, hoogleraar te Leipzig, vatte het ruim een decennium later (1689) als erenaam op. Hij rijmde:

Es ist jetzt stadtbekannt der Nam' des Piëtisten.

Was ist ein Pietist? Der Gottes Wort studiert

und nach demselben auch ein heilig Leben fuhrt.

Das ist ja wohl getan, ja wohl von jedem Christen.

Eind 17e eeuw werd de term gemeengoed om de beweging aan te duiden die door Spener (en Francke) in gang was gezet in vnl. Lutherse maar ook wel gereformeerde kerken in Duitsland en Zwitserland. Eind vorige eeuw werd er echter door Heinrich Heppe en Albrecht Ritschl een begripsverruiming geïntroduceerd, die zich in het moderne onderzoek heeft doorgezet. Met afzien van enkele Duitse kerkhistorici is het sedertdien usance om het begrip zowel chronologisch als geografisch breed op te vatten. Men verstaat eronder de belangrijkste vroomheidsbeweging van het Engelse, Nederlandse en Duitse Protestantisme na de Reformatie, een stroming die cultuurhistorisch samenhangt met een sedert de Renaissance versterkte aandacht voor subject en individu, en die vanaf ca. 1600 kritisch reageert op het geestelijke verval van kerk en samenleving, en krachtig pleit voor een vroomheid die gekenmerkt wordt door zowel de innerlijke beleving van de omgang met God als door praktische uitleving van de heiliging voor Gods aangezicht. Niet alleen het Duitse Piëtisme, maar ook het Angelsaksische Puritanisme en de Nederlandse Nadere Reformatie zijn zo bezien gestalten van het ene internationale, interconfessionele Piëtisme. ledere piëtist is wel geen nadere reformator, maar elke nadere reformator wel een piëtist.

Zonder nu in te gaan op de theologiehistorische wortels van deze beweging, noch op de diversiteit tussen de drie genoemde verschijningsvormen, vraag ik uw aandacht voor de positie van de naderreformatorische piëtist Wilhelmus a Brakel. Het is deze piëtist die zich - paradoxaal genoeg - uitdrukkelijk van het Piëtisme heeft gedistantieerd. In 1683 publiceerde hij immers een traktaat van bescheiden omvang, onder de titel Waarschouwende bestieringe tegen de piëtisten, quiëtisten en diergelijke afdwalende tot een natuyrlijken en geesteloosen godsdienst, in 1700 opgenomen in zijn Redelijke Godsdienst. We staan dus voor een dilemma: óf wij houden hem ten onrechte voor een piëtist, óf hij bedoelt met piëtisten andere geesten dan wij. Het is evident dat het laatste het geval is. Voor hem is Piëtisme verdacht en verwerpelijk (zoals het dat bleef tot in de 18e eeuw voor bijv. Johan Verschuir, die wij toch zonder aarzeling als een rasechte piëtist beschouwen!). Maar dan wordt de vraag urgent wat Brakel daaronder verstaat. Dat nu wil ik vanuit het genoemde traktaat in korte trekken releveren. Maar daarbij wil ik vooral nagaan wat hij dan wél voor ware vroomheid houdt, om zo op het spoor te komen dat we Brakel met recht mogen scharen onder de piëtisten in de thans gangbare zin van het woord.

Soort piëtisten

Welke soort piëtisten heeft Brakel met zijn Waarschouwende bestieringe in het vizier? Per se niet de ware godzaligen onder de luthersen en gereformeerden in Duitsland, die door wereldse mensen smadelijk voor piëtisten worden uitgemaakt. Daarmee veroordelen die spotters trouwens zichzelf en zetten zij een kroon op het hoofd van de vromen, merkt Brakel op. Want 'Piëtist is een godzalige te zeggen'. Hiermee geeft hij er blijk van, wel degelijk op de hoogte te zijn met de positieve betekenisnuance van de term piëtist. Waar hij dan ook zijn polemiek op richt, zijn de schijngodzaligen, die wel de naam van piëtist dragen, maar intussen allerlei dwaling voeden, en die hij nader aanduidt als mystieken, Böhmisten, Labadisten, geestdrijvers e.d. Kortom, piëtisten hanteert hij als verzamelnaam voor pseudo-piëtisten. Zulke spiritualisten vindt hij een gevaar voor kerk en vroomheid. Waarom?

Voordat hij dat theologisch uit de doeken doet, maakt hij een belangrijke psychologische opmerking. Brakel is een scherp waarnemer. Hij signaleert dat dwaalgeesten gewoonlijk iets naar voren brengen waar een christenmens nu juist zo naar verlangen kan. Ze geven bijv. hoog op van de vereniging met God en van de zelfverloochening, en dat maakt argeloze zielen jaloers. Maar tegelijk ook kwetsbaar en kritiekloos. Om nu deze categorie weerbaar te maken, wil hij die schijngodsdienst ontmaskeren. Hij doet dat aan de hand van een zestal stellingen, die alle zes staan achter de accolade van Brakels voorafgaande grondovertuiging, dat bedoelde piëtisten wel geestelijk lijken, maar dat hun opvattingen in werkelijkheid niets met de Heilige Geest van doen hebben. Het is dit vernietigend oordeel dat hij op zes manieren toelicht.

I Een christen moet grote liefde hebben tot de waarheid. Onder deze waarheid verstaat Brakel de weg ter zaligheid die God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Grote nadruk legt hij erop dat dit Woord het enige middel is om het geloof te verkrijgen en bron en norm van de heiliging. De piëtisten nu weten wel 'schoon te spreken', maar veronachtzamen dit criterium van de waarheid, en wel in tweeërlei zin. Ten eerste door hun dogmatische onverschilligheid: ze onderhouden nl. gemeenschap met lieden van allerhande ketterse overtuiging. Leerstellige verschillen dekken ze toe met hun zgn. liefde. In de tweede plaats komt hun ervaring zelf niet op uit de waarheid van het Woord; ze bestaat louter uit natuurlijke beschouwing zonder Geest. Blijkbaar staat veronachtzaming van het Woord voor Brakel gelijk aan Geesteloosheid. Positief gesteld: geestelijk leven is leven uit het Woord.

II Een christen moet grote liefde en achting hebben voor de kerk.
De kerk noemt Brakel het uitnemendste van al wat er in de wereld is. Ze is het koninkrijk van God op aarde, de vergadering van de erfgenamen des eeuwigen levens, door God genoemd 'Hefsibah'. Wie deze broederschap niet liefheeft, die heeft God niet lief, hij moge praten wat hij wil. In deze kerk schijnt de Zon der gerechtigheid, daar wordt de Heilige Geest uitgegoten en de weg gewezen in het Woord. Daar wordt God aanbeden en beleden. En wie wordt er bekeerd dan via de moeder, de kerk? Hoewel nu de kerk alleszins gebrekkig is, - zwart beslagen zilver verliest zijn waarde niet en blijft kostbaarder dan blinkend tin, en koren verliest zijn voedzaaraheid niet omdat het vermengd is met veel kaf...

Brakel raakt hiermee een gevoelige zenuw aan. Want juist die gebrekkigheid van de kerk was voor de piëtisten die hij bedoelt doorgaans de aanleiding om de empirische kerk en haar prediking de rug toe te keren. Ter compensatie komen ze 'bij gelegenheid eens samen en horen ze de een of ander wat praten over een gefantaseerde God', hetgeen die duisterlingen voor wonderbaar licht en geestelijk houden, 'n Heilloze vergissing!

Dit is dus Brakels tweede punt van kritiek: verachting van de kerk en van de reguliere Woordbediening. Waarmee impliciet is gesteld, dat een gezond geestelijk leven groeit en bloeit in de kerk, als broedplaats van de Heilige Geest.

III De Heilige Schrift is de enige regel van leer en leven.
In deze stelling worden de vorige twee gecombineerd en toegespitst. De waarheid van het Woord is aan de kerk toebetrouwd, opdat zij dat Woord zal verkondigen tot bekering en leiding in het geloof. Het Woord Gods is het fundament, het merkteken, het voedsel, de regel, ja 'het alles', formuleert Brakel veelzeggend. De band is onlosmakelijk: 'Geen kerk zonder Woord, geen Woord zonder kerk'. Daarom: 'Met hoeveel ontzag moet men dan het Woord horen en lezen'. Men mag er zich in volle zekerheid op verlaten, en wie dat niet doet, die houdt God voor een leugenaar.

En nu de piëtisten. Terwijl ze prat gaan op geestelijk licht, schort het hun daar nu juist aan. Dat komt omdat ze hun natuurlijke bevattingen voor geestelijk aanzien en die ver boven het Woord verheven achten. Sommigen van hen verwerpen het, anderen houden het voor een ABC-boek voor beginnelingen, weer anderen achten het een dode letter of gaan er in selectieve willekeur mee om. Voor Brakel reden om te poneren: Zij hebben des Heeren Woord verworpen, wat wijsheid zouden ze dan hebben (Jer. 8 : 9)? ' Het is duidelijk: Brakels vroomheid is door en door kerkelijk, d.w.z. geboren en getogen in de Woordbediening van de Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wilhelmus a Brakel en het Piëtisme (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1997

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's